Jogledor
© 2014 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten
voorbehouden, all rights reserved
1. Diana
2. Martin
3. Aan de waterkant
4. De overeenkomst
5. Over de heuvels en in de stal
6. Nazomer
De eerste zonnestralen die over de rand van de heuvelrug heen
stroomden, verrieden de plek waar de zon achter de heuvel verscholen
ging en waar zij binnen enkele minuten in volle glorie zou
verschijnen om een prachtige voorzomerdag aan te kondigen. Diana liep
naar de heuvel toe. Ze bleef stil staan om te luisteren naar het luide
gezang van de vogels in de bosrand. De laatste flarden nevel zweefden
laag over de weiden. Rustig liep zij weer verder. Haar voetstappen
lieten een spoor achter in het bedauwde gras. Een minnaar had haar
makkelijk kunnen volgen, maar Diana had geen geliefde. Ze had haar
talloze aanbidders steeds lachend op vele armlengtes afstand gehouden.
Ze hield van alle mensen, van alle dieren, van alle vogels, van alle
planten, maar bovenal hield zij van haar vrijheid. De aandacht van haar
bewonderaars beklemde haar, alsof men haar probeerde te vangen en vast
te binden. Tot haar grote opluchting hadden alle mannen in het dorp de
hoop opgegeven, zowel de jonge als ook de oudere. Wat deze jonge en ook
oudere mannen over haar roddelden om hun eigen gekrenkte trots te
balsemen, interesseerde haar niet, zolang ze haar met rust lieten.
Diana passeerde een bosje hakhout en ze rook de zware geur van
kamperfoelie. Een roodborstje hipte op een takje naast haar en zong
zijn parelende, melodieuze lied vol hoge geluidjes en trillers. Ze zag
het snaveltje razendsnel de klanken vormen. Het vogeltje was vol leven,
vol kracht. Diana voelde het volle leven in zichzelf, ze voelde de
kracht in haar negentien jaar jonge lichaam. Ze ademde de geurige
ochtendlucht in. Haar borstkas ging omhoog. Zo lang mogelijk hield zij
de frisse lucht in haar longen, daarna ademde ze langzaam uit. Ze
genoot van het gevoel om te leven, van iedere ademhaling, van het
kloppen van haar warme hart, van de beweging van haar benen, haar
voeten en haar armen, die langs haar lichaam zwaaiden op het ritme van
haar voetstappen. Ze naderde de beek die langs de bosrand stroomde. Een
merel nam er een bad. De zwarte vogel keek met het kopje schuin toe hoe
zij van steen naar steen over het snel stromende water naar de andere
oever stapte en over het bospad verder liep. Het pad werd een steile
holle weg. De schemering leek weer in te vallen, totdat aan de andere
kant van de donkere strook bos de grazige helling open voor haar lag
met de hoge heuvelrug als scherpe begrenzing tussen de aarde en de
geelblauwe lucht. Diana versnelde haar pas. Ze rende de steile helling
op, recht op de top van de heuvel af. Snel als een haas schoot zij naar
voren. Met grote passen vloog zij omhoog. Haar voeten leken de grond
nauwelijks te raken. Als Diana rende, kon niemand in het dorp haar
bijhouden. Haar aanbidders daagde ze één voor één uit voor een
hardloopwedstrijd. Wie haar inhaalde mocht haar kussen. Haar heldere,
vriendelijke lach als zij als eerste de overkant van het veld bereikte,
was een troostprijs waar geen van de jonge en ook oudere mannen in het
dorp tevreden mee was. Liever lieten ze haar met rust. Liever maakten
ze meisjes het hof, die minder snel konden rennen.
Diana rende steeds
sneller omhoog naar de heuveltop. Haar longen vulden zich met de
zuivere, kruidige lucht. Het was alsof de ingeademde lucht haar lichter
maakte, alsof ze zweefde. Diana ging helemaal op in haar sprint. Ze
genoot van haar snelheid, ze genoot van de krachtige sprongen van haar
benen. Ze zag de blauwe lucht niet meer. Ze hoorde de leeuwerik niet
die hoog boven haar hoofd zong. Ze voelde alleen het contact van haar
voeten met de grond. Het voelde alsof de grond haar hielp, alsof zij
iedere keer dat ze zich met haar voet op de bodem afzette, een extra
zetje meekreeg van de grond, die naarmate ze hoger kwam steeds droger
en harder werd en begroeit met ijl gras en tijm. De harde grond en de
geur van de tijm stimuleerden haar om sneller te lopen, om zich
veerkrachtiger af te zetten. De helling werd steiler, sneller raakten
haar voeten de grond, langzamer ging zij omhoog. Haar snelle sprint
werd een trage worsteling met de heuveltop, die zich niet zo makkelijk
liet bestormen. Liever viel Diana er bij neer dan dat zij opgaf. Wild
ging haar borstkas op en neer. De lucht, die in snelle opeenvolging in
haar longen werd gezogen en daarna eruit geperst, voelde niet langer
meer zacht aan, maar hard en scherp. De geur van de tijm, die haar
eerst had gestimuleerd, bemoeilijkte nu haar ademhaling. Weldra zou ze
van uitputting neervallen. Met uiterste krachtinspanning ging zij
verder. Nog een paar seconden en haar benen zouden weigeren haar verder
te dragen. Bijna was ze op de top, de helling werd minder stijl, ze
hoefde haar voeten niet meer zo hoog op te tillen. Het terrein was nu
nagenoeg vlak. Ze maakte een eindsprint naar de meidoornstruiken op de
kam van de heuvel. Ze had de heuveltop overwonnen. Hijgend liep ze in
een cirkel. Haar longen deden pijn en haar bloed pompte wilde door haar
lichaam. Langzaam ging haar hartslag omlaag en haar borstkas kwam tot
rust. Ze kon weer rechtop stilstaan. Ze keek richting de zon, die
krachtig scheen op de heuvel en op het glooiende landschap onder haar.
Haar ogen knipperden van het felle licht. Ze keek naar rechts en zag
heel vaag in de verte een lichte strook, de zee. Ze sloot haar ogen en
hoorde heel zacht het breken van de golven op de rotsen, overstemd door
het gezang van de leeuweriken, die één voor één opstegen uit de
tijmstruikjes. Ze opende haar ogen, strekte haar armen naast zich uit
en draaide langzaam rond haar as. Diana was verliefd op het leven, op
de zon, op de lucht, op de rijke aarde. Deze liefde voor alles wat haar
omringde vulde haar hele grote hart en er was geen plaats meer voor een
alledaagse verliefdheid op een doorsnee man. Welke man kon meer voor
haar zijn dan het leven, de zon, de lucht en de rijke aarde? Als zo’n
man bestond en zij zou hem ontmoeten, dan zou zij hem beminnen met heel
haar ziel.
Aan de oostkant van de heuveltop, waar de dauw verdampt was in de zon,
ging Diana liggen op het droge gras, tussen de bloeiende tijm. Ze
strekte zich uit en voelde hoe het leven als kleine elektrische
stroompjes door haar lichaam tintelde, tot aan haar vingertoppen en
haar tenen. Ze luisterde naar het koor van de leeuweriken, hoe het zo
nu en dan plotseling stopte om daarna weer langzaam aan te zwellen. Ze
voelde de stevige, droge aarde onder zich. Ze voelde de zachte wind
langs haar gezicht strijken, de warme zonnestralen op haar huid. Ze was
gelukkig. Ze was compleet. Niets ontbrak haar. Ze verhief haar
bovenlichaam en steunde op haar ellebogen. Ze keek naar het landschap
beneden zich en in de verte, naar de golvende weides, de lichtgroene
eikenbossen, de akkers met het wuivende jonge, blauwgroene graan, de
spitse kerktoren van het dorp, de verre, smalle strook zee. Ze keek
naar de blauwe hemel. Recht voor haar hing een leeuwerik stil in de
lucht, hoog boven de helling, maar op gelijke hoogte met de heuveltop.
Ze zag de vleugeltjes snel op en neer bewegen, ze hoorde hoe de zang
opging in het koor van de andere leeuweriken. Plotseling stopte het
koor. Het vogeltje trok zijn vleugeltjes in en liet zich bijna
loodrecht omlaag vallen en verdween in het gras op de helling. In de
verte klonk het gehinnik van een paard en direct daarna het antwoord
van de paarden in de weiden rond het dorp. Het werd warm in de zon.
Diana stond op en liep naar de meidoornstruiken. In de schaduw van de
struiken was het gras bedauwd, maar hier en daar kwam de droge, naakte
rotsbodem aan de oppervlakte. Diana ging op de koele rotsen in de
schaduw zitten. Het geluid van paardenhoeven kwam in hoog tempo op haar
af. Een eenzame ruiter volgde de heuvelkam naar de top en kwam snel
dichterbij. Zijn hengst was sterk en fors gebouwd, met een lichtbruine,
glanzende vacht en een witte bles. Diana zag hoe de machtige spieren
van het dier zich aanspanden voor iedere sprong, hoe het dier in
perfecte gratie galoppeerde. De man bereed het paard zonder zadel,
alleen met bit en teugels. Vlakbij de meidoornstruiken hield hij het
paard in en liet hij het stapvoets op en neer lopen. Het paard hijgde
van de snelle rit en schudde het hoofd. De man keek richting het
oosten, naar de langzaam rijzende zon en verblind door het licht zag
hij Diana niet, die verscholen zat in de schaduw van de
meidoornstruiken. Diana bekeek de man. Hij was hooguit een paar jaar
ouder dan zij. Goudblonde, golvende lokken vielen omlaag langs zijn
achterhoofd en zijn slapen. Hij had een fijn, ietwat ovaal gezicht, een
rechte, nobele neus en een wilskrachtig kin. Zijn nek was slank, zijn
schouders gespierd maar niet overdreven breed. Zijn borstkas, zijn
armen, zijn slanke taille, zijn benen, alles voldeed aan het ideaal van
mannelijke schoonheid. Toen het paard rustiger was geworden, sprong de
man van het dier en hield het vast bij de leidsels, op een paar meter
afstand van Diana. Het paard knabbelde wat van het dorre gras en
snuffelde in haar richting. Ze stond op om de hengst te aaien en kwam
te voorschijn uit de schaduw. Nu pas zag de man haar.
“Goedemorgen,”
zei Diana uitnodigend tegen hem en ze keek in zijn helderblauwe ogen.
De man ontweek haar blik en zei afwezig “Goedemorgen, ja.”
“Ook hier
gekomen om naar het uitzicht te kijken?” vroeg Diana.
“Ja, en om alleen te zijn,” antwoordde de man, die te laat de botheid
van zijn woorden besefte, die hij niet zo bedoeld had. Hij had in alle
eerlijkheid geantwoord. Hij dwong zich om niet naar het gezicht te
kijken van deze jonge, voor hem onbekende vrouw. Heel even verloor zijn
wil de macht over zijn ogen en zijn blik gleed over haar beeldschone
gelaat. In een oogwenk zag hij haar mooie neus, haar volle lippen, haar
prachtige blauwe ogen, haar blonde haar, lichter en langer dan het
zijne, maar even golvend en glanzend in de zon. Hij was als betoverd.
Zijn ziel was verrukt. Het korte moment dat hij naar Diana keek, vergat
hij de pijnlijke herinnering die hem al wekenlang achtervolgde. Het was
alsof de dooi inviel na strenge vorst, alsof hij voor het eerst weer
echt de warmte van de zon voelde. Snel wendde hij zijn blik af. Nooit
meer zou hij zich laten verstrikken in de netten van een vrouw. Zijn
hart was van ijskoud staal. Onkwetsbaar was hij voor de dodelijke
pijlen van de liefdesgod. Hij wilde zijn paard bestijgen, zijn wilde
rit vervolgen, wegvluchten, maar Diana hield één hand aan de teugels en
met de andere hand streelde ze de vacht van het paard.
“Wat een mooi paard,” zei ze. “Hoe heet hij?”
“Bles, het paard heet Bles” antwoordde hij zo onverschillig mogelijk,
terwijl hij vermeed om haar aan te kijken. Diana hoorde duidelijk het
enthousiasme voor zijn favoriete rijdier in zijn stem.
“Ik zag je rijden,” zei Diana. “Ik wou dat ik ook zo paard kon rijden,
zonder zadel en stijgbeugels.”
“Het stelt niets voor, het is heel makkelijk.”
“Jij reed zo snel en het is zo’n groot paard.”
“O, een groot paard beweegt rustiger dan een klein paard.”
“Woon je ook in het dorp?” vroeg Diana.
“Ik woon bij mijn oom, in de
boerderij niet ver van de oude watermolen.”
“Ik heb je niet eerder gezien.”
“Ik ben hier niet zo lang, twee weken.”
“We staan hier met elkaar te praten, terwijl ik mijzelf niet eens heb
voorgesteld. Ik heet Diana. Ik woon in het dorp daar beneden.” Ze stak
haar hand naar hem uit.
“Martin,” zei de man, terwijl hij haar hand aannam en schudde. Zijn
handdruk voelde prettig en krachtig, zonder dat hij haar hand onnodig
stevig vasthield. Er ging een tinteling van haar hand, door haar arm,
langs haar ruggengraat. Hij liet haar hand weer los. De man ontweek
haar blik, terwijl zij juist door hem aangetrokken werd. Als ze naar de
man keek, zag ze tegelijkertijd de zon en de lucht en de rijke aarde en
ze voelde het leven sterker dan ooit door haar lichaam stromen. Ze
wilde niet dat hij nu al weer weg reed, zo kort nadat zij hem
ontmoet
had. Ze zocht een manier om het gesprek voort te zetten, maar ze kon de
woorden niet vinden. Snel plukte ze een handvol gras van onder de
meidoornstruik, waar het gras malser was, en voerde het aan Bles.
Terwijl ze opnieuw bukte om gras te plukken, sprong Martin snel op de
rug van het paard. Toen ze overeind kwam, raakte haar warme, slanke
schouder de knie van Martin. Haar blonde haren golfden langs zijn
rijlaarzen omlaag. Ze voerde het gras aan Bles. Haar schouder raakte
Martin’s knie niet meer. Ze keek Martin aan en ze zag hoe hij bloosde
en zich dwong om in de verte te kijken. Ze pakte een tres van de
donkerbruine manen van Bles en begon het lange paardenhaar met beide
handen te vlechten. Tegen zijn wil in keek Martin vol bewondering naar
haar symmetrische gezicht, haar roze wangen, haar lieve lippen, haar
blonde haar, dat golfde langs de bruine vacht van Bles. Ver weg klonk
het gehinnik van een paard. Bles werd onrustig. Diana deed een stap
naar achteren. Martin stamelde een onduidelijke groet en ruiter en
paard reden verder, eerst stapvoets, dan in draf en tenslotte in wilde
galop langs de kam van de heuvel. Martin en Bles doken een diepte in en
verdwenen uit zicht.
“Wat een mooi paard,” zei Diana hardop en ze dacht aan de man. Ze
lachte haar heldere lach. Ze leefde meer dan ooit te voren. De zon, de
lucht en de rijke aarde waren mooier dan ooit. Ze liet
zich door
de tijm een eindje de heuvel af rollen, daarna huppelde ze verder
omlaag,
naar de holle weg. Zingend liep ze door het bos. Bij het beekje bukte
ze en ze dompelde haar hand in het koele water. Ze gooide de
waterdruppels omhoog. Glinsterend in de zon vielen de druppels terug in
de beek. In de weide plukte ze een bont gekleurd veldboeket dat ze bij
haar thuis in een vaas op de ontbijttafel zette. Ondanks haar stevige
ochtendwandeling had ze geen honger.
De meest meedogenloze bergtoppen had hij bedwongen, oerwouden had hij
doorkruist, oceanen overgestoken en schipbreuk geleden. Onoverwinnelijk
was hij, totdat hij Isabel ontmoette. Mooie Isabel! Zij had zijn liefde
aangemoedigd totdat hij niet meer kon leven zonder haar. Zijn hele,
grote, sterke hart had hij haar gegeven en ze had het vertrapt. Mooie,
verraderlijke Isabel! Steeds weer moest hij denken aan haar zwarte
haren, haar bruine ogen, waarin hij verdronk, aan haar fluweelzachte,
warme huid. Hij kon haar niet vergeten. Hij wilde haar niet vergeten.
Overdag putte hij zich uit en in de eerste uren van de nacht sliep hij
een droomloze slaap, maar in de uren voor zonsondergang lag hij wakker
in zijn bed en herhaalde zijn romance met Isabel zich als een film voor
zijn ogen. Nee, realistischer dan een film, want een film geeft alleen
de beelden weer en geen aanraking, geen geur. Zo helder was zijn
herinnering, dat het leek alsof zij weer naast hem lag onder de warme
dekens, alsof hij haar aan kon raken, de liefde met haar kon bedrijven.
De eerste nachten nadat Isabel zich definitief had laten paaien door de
overdadige cadeaus van die vervloekte rijke zakenman, kon hij eenzaam
in zijn bed geen weerstand bieden aan haar schim. Het was alsof hij
haar warme adem voelde in zijn hals, haar volle boezem tegen zijn borst
drukte, haar handen over zijn buik gleden. De geur van haar parfum hing
nog in zijn kamer en maakte hem wild. Een zinnelijke razernij overviel
hem. Een vrouwelijke demon, een verleidelijke succubus in de gedaante
van Isabel, bezocht hem om zijn levenssap te roven. Hij schreeuwde het
uit. Isabel! Hij riep haar naam. Isabel! Nat van de tranen viel zijn
wang neer op zijn hoofdkussen. Hij miste haar strelingen, de lieve
woordjes die ze elkaar toefluisterden. Isabel! In ruil voor luxe en
status had ze zijn liefde verkwanseld, zich verkocht aan de rijke
zakenman, wiens vrouw ze nu was. Respectabel was ze, ook al verschilde
ze met de vrouwen die in ruil voor geld hun gunsten geven aan iedere
man, slechts in de hoogte van de prijs die zij vroeg. Wee haar
echtgenoot wanneer een rijkere man op haar pad kwam. Waarom had Martin
alleen maar de dierbare geliefde in haar gezien en niet de geslepen
courtisane die zij zo overduidelijk was? De courtisane Isabel kon hij
makkelijk vergeten, had nooit voor hem bestaan, maar de Isabel die hij
teder beminde, bleef hem achtervolgen. Alles ademde de herinnering aan
haar uit. Zijn kamer, de theaters, de cafés, de restaurants, het
theepaviljoen in het park, de fonteinen, de pleinen en de straten van
de stad. Overal zag hij haar schim.
Martin kreeg bericht van zijn oom.
Alle zomers van zijn jeugd had Martin geholpen op de boerderij. De
laatste jaren had zijn oom de uitnodiging herhaald, maar steeds
tevergeefs. De stad kon Martin niet missen, zo zeiden zijn vrienden, en
Martin kon de stad niet missen. De oom bleef zijn uitnodiging herhalen.
Hij had geen kinderen. Martin was zijn enige hoop voor de toekomst van
de boerderij. Deze keer stond Martin een dag na de uitnodiging van zijn
oom op de drempel van de
boerderij. Zijn oom gaf hem een hand en zette hem aan het werk. Met de
zware lichamelijke inspanning in de buitenlucht kwam vergetelheid, het
kostbaarste geschenk voor Martin. Vlak voor zonsopgang, wanneer zijn
lichaam en geest uitgerust waren en de pijnlijke herinnering aan Isabel
terugkwam, ging hij naar de stal. De trouwe Bles begroette hem op een
afstand met gehinnik, blij om Martin te zien, blij om de wilde rit die
volgde.
En nu had hij bij zijn ochtendrit over de heuvelkam dit lieftallige
wezen ontmoet. Haar beeld achtervolgde hem toen hij terug galoppeerde
naar de boerderij. De zoete klank van haar naam zong door zijn hoofd.
Diana! Zou haar naam ooit die van Isabel uit zijn hart verdrijven? Nee,
nooit zou hij dat laten gebeuren. Voor Isabel had hij de voorraad
liefde voor een heel leven opgebrand. Nooit meer kon hij liefhebben.
Nooit meer zou hij een kwetsbare prooi worden voor de alles
verslindende tijgerinnen, zich laten verlammen door het langzaam
werkende gif van de vrouwelijke slangen. Maar toch, de ontmoeting met
Diana, haar golvende blonde haar, haar mooie gezicht en haar sierlijke
lichaam hadden hem voor het eerst in weken weer vreugde gegeven. Haar
schoonheid was als een verkoelende zalf voor zijn gekwetste hart. Hij
voelde een onweerstaanbaar verlangen om haar opnieuw te zien. Met
liefde kon dit niets te maken hebben. De liefde had hij immers
afgezworen! Hij had de liefde afgezworen, maar niet de schoonheid. Dat
was het! Hij zou Diana op een afstand bewonderen en haar schoonheid zou
hem troost geven. Haar schoonheid was het medicijn tegen zijn
liefdesverdriet. Zonder de liefde kon hij leven, maar niet zonder
vrouwelijke schoonheid.
Diezelfde middag al kon hij zijn verlangen naar
haar schoonheid niet meer bedwingen. Hij leidde Bles uit de stal en
reed naar het dorp in de hoop om een glimp van haar op te kunnen
vangen. Hij reed op het prachtige paard langs de huizen en zijn wens
werd vervuld. Diana kwam net een voordeur uit en zij begroette hem
vriendelijk. Nonchalant knikte hij naar haar en reed statig verder. Die
nacht sliep hij in met in zijn gedachten haar fijne gezicht en haar
mooie lach. Hij sliep aan één stuk door. De schim van Isabel liet hem
tot de dageraad met rust en ook daarna. De volgende dag reed hij weer
naar het dorp. Diana stond bij de fontein. Het was alsof ze op hem
wachtte. Ze liep naar hem toe en hield Bles bij de teugel. Ze
glimlachte naar hem. Hij bloosde en keek opzij. Dit was niet zijn
bedoeling! Hij wilde enkel haar schoonheid bewonderen. Hij wilde
onkwetsbaar blijven. Hij verontschuldigde zich nors, zei dat hij het
druk had en reed snel verder. De dagen daarop ging hij voor dag en
dauw te voet op pad en bespioneerde het dorp. Vanuit het
struikgewas zag
hij Diana langskomen op weg naar de heuveltop. Hij volgde haar
voetsporen
in het bedauwde gras. Hij ging niet verder dan het
bos. De helling was te open, daar zou ze hem zien. Hij zag Diana snel
de helling oplopen, ze rende niet maar haar tred was soepel en
veerkrachtig. Hij tuurde omhoog naar de heuvelrug, waar de gele schijf
van de zon langzaam bovenuit steeg. Diana bleef meer dan een uur op de
heuveltop voordat ze langzaam naar beneden liep, in gedachten verzonken
en met gebogen schouders alsof ze een last droeg. In het bos wachtte
hij tot ze terugkwam en hij volgde haar op haar weg terug naar het dorp
terwijl hij als een schaduw van wilgenbosje naar wilgenbosje sloop.
Diana merkte niets. De zon had het gras alweer gedroogd en de sporen
uitgewist. Martin voelde zich gelukkig. Zijn leven was gevuld met haar
schoonheid, maar zonder het gevaar van de liefde, het gevaar dat hem
bijna had vernietigd. Hij bewonderde Diana en hij bewonderde haar
iedere dag meer. Met liefde had dit niets te maken. De liefde had hij
immers afgezworen! Ochtend na ochtend bewonderde hij Diana vanuit zijn
schuilplaats en iedere ochtend liep zij langzamer naar beneden van de
heuveltop, meer in gedachten verzonken en haar schouders meer gebogen.
Vaag vroeg Martin zich af wat zij toch zocht daar op de heuveltop. Snel
bedacht hij zich, dat hij daar niets mee te maken had, dat zij er
waarschijnlijk een rendez-vous had met een geheime minnaar. Dat moest
ook de verklaring zijn, voor haar aanwezigheid op de heuveltop toen hij
haar voor het eerst ontmoette. Het rendez-vous met haar minnaar was
toen net voorbij, zo dacht Martin, en ze had haar geliefde een
voorsprong gegeven om geen argwaan te wekken in het dorp. Des te beter,
als zij reeds het hoofd van een andere man op hol had gebracht. Des te
minder gevaar liep hij. De uitnodigende, vriendelijke lach van haar op
de heuveltop en later in het dorp voor haar deur en bij de fontein, die
schreef Martin toe aan het gevaarlijke karakter van bepaalde vrouwen,
die altijd willen verleiden en altijd op zoek zijn naar een nieuwe
prooi. Die lieftallige lach was voor hem het beste bewijs dat hij maar
beter zo veel mogelijk afstand van haar kon houden. Laat andere mannen
zich maar in haar netten verstrikken! Hij had zijn lesje meer dan
genoeg geleerd. Hij zou voortaan zijn hoofd koel houden en zijn
verstand helder. Maar o, wat was ze toch mooi!
Iedere ochtend vertrok
Diana in alle vroegte om voor zonsopgang op de
heuveltop te zijn. Hoopvol liep ze de steile heuvel op, maar niet
hoopvol genoeg om te rennen. Zou zij Martin weer ontmoeten? Zou hij
hetzelfde voor haar voelen als zij voor hem? Zou hij gedreven door
hetzelfde verlangen terug gaan naar de plaats waar ze elkaar voor het
eerst zagen? Twee keer had zij hem daarna in het dorp gezien en verder
niet meer. In het dorp had hij haar ontweken. Was hij bang voor de
blikken van de dorpelingen? Was hij bang voor hun roddels? Op de
heuveltop hoefde hij daar niet voor te vrezen, daar konden ze samen
zijn, zonder pottenkijkers. Waarom kwam hij dan niet? Hield hij van een
ander? Toen zij voor de zesde keer teleurgesteld en terneer geslagen de
heuvel af sjokte, nam zij vanaf de bosrand niet de weg naar het dorp.
Zij volgde de beek tot aan de plek waar het water in een vijver
stroomde. Ze ging zitten aan de waterkant. De zon scheen al weer
krachtig op het riet en het was warm. Ze trok haar knieën onder haar
kin om beter na te denken en staarde over het rimpelloze water. Afwezig
volgden haar ogen de vlucht van de libelles boven de bloeiende
waterlelies. Ze was diep in gedachten verzonken. Dat Martin misschien
al van een andere vrouw hield, was voor haar een onbeduidend detail. Ze
duchtte geen enkele concurrentie. Martin en zij waren voor elkaar
voorbestemd! Als Martin maar voldoende vaak in haar gezelschap was, dan
zag hij vanzelf hoeveel zij van hem hield en dan kon het niet anders of
hij zou haar liefde beantwoordden. Maar daar zat nu net het probleem.
Martin ontliep haar! Hoe kon ze er voor zorgen dat hij bij haar in de
buurt zou zijn, dat ze steeds dicht bij elkaar waren? Niet zo maar een
paar schaarse ontmoetingen, maar iedere dag, meerdere malen per dag! Ze
wist waar hij woonde, in de boerderij bij de oude watermolen. Ze kon er
langs gaan en naar hem vragen. Maar onder welk voorwendsel zou ze hem
bezoeken? Diana hield er niet van om te liegen. Het zou ook maar één
keer werken. Ze kon moeilijk steeds weer met een nieuwe smoes
langskomen. Bovendien was een bezoek aan de boerderij veel te direct.
Misschien pakte het verkeerd uit, voelde Martin zich belaagd en zou hij
haar nog meer ontlopen. Nee, ze moest een manier vinden waarop ze
elkaar als bij toeval konden ontmoeten. Maar hoe? Als ze maar iets kon
bedenken! Hoe? Hoe? Het maalde door haar hoofd. De warmte van de zon
belemmerde haar om helder na te denken. Ze had behoefte om te zwemmen
in de zee, om zich te verkoelen tussen de golven. Het was slechts een
uur lopen naar het strand, maar zoveel tijd had ze niet. Ze zou thuis
gemist worden en men zou naar haar gaan zoeken. Diana doopte haar hand
in het koele, heldere water van de vijver. Vanachter het riet zag
Martin haar opstaan en hoe zij snel haar kleren uittrok. Even
dacht
hij eraan om tevoorschijn te komen, haar te waarschuwen, zijn
aanwezigheid aan haar kenbaar te maken, maar hij bleef zitten. Hij
wilde haar niet laten schrikken. En wat voor verklaring zou hij moeten
geven voor zijn aanwezigheid? Hij bewonderde haar soepele, naakte
lichaam terwijl zij zich uitrekte en haar handen naar achter bracht om
haar lange, golvende blonde haar in een knot boven op haar hoofd bijeen
te brengen. Haar schoonheid was perfect. Als Martin een kunstenaar was,
dan zou hij haar in deze houding schilderen. Als hij een beeldhouwer
was dan zou hij deze goddelijke pose in het marmer vereeuwigen. Martin
raakte in extase van zijn bewonderding voor Diana. Dit was schoonheid.
Zuivere, pure, goddelijke schoonheid. Met liefde had dit niets te
maken. De liefde had hij immers afgezworen! Diana liep de oever af, het
water in. Ze boog voorover en bevochtigde haar polsen. Was hij maar
kunstschilder, dan kon hij dit zalige moment voor altijd vangen! Diana
zette een paar passen het water in, dook zachtjes naar voren en dreef
in het midden van de cirkelvormige golfjes die zich langzaam over het
wateroppervlak naar buiten bewogen. Ze zwom met rustige slagen.
Zorgvuldig hield ze het hoofd boven water. Ze wilde het haar niet nat
maken, dat zou maar lastige vragen oproepen bij haar thuis. Na een paar
rondjes zwemmen liep Diana weer de oever op. Ze bracht haar handen
omhoog naar de knot boven op haar hoofd en schudde haar lange blonde
haren los. Druppels water parelden langs haar blanke huid omlaag.
Martin zoog zijn longen vol met lucht. Wat een verrukking! Diana ging
zitten en strekte zich uit in de zon, steunend op haar ellebogen en met
haar hoofd naar achteren. Het lange haar hing los omlaag. Martin kon
zich met moeite bedwingen om stil te blijven zitten en geen
bewonderende kreten te slaken, zo was hij onder de bekoring van haar
schoonheid. Hij bewonderde haar mooie fijn gevormde voeten, haar lange,
slanke en tegelijkertijd gespierde benen. Alleen haar voeten en haar
benen waren het al waard om een leven lang bestudeerd te worden. En dan
haar heupen, haar slanke taille, haar kleine borsten met lieve
tepels, haar
lange hals, haar symmetrische gezicht met volle rode
lippen en perfect gevormde jukbeenderen, haar grote blauwe ogen en
daarboven, de kroon op al de deze schoonheid, haar lange, golvende
blonde haar. Hier en daar lag een druppel water op haar egale, blanke
huid. Martin wilde dat hij haar kon aanraken, dat hij met zijn
vingertoppen haar rondingen en welvingen kon strelen, zodat hij
zich een beter beeld van haar schoonheid kon vormen, zoals een
beeldhouwer
bij zijn model. Zijn hart klopte wild in zijn borst. Hij voelde een
overweldigende verrukking, die hij enkel toeschreef aan de schoonheid
die hij aanschouwde. Wat was hij gelukkig! Gelukkig, omdat hij de
liefde had afgezworen en dat hij vrij van allerlei tegenstrijdige
emoties kon genieten zuiver en alleen van haar pure schoonheid!
Diana
dacht na terwijl haar lichaam opwarmde en de laatste druppels water van
haar huid verdampten in de zon. Als Martin haar maar zo nu en dan zag,
dat zou al voldoende zijn! Dan zou hij vanzelf haar liefde gaan
beantwoorden. Hoe kon ze er voor zorgen, dat hij haar ontmoette? Ze kon
meid worden op de boerderij, dan zou ze schouder aan schouder met hem
werken in de stallen en op de akkers. Haar ouders zouden het haar
verbieden, maar daar trok ze zich niets van aan. Ze was negentien. Ze
kon zelf haar leven bepalen. Maar wat wist ze eigenlijk van het werk op
een boerderij? Al die jaren had ze op school gezeten met haar neus in
de boeken. Ze zou Martin voor de voeten lopen, zijn ergernis opwekken.
Nee, eerst moest ze zijn hart winnen, daarna zou hij haar vol liefde
het boerenbedrijf bij brengen. Ze dacht aan de oude molen die vlakbij
de boerderij lag en al jaren buiten gebruik was en zwaar vervallen,
niet meer dan een ruïne, een ideaal onderwerp voor een
landschapsschilder. Ze kon er met een schetsblok gaan zitten en wachten
tot Martin langs kwam op weg naar de akkers en de weiden. Als ze het
wilde, kon ze aardig tekenen, maar zo lang stilzitten, dat hield ze
niet vol. Plots viel haar een idee in, dat ze diezelfde middag al ten
uitvoer kon brengen. Ze stond op, trok snel haar kleren aan en rende
naar huis, snel als de wind en gracieus als een hinde. Martin keek haar
na, zuchtte diep en liep naar de boerderij van zijn oom.
Die middag wiedde Martin in de felle zon een aardappelveldje op de
helling. Het was drukkend warm en regelmatig leunde hij even op zijn
schoffel. Zij blik dwaalde omlaag naar de beek, die omzoomd door bomen
schaduwrijk naar de oude watermolen kronkelde. Hij zag Diana tussen de
bomen langs de beek lopen, met een hengel in haar hand. Snel liet hij
zijn schoffel vallen en dook omlaag achter een heg. Ze had hem niet
gezien. Langs de heg sloop hij naar de beek en begluurde haar op een
afstandje. Wat was ze mooi! Maar wat voerde Diana daar toch uit? Het
leek in de verst verte niet op hengelen. Ze gooide de lijn op de
verkeerde plaatsen uit. Ze bewoog de hengel alsof ze ermee vogels uit
de lucht wilde slaan. Zo joeg ze de vissen weg. Een ijsvogeltje vloog
als een blauwe streep voorbij naar een rustiger plek om vanaf een takje
boven het water te speuren naar een prooi. Achter de heg was Martin één
en al oog voor de soepele bewegingen van Diana. Als ze de vissen weg
wilde jagen, dan deed ze dat heel elegant. Parmantig liep ze met kleine
pasjes over de oever en ze zwiepte de hengel op en neer. Ook in de
schaduw was het benauwd. Zweetdruppels vormden zich op haar voorhoofd,
dat ze zo nu en dan afwiste met een wit zakdoekje. Hoelang keek hij
naar haar vanachter de heg, minuten, uren? Martin ging volledig op in
het bekoorlijke schouwspel. Het witte zakdoekje viel tussen de bemoste
boomwortels, die grillig over de oever kronkelden. Nog een paar keer
wierp Diana de lijn van haar hengel uit, toen gooide ze de hengel op de
grond en liep in een rechte lijn op de boerderij af. Zodra zij achter
de bijgebouwen was verdwenen, ging Martin naar de beek. Hij bekeek
Diana’s hengel. Er zat geen aas aan, zelfs geen haak. Martin legde de
hengel weer op de grond en raapte het witte zakdoekje op, dat een paar
meter verder als een lichtvlek op de donkere oever lag. Hij bracht het
zakdoekje naar zijn neus en snoof diep de zoete geur op. Uit zijn
broekzak haalde hij de vlecht, die Diana bij hun ontmoeting op de
heuveltop in de manen van Bles had gevlochten en die hij later los had
gesneden. Hij wikkelde de vlecht in het zakdoekje en borg het geheel
weer op in zijn broekzak. Snel ging hij terug naar het akkertje op de
helling en ploeterde voort in de brandende zon. Hij hield de boerderij
nauwlettend in de gaten. Na een uur zag hij Diana het erf af komen en
over de weg teruglopen naar het dorp.
Martin brandde van nieuwsgierigheid, maar hij durfde zijn oom niet te
vragen naar het bezoek van die middag. Dat was ook niet nodig. Het hart
van zijn oom was er nog vol van en zijn mond liep er van over. Hij was
voor zijn doen zo spraakzaam en hij vertelde aan Martin zo opgetogen
over Diana, dat Martin even dacht dat de oude man verliefd was. Was
zijn oom soms de geheime minnaar van Diana? Was dat de verklaring voor
haar bezoek aan de boerderij?
“Er
kwam vanmiddag een juffertje uit het
dorp aan de deur,” sprak zijn oom. “Het arme kind was oververhit
geraakt tijdens haar wandeling. Ze vroeg of ik wat te drinken voor haar
had. Ik heb haar twee glazen koele melk gegeven. Ze kwam er helemaal
van bij. Diana was haar naam. Een beeldschoon meisje. Ken je haar?”
Martin haalde onverschillig zijn schouders op. Zijn oom keek hem met
een sluw lachje aan en ging verder met zijn verhaal. “Ze vertelde dat
ze dol is op paarden en ze vroeg of ze de paardenstal mocht zien. De
beide paarden begroetten haar hartelijk. Ik vind het altijd een goed
teken, als de paarden iemand mogen. Het was net alsof Bles haar al
kende. Ook de witte merrie liet zich graag door haar aanhalen. Ik vroeg
haar of ze zelf paard reed. Ze antwoordde dat ze het vroeger wel gedaan
had, maar dat ze nu geen paard had. Ze was op zoek naar een paard. Ik
heb haar de witte merrie aangeprezen als een ideaal rijpaard voor een
dame, maar het was duidelijk dat haar voorkeur uitging naar Bles.”
Er ging een schok door Martin heen. Hij wist dat zijn oom erg gesteld
was op de beide dieren, maar ook dat zijn oom om geld verlegen zat. Als
zijn oom een goede prijs kreeg aangeboden, dan zou hij Bles zeker
verkopen. Dus daarom had Diana hem aangesproken op de heuvel en later
in het dorp! Ze had haar oog laten vallen op Bles, op zijn favoriete
paard! “Heb je al een prijs genoemd?” vroeg hij vertwijfeld. Zijn oom
begon te glunderen. “Dat is het mooiste van het verhaal. Ik noemde haar
een redelijke prijs, iets te hoog zoals gebruikelijk is. Ze stemde
meteen in, zonder verder af te dingen. We kunnen het geld goed
gebruiken, nietwaar?”
“Ja,” zei Martin kortaf, terwijl hij er verbitterd aan dacht hoe de
verraderlijke Diana niet alleen geprobeerd had om met haar glimlach
zijn hart te stelen, maar hem nu ook zijn trouwe, dierbare Bles
afhandig wilde maken.
“Weet je zeker, dat je geen enkel meisje uit het dorp kent, dat Diana
heet?” vroeg zijn oom, terwijl het sluwe lachje weer op zijn gezicht
verscheen.
“Niet dat ik weet,” antwoordde Martin ontwijkend en geheel niet naar
waarheid.
“Dan heb je er zeker geen bezwaar tegen om haar morgenochtend te
vergezellen als ze op proef uit rijden gaat met Bles voordat de koop
beklonken word. Dat stelde ze namelijk als voorwaarde. Ze noemde jouw
naam en ze vroeg of jij erbij kon zijn. Ik heb haar gezegd dat je dat
graag doet, nietwaar?”
“Kennelijk ben ik bij de prijs inbegrepen,” antwoordde Martin nors.
“Als je wist hoe ze er uit ziet, zou je daar geen bezwaar tegen
hebben!” zei zijn oom, terwijl hij Martin hartelijk op de schouder
sloeg. “Ze heeft prachtige blauwe ogen en lang golvend blond haar. Nou
ja, je hebt morgen alle kans om zelf een oordeel te vormen. Eigenaardig
trouwens, dat jij haar niet kent, maar zij jou wel.” Hij wachtte het
antwoord van Martin niet af, maar draaide zich om en liep naar de
keuken om het avondmaal te bereiden, terwijl hij quasi in zichzelf zei
“Ach, er zal wel een verklaring voor zijn.” Martin bleef achter met het
ongemakkelijke gevoel, dat zijn oom meer had geraden, dan hem lief was.
Die nacht lag Martin te woelen in zijn bed. Hij durfde zijn ogen niet
te sluiten, bang voor wat hem te wachten stond, de droom van Diana’s
schoonheid of de nachtmerrie dat zij hem Bles afhandig maakte. Hij wist
niet of hij moest zwijmelen of verontwaardigd moest zijn. Deze
tegenstrijdige gevoelens leken verdacht veel op verliefdheid. Hij begon
te twijfelen of zijn oprechte, pure verering van de vrouwelijke
schoonheid hem toch weer op het dwaalspoor van de liefde had gebracht.
Langzaam kwam met de dalende nachttemperatuur de rust terug in zijn
koortsachtige geest en vond hij een uitweg uit zijn tweestrijd. Bles
was veel te wild als rijdier voor Diana. Het was in haar eigen belang
als hij haar van de koop wist af te houden. Hij zou Diana die ochtend
er van overtuigen dat de witte merrie veel geschikter was voor haar.
Dat was de oplossing van alle problemen. Zijn oom kon geld verdienen
aan de verkoop van de witte merrie. Diana kreeg het voor haar ideale
paard. Bles bleef voor hem behouden. Met deze geruststellende gedachte
viel hij in slaap.
In de koelte van de ochtend liep Diana naar de boerderij bij de oude
watermolen. Tevreden was ze de vorige avond in slaap gevallen,
ontevreden met zichzelf was ze wakker geworden en op pad gegaan. Het
was de vorige dag allemaal als vanzelf gegaan. De kans op een
ontmoeting met Martin, waarbij hij haar niet kon ontlopen, was haar in
de schoot geworpen. Door de hitte bevangen en razend van ongeduld had
ze de hengel neergegooid en was ze naar de boerderij gelopen om drinken
te vragen en in de hoop om Martin te zien. Toen zij merkte dat hij er
niet was, wilde zij zijn paard zien en strelen. In de stal had de oude
boer haar eerst de witte merrie aangeprezen. Het was duidelijk dat hij
het dier wilde verkopen. Maar ze had geen aandacht voor de merrie,
alleen voor het paard waarop Martin reed. De boer had haar interesse
voor Bles opgemerkt en haar een prijs genoemd. Ze had simpelweg ja
gezegd. Het geld was voor haar geen probleem. Als ze al het goud van de
wereld had moeten geven voor één ontmoeting met Martin, dan had ze dat
graag gedaan. Voor de zekerheid had ze gevraagd of Martin bij de
verkoop aanwezig kon zijn. De oude boer had haar even verbaasd
aangekeken, waarna er een lachje op zijn verweerde gezicht was
verschenen, dat haar een ongemakkelijk gevoel had gegeven. Had de oude
man haar ware bedoelingen geraden? Ze had niet zo nadrukkelijk naar
Martin moeten vragen. Ze kende zijn voorliefde voor Bles. Hij zou bij
de verkoop zeker aanwezig zijn. Dat had haar toen in de stal en ook nog
de avond erna het sterke punt in haar list geleken. Die ochtend op weg
naar de boerderij besefte ze dat het juist Martin’s voorliefde voor
Bles was, waardoor haar plannetje dreigde te mislukken. Martin zou haar
verwijten, dat zij hem zijn favoriet had afgenomen. Snel had ze
hiervoor een oplossing bedacht. Ze zou Bles aan Martin geven, als blijk
van haar liefde voor hem. Even snel liet ze dit plan weer varen. Martin
mocht niet het gevoel krijgen, dat ze zijn liefde wilde kopen. Toen
dacht ze eraan om de hele koop af te blazen. Maar wat als de boer haar
aan haar woord zou houden? Ze kon natuurlijk zeggen dat Bles een slecht
paard was en niet voldeed, maar ze hield niet van liegen en bovendien
zou ze daarmee Martin kwetsen. In gedachten liep ze langs de beek. Ze
hoorde het roodborstje niet zingen. Ze zag het ijsvogeltje niet zitten
op een takje dat over het snel stromende water heen boog. Terwijl ze
langs de vervallen, oude watermolen liep, viel haar de oplossing
binnen.
Ze zou zeggen, dat ze zich bedacht had, dat ze toch liever de witte
merrie wilde kopen en dat ze dezelfde prijs zou betalen als voor de
prachtige, lichtbruine hengst. Zo kon ze haar woord aan de boer gestand
doen, zonder Martin van zijn geliefde Bles te hoeven scheiden. Tevreden
en zelfverzekerd liep ze het erf van de boerderij op en ging de stal
binnen. Martin zag haar binnenkomen, hoe haar rijlaarzen en strakke
rijbroek haar lange, slanke benen accentueerden, hoe de witte blouse
met wijde mouwen strak om haar bovenlichaam sloot, hoe haar lange,
blonde haar op haar tengere schouders golfde. Hij vergat wat hij haar
wilde zeggen. Hij vergat dat hij haar moest overhalen om van de koop
van Bles af te zien, om in plaats daarvan de witte merrie te kiezen.
Hij kon enkel maar in haar ogen kijken, praten kon hij niet. En Diana
keek in de zijn ogen. Vergeten was ze, dat ze haar voorkeur voor de
witte merrie te kennen moest geven.
Vol liefde keek ze naar zijn nobele neus, zijn krachtige kaken en zijn
wilskrachtige kin. En zo kwam het dat, terwijl de twee jonge mensen zo
veel te zeggen hadden, de oude boer als eerste het woord nam.
“De koop gaat niet door,” zei de oude man. “Ik heb mij bedacht.”
“Ik wil ook eigenlijk liever de witte merrie,” zei Diana.
“Dat is prima, maar die is ook niet te koop,” zei de oom van Martin
snel. “Maar je bent welkom om zoveel op haar te rijden als je wilt.”
“Je hebt het geld toch nodig voor de boerderij?” vroeg Martin verbaasd.
“Ach, we redden ons wel op een andere manier,” antwoordde zijn oom en
even dacht Martin dat de oude man naar hem knipoogde. “En nu ga je als
de bliksem met deze dame uit rijden,” ging zijn oom verder. “Je hebt de
rest van de dag vrijaf, maak daar goed gebruik van!” voegde hij eraan
toe en dit keer zag Martin duidelijk een knipoog.
In snelle draf reden Diana en Martin de heuvel op. De witte merrie en
Bles reden flank aan flank. Hoewel kleiner dan Bles, kon de witte
merrie hem met gemak bijhouden dankzij het geringere gewicht van haar
berijdster. Bovendien had Diana het voordeel van zadel en stijgbeugel,
terwijl Martin de lichtbruine hengst bereed met enkel teugels en bit.
Over de heuvelrug gingen zij in galop. Martin gaf Diana een voorsprong,
niet omdat Bles moe was, maar om haar rijkunst beter te bewonderen.
Diana was één met haar paard. Vederlicht bewoog haar lichaam perfect in
ritme met de witte merrie. Het was alsof ze zweefden. Het blonde haar
golfde in de wind. Een verlangen naar meer dan alleen haar schoonheid
welde in Martin op en hij gaf dit verlangen vrij spel. Hij haalde Diana
weer in en schouder aan schouder reden ze verder. Ze doken het dal in,
reden een andere heuvelrug op en daarna omlaag, op weg naar de zee.
Langs de branding draafden zij over het strand. De paardenhoeven
raakten het dunne laagje zeewater en het water spatte op in de zon.
Martin en Diana keken elkaar onder het rijden regelmatig aan. Hun
blauwe ogen waren vol glans en vuur. Ze deelden de hartstocht voor het
paardrijden en aan het einde van de rit deelden ze ook de liefde voor
elkaar. Hun twee zielen waren in volkomen harmonie. Ze waren één met
hun rijdieren, één met het landschap, met de zon, met de blauwe lucht
en de aarde.
De ochtend was al ver gevorderd en de zon scheen fel toen ze stapvoets
terugkeerden bij de boerderij. De paarden waren bezweet en werden
direct naar de koele stal geleid om drooggewreven te worden. Diana was
bedrevener in dit klusje dan Martin en toen ze klaar was met de merrie
hielp ze Martin verder met Bles. Hun handen ontmoetten elkaar op de
brede flank van de hengst. Ze keken elkaar in de ogen en hun lippen
kwamen langzaam dichterbij. Even aarzelde Martin en toen kuste hij
Diana voorzichtig op de mond. Diana omhelsde hem hartstochtelijk.
Martin tilde haar op en droeg haar naar het stro, waar hij
haar
liefdevol neerlegde. Ze streelden elkaar. “Ik wil dat onze kinderen op
deze boerderij opgroeien,” zei Diana. “Dat wil ik ook,” antwoordde
Martin. “Met heel mijn hart.” Daarna dreven ze weg op golven van liefde
en geluk.
Het was een schitterende dag in september. De oude boer keek het pas
getrouwde paar na, terwijl zij over de graanstoppels en langs de nog
groene bomen in het beekdal reden, Martin op de lichtbruine hengst en
Diana op de witte merrie. Onder de pastelblauwe lucht draafden ze de
heuvel op en verdwenen uit zicht. De oude boer draaide zich om en liep
terug over het erf. Hij neuriede tevreden een deuntje. Over enkele
jaren speelden er weer kinderen op het erf. De boerderij floreerde als
nooit te voren, dankzij de noeste arbeid van Martin en het geld van
Diana. Een verstandige boer denkt nu eenmaal altijd aan de toekomst van
zijn boerderij en des te meer als ie net zo slim en verstandig is als
Martin’s oom.
De lezer kan hier met gerust hart afscheid nemen van het liefdespaar.
Lang en gelukkig leefden Diana en Martin, net als hun tien kinderen,
honderd kleinkinderen en duizend achterkleinkinderen. De veeleisende
lezer, die niet alleen vermaak maar ook lering verlangt van een
verhaal, krijgt tot slot niet één enkele maar zelfs een dubbele moraal.
Wanhoop nooit in de liefde, net als Martin vindt u beslist de
ware, ergens en ooit.
Dat was niet alles, hier volgt de tweede les van dit relaas. Wilt u
evenveel succes in de liefde als Diana in dit verhaal, weest dan
even
vastberaden, comfortabel rijk en goddelijk mooi.
1. Mooie mannen
2. Fatale vrouwen
3. D-day
4. Auguste
5. Reginald
6. Nadine
De man was gekleed in poloshirt, korte broek en sportschoenen. Met
verende tred liep de dertiger energiek de badplaats uit en het golvende
achterland van Normandië in. Hij volgde de asfaltweg omhoog tot vijftig
meter voor de bunker. Op het ruime parkeerterrein voor de grauwe klomp
afbrokkelend beton blikkerden een touringcar en tientallen
personenauto’s in de felle middagzon. Als kleurrijke mieren krioelden
de toeristen rond de kazematten. Lenig sprong hij over het prikkeldraad
dat langs de asfaltweg gespannen was, en hij liep tussen de koeien over
de smalle strook grasland onder de bunker langs. Links van hem hoorde
hij het ruisen van de branding beneden, rechts het geroezemoes van de
toeristen op de betonnen omloop boven hem. Het rumoer van de toeristen
liet hij achter zich, het gedruis van de branding bleef hem volgen. Als
hij naar links keek zag hij de horizon als een vage lijn tussen het
oneindige water en de heldere lucht. Hij wandelde over de golvende
weiden boven de zee. Een sprong over prikkeldraad en hij was op een
onverharde weg, die dood liep bij een eenzaam huis met gesloten luiken.
Hij slenterde over het met onkruid overwoekerde pad naar de voordeur
waarboven in verbleekte letters ‘Villa Bellevue’ stond. Langs de met
rood bloeiende rozen begroeide zijmuur kwam hij op een vervallen
terras. Hij keek uit over de wijde zee.
“Zoek je iets?” vroeg een heldere vrouwenstem. De man draaide zich
geschrokken om. Een aantrekkelijke jonge vrouw van amper twintig zat op
een verweerde halfronde stenen bank. Ze droeg een lichtblauw
zomerjurkje. Op de bemoste ronde stenen tafel voor haar stonden een
fles en twee glazen witte wijn. In verwarring gebracht door het
onverwachte gezelschap, stamelde hij “Pardon?” Vriendelijk herhaalde ze
haar vraag. “Ik vroeg of je iets zocht.”
“Dit huis,” antwoordde de man. “Ik zocht dit huis.”
“Dan hoef je niet meer verder te zoeken,” lachte de jonge vrouw. “Je
hebt het gevonden. Gefeliciteerd ermee, ook al kon je het moeilijk over
het hoofd zien. Het staat nogal opvallend en eenzaam boven op de
rotsen.”
“Ik dacht dat de villa onbewoond was,” verontschuldigde de man zich.
“Dat is ook zo, al meer dan tien jaar. Wil je wat drinken?” De jonge
vrouw wees uitnodigend naast haar op de halfronde bank. De man aarzelde
even.
“Het is dorstig weer,” zei hij en ging zitten.
“Neem dat glas maar. Ik heb het ingeschonken voor oom Auguste.”
De man keek om zich heen en zag enkel de mooie jonge vrouw naast hem.
“Is jouw oom Auguste binnen?”
“Ja, hij is overdag nogal schuw.”
“Is het goed dat ik zijn wijn drink?”
“Geen probleem, hij laat zijn glas altijd onaangeroerd staan. Hij vind
het vast fijn als we op hem proosten, stel ik mij zo voor.” Een zuchtje
zeewind streek langs haar charmante gezicht en blies een lok voor haar
ogen. Ze streek het donkere haar opzij en tilde haar glas op.
“Op oom Auguste!” Ze zette het glas aan haar rozerode lippen.
“Op jouw oom Auguste,” zei de man weifelend en hij nipte aan de wijn.
“Hoe heet je, als ik vragen mag?”
“Silvia.” Ze keek hem aan. In haar blauwe ogen glinsterde een levendig
licht.
“Oscar,” zei hij. “Mijn naam is Oscar.”
Even leek het er op, dat het uitwisselen van de namen de speelse
bekoring van het moment verbroken had. Ze vielen ten prooi aan een
vreemde beklemming. Ze waren niet langer naamloos voor elkaar, maar nog
steeds vreemden, debutanten die hun rol niet kenden, figuranten in een
onmetelijk landschap, dat de hoofdrol opeiste. Zwijgend tuurde Silvia
voor zich uit over de verre leegte van de zee. Op het ruisen van de
branding na was het stil. Oscar voelde zich ongemakkelijk. Hij wist
niets te zeggen. Steels keek hij naar haar silhouet, haar hoge
jukbeenderen, haar fijne neus, haar lange donkere wimpers. Ze voelde
zijn blikken over haar gezicht glijden maar ze bewoog niet. Een lok van
haar halflange donkere haar woei naar voren. Voor Oscar het zelf door
had, streek zijn rechterhand de lok langs haar wang, achter haar fraai
gevormde oor. Silvia greep in een reflex zijn pols, maar verslapte
direct haar greep. Ze draaide haar gezicht naar hem toe. Hun ogen
ontmoetten elkaar. Haar slanke hand rustte nog even om zijn pols, gleed
daarna in zijn hand. Hij bracht haar hand langzaam tot vlak voor zijn
mond en krulde zijn lippen licht tot een kus. Hij liet zijn hand zakken
en zij trok haar hand terug. “Foei,” zei ze met duidelijk geveinsde
verontwaardiging in haar stem. “Op jouw leeftijd! Je had mijn vader
kunnen zijn!” Ze lachten allebei. De beklemming was verdwenen, de
luchtige sfeer was terug. Zij waren weer de hoofdrolspelers in een
zonnig blijspel en het uitgestrekte landschap had de bescheiden rol
herkregen die het toebehoorde, die van decor. Silvia keek Oscar
taxerend aan en vroeg “Mag ik een paar foto’s van je nemen?”
“Ik voel mij geflatteerd,” antwoordde Oscar.
“Het is puur zakelijk. Ik zet de foto’s op een internetsite om te
verkopen.”
“Levert dat geld op?”
“Ja, met veel geluk en een beetje onderhandelen. Ik zal je wat laten
zien.” Silvia pakte een fototas van onder de tafel. Ze haalde een
geavanceerde camera uit de tas en liet Oscar meekijken op het
beeldschermpje terwijl ze de ene foto na de andere tevoorschijn klikte.
“Dat zijn allemaal kerels,” zei Oscar.
“Daar ben ik in gespecialiseerd,” zei Silvia. “Ik pluk mooie mannen van
de straat, fotografeer ze en maak ze beroemd. Kijk, deze foto wilde ik
je laten zien.”
“Die kerel ken ik!” riep Oscar uit. “Nou ja, niet persoonlijk. Die foto
hangt in formidabele afmetingen overal in Parijs om ergens reclame voor
te maken, waarvoor weet ik niet.”
“Gezichtscrème voor mannen,” zei Silvia.
“Heb jij die foto gemaakt?” vroeg Oscar.
“Ja, voorlopig kan ik weer vooruit met mijn geld.”
“Moet die kerel niet meedelen in de winst?”
“Twintig procent van wat ik er voor krijg. Dat is fair.”
“Je wilt de foto‘s van mij verkopen?” vroeg Oscar.
“Als er klandizie voor is.”
“Mmm, mijn hoofd als reclame-uiting…” zei Oscar nadenkend.
“Niet alleen jouw hoofd,” zei Silvia en ze keek naar zijn gespierde
armen, zijn brede schouders en zijn slanke taille. Ze tilde het
fototoestel omhoog en richtte de lens op hem. Snel hield hij zijn hand
voor zijn gezicht en zei “Ik wil dertig procent.”
“Vijfentwintig procent en dan moet jouw shirt uit,” zei Silvia lachend.
“OK, vijfentwintig,” zei Oscar terwijl hij zijn polo over
zijn hoofd
trok. Silvia zag zijn gespierde buik en zei goedkeurend “Vijfentwintig
procent is niet teveel, ondanks jouw leeftijd.”
“Ik ben blij dat ik nog goed in de markt lig,” zei Oscar.
Silvia ging aan het werk. De camera klikte onophoudelijk. Oscar wrong
zich in mannelijke poses. “Je kunt je shirt weer aantrekken,” zei
Silvia met de afstandelijkheid van een geneeskundige en ze borg de
camera op. “Geef mij jouw e-mailadres dan hou ik je op de hoogte.”
“Ik zit even zonder e-mail,” zei Oscar.
“Het nummer van jouw mobiel?”
“Heb ik ook niet. Ik ben mijn telefoontje kwijtgeraakt en ik ben er nog
niet aan toegekomen om een nieuwe te kopen.”
“Jouw huisadres?”
“De huur van mijn kamer in Parijs heb ik gisteren per direct opgezegd.”
“Je hebt al jouw schepen achter je verbrand, zo te horen. Waar woon je
nu?”
“Voorlopig heb ik een kamer in Hotel des Roses,” antwoordde Oscar.
“Dat je daar nog een kamer hebt kunnen krijgen! De badplaats puilt uit
vanwege de herdenking van de invasie.”
“Ja, ik had geluk. Er was een reservering geannuleerd. De herdenking
trekt veel mensen. En terecht. Die helden hebben hun leven gegeven voor
onze vrijheid.”
“Ben je voor de herdenking gekomen?” vroeg Silvia.
“Nee, vijf jaar geleden wel, maar deze keer niet.”
“Waarvoor ben je hier dan wel, als ik vragen mag?”
“Om in dit huis te gaan wonen,” antwoordde Oscar. “Ik wil het huren.”
“Het huis is niet te huur.”
“Dan koop ik het.”
“Je ziet er niet uit als iemand die daar het geld voor heeft.”
“Vijf jaar geleden heb ik toevallig deze villa gezien. Toen dacht ik,
als ik ooit nog eens geld genoeg heb, dan wil ik hier wonen.”
“Je hebt al die tijd braaf gespaard?” vroeg Silvia.
“Nee, ik heb met behulp van het internet de effectenbeurs
gemanipuleerd.”
“En, is het gelukt?”
“Eergisteren heb ik de grote slag geslagen.”
“Daar heb ik niets over gehoord op het nieuws.”
“Gelukkig niet, alleen de mislukte pogingen halen het nieuws. Een
geslaagde beursfraude blijft onopgemerkt.”
“Heeft het veel geld opgeleverd?” vroeg Silvia.
“Beduidend minder dan de gemiddelde beursmanipulatie, maar nog altijd
ruim genoeg om het kasteeltje in de badplaats van te kopen.”
“Dat kasteeltje is niet te koop. Ik ken de eigenaren.”
“Ik wil dat kasteeltje ook helemaal niet kopen. Ik wilde alleen zeggen,
dat als het genoeg is voor dat kasteeltje, dat het dan zeker voldoende
moet zijn voor deze villa.”
“Dit huis is evenmin te koop.”
“Maar het staat al meer dan tien jaar leeg, dat heb je zelf net
verteld!” riep Oscar verbaasd uit.
“Dat het onbewoond is, betekent nog niet automatisch dat het te koop
is.”
“Het huis is van jouw familie?” vroeg Oscar.
“Ja en ze zouden het dolgraag verkopen als het kon, maar het is bij
testament vastgelegd, dat de villa altijd in de familie moet blijven en
alleen door iemand van de familie bewoond mag worden.”
“Dus jij mag er wel wonen?” vroeg Oscar.
“Ja, hoezo?”
“Nou, ik dacht, als ik met jou trouw, dan kunnen we er samen wonen.”
“Trouwen!” proestte Silvia uit. “Met jou?”
“Waarom niet? Je hebt daarnet nog foto’s van mij gemaakt!”
“Je ziet er nog uit goed uit voor je leeftijd en het zou mij niet
verbazen als er animo is om de foto’s van jou te kopen. Maar met jou
trouwen? Nee, daarvoor ben je net iets te oud. En trouwens, ik ben al
verliefd op een andere man.”
“De bofkont! Ik neem aan dat hij jou verafgoodt.”
“Eh, eerst wel, maar nu heeft hij een ander.”
“Hoe is het mogelijk! Wie kan er beminnelijker zijn dan jij! Maar dan
ben je nu dus vrij?”
“Eh, het ligt nogal ingewikkeld. Ik hou nog steeds van hem.”
“Waarom neigt de liefde toch altijd tot verwikkelingen?”
“Ik weet het niet, misschien hoort het bij het spel van aantrekken en
afstoten.”
“Dan ben ik nu in de fase van de aantrekking!” riep Oscar uit.
“Gaat het om mij of om de villa?” vroeg Silvia sarcastisch.
“Allebei!”
“Dat is een eerlijk antwoord, maar niet het juiste,” zei Silvia streng.
“Dat klinkt als een afwijzing, die ik opvat als een aanmoediging. Zo
werkt de liefde toch?”
“Mij best,” antwoordde Silvia. “Ik laat mij graag het hof maken,
maar de kans dat ik ooit met jou trouw is minimaal, hoor.”
“Ik ben gewend om risico‘s te nemen. En ook al is de kans
nog zo klein, een hogere inzet kan ik mij niet voorstellen.”
“De villa of mij?”
“Allebei!”
“Weer niet het goede antwoord! Je kunt niet allebei hebben. Mij kun je
niet veroveren zolang het jou eigenlijk om de villa gaat en als je mij
wel voor jou hebt gewonnen, dan zal ik nooit in de villa gaan wonen.”
“Waarom niet? Dit is toch de mooiste plek op de wereld?”
“Het spookt er!” zei Silvia plotseling ernstig.
“Een spook! Maar dat is toch pittoresk. Een beetje spook verhoogt
tegenwoordig de waarde van onroerend goed met vele tientallen
procenten.”
“Misschien een lief spookje, dat door een makelaar verzonnen is om de
prijs op te drijven, maar niet het spook dat in deze villa rondwaart.
Niemand heeft het hier na middernacht langer dan een uur uitgehouden.
Ik heb het geprobeerd en ben na een kwartier gillend weggerend.” Silvia
stond op en hing de fototas om haar schouder. “Als je met mij meeloopt,
dan maak ik nog wat foto’s van jou op het strand. Het restje wijn en de
glazen laten we staan voor oom Auguste.”
“Moeten we niet even naar binnen, jouw oom Auguste bedanken voor de
wijn en zo?” vroeg Oscar.
“Ik ben de sleutels vergeten. We komen er niet in.”
“Jouw oom kan toch open doen.”
“Nee, dat kan ie niet.”
“Zit je oom opgesloten in de villa?”
“Ja, al meer dan tien jaar.”
“Al meer dan tien jaar?”
“Ja, het is zijn geest die er rondwaart.”
“Jouw oom Auguste is het spook!” riep Oscar verbaasd. “Daarom drinkt
hij zijn wijn nooit op!”
Oscar volgde Silvia over een smal pad vanaf het terras naar de rotsen.
Ze klauterden omlaag tot op het strand. Hier stripte hij op verzoek van
Silvia tot op zijn onderbroek. Als een niet meer zo jonge zeegod
ploeterde hij door de branding, terwijl de fotocamera klikte en klakte.
Druipend van het zeewater kwam hij aan land.
“Als jij op mijn fototas past, dan neem ik ook nog even een duik,” zei
Silvia. Haar blauwe jurkje gleed van haar schouders en onthulde een
minuscule blauwe bikini. Welgevormde borsten staken pront naar voren in
de weinig verhullende driehoekige lapjes stof. Ze rende naar de
vloedlijn. Oscar zag haar gespierde, ronde billen. Fraaie enkels
spetterden het water in een waaier van druppels omhoog. Ze dook naar
voren en verdween in een golf. Groot was de verleiding voor Oscar om
samen met haar als dolfijnen in de golven te spelen, maar hij bleef op
het strand, gebonden door zijn belofte om op haar fototas te passen.
Silvia dook op uit de branding en liep naar Oscar toe. Het natte haar
hing in strengen omlaag. Eén borst was ontsnapt uit de omheining van
haar bikinitopje en een olijke tepel keek Oscar aan. Nonchalant trok
Silvia het natte lapje weer op zijn plaats en ging naast Oscar liggen
op het zand.
“Die oom Auguste, wat was dat voor een man?” vroeg Oscar.
“Het was een oudoom van mij, een oom van mijn vader,” antwoordde
Silvia. “Hij was kunstschilder. De laatste dertig jaar van zijn leven
had hij zijn atelier in de villa. Het is voor iedereen een raadsel
waarom juist hij is gaan spoken. Hij was een echte levensgenieter.”
“Is hij op een gruwelijke manier aan zijn einde gekomen?”
“Nee, op rijpe leeftijd vredig in zijn slaap heengegaan, zoals dat
heet.”
“Is het wel zeker dat het de geest van jouw oom Auguste is?” vroeg
Oscar.
“Honderd procent, voor zover je dat van spoken kunt zeggen,” antwoordde
Silvia. “Mijn vader en andere familieleden hebben zijn stem herkend.
Het is volgens hen onmiskenbaar oom Auguste, die de hele nacht door
jammert. Meer kan ik je op dit moment niet vertellen.” Silvia zweeg en
liet zandkorrels tussen haar vingers doorglijden.
“Heb je vanavond al wat te doen?” vroeg Oscar.
“Ja, ik heb een afspraak,” antwoordde Silvia. “Hoezo?”
“Ik had je willen vragen om samen met mij wat te eten in mijn hotel,
maar als je al bezet bent, dan ga ik vanavond maar aan zo’n triest
eenpersoonstafeltje zitten,” zuchtte Oscar.
“Erg triest, ja, een eenpersoonstafeltje,” zei Silvia. “Het hele
restaurant kijkt je vol medelijden aan, zo van ach wat zielig, die man
moet in zijn eentje eten.”
“En dan de obers,” zei Oscar. “Die beschouwen je als een schandvlek op
de ambiance en proberen je zo snel mogelijk het restaurant weer uit te
werken.”
“Tenzij je jezelf voordoet als een culinair journalist of keurmeester
voor de Michelingids,” zei Silvia.
“Zo zie ik er hopelijk toch niet uit?” vroeg Oscar bezorgd.
“Nee hoor, nog iets te jong,” antwoordde Silvia geruststellend. “En
veel te slank.”
“Daar ben ik blij mee, hoewel dit betekent dat er vanavond niets anders
voor mij op zit dan eenzaam mijn eten naar binnen te slobberen.”
“Dat zou zonde zijn,” zei Silvia. “Hotel de Roses heeft een uitstekende
keuken. De mensen komen er van heinde en ver naartoe. Het eten is
voortreffelijk. Voor een dineetje in Hotel des Roses schuif ik alles
opzij, dat wil ik voor geen goud missen.”
“Dus je zegt jouw afspraak af?” vroeg Oscar hoopvol.
“Dat had je gedroomd,” zei Silvia lachend.
“Maar je zei daarnet, dat je alles opzij schuift voor een etentje bij
Hotel des Roses.”
“Alles, op één ding na,” zei Silvia. “Een eerdere uitnodiging voor een
diner in hetzelfde restaurant!”
“Dus je eet al in mijn hotel vanavond!” riep Oscar uit. “Zit ik daar
dadelijk eenzaam te kniezen, terwijl jij een eindje verder genoeglijk
zit te tafelen!”
“Waarom schuif je niet bij ons aan?” vroeg Silvia.
“Ik wil me niet opdringen,” antwoordde Oscar bescheiden. “Wie zijn jouw
tafelgenoten?”
“Om te beginnen Percy,” antwoordde Silvia. “Hij is de zoon van een
nogal bekende Engelse zakenman, die eigenaar is van het kasteeltje
hier, dat jij met jouw wisselgeld denkt te kunnen kopen. Percy is
Engels, maar hij is hier praktisch opgegroeid. Hij wil mij vanavond aan
zijn nieuwe vriendin voorstellen.”
“Wie was zijn vorige vriendin?” vroeg Oscar voorzichtig.
“O…, dat was ik,” antwoordde Silvia zo opgeruimd mogelijk. “Het is twee
maanden geleden uitgegaan.”
“Hoor ik nog enige boosheid in je stem?” vroeg Oscar.
“Ach , ik was net gewend aan het vooruitzicht om kasteelvrouw te
worden,” antwoordde Silvia. “Ik ben nog steeds verliefd op hem. Hij is
zo onweerstaanbaar charmant en zo onwaarschijnlijk mooi!”
“Denk je dat hij ook nog wat voor jou voelt?”
“Ik weet het wel zeker!”
“Je wilt dat ik vanavond bij jullie aanschuif om hem jaloers te maken?”
“Is dat een bezwaar? Je kunt natuurlijk altijd nog aan jouw
eenpersoonstafeltje gaan zitten.”
“Alles liever dan een eenpersoonstafeltje en ik ontmoet graag mijn
rivaal in de liefde. Om mijn rol geloofwaardig te spelen, zal ik mij
wel wat vrijheden moeten veroorloven.”
“Zolang je het niet overdrijft.”
Oscar pakte haar hand en kuste deze. “Is dit overdreven?”
“Mmm, gaat er mee door,” antwoordde Silvia lachend.
“En dit?” vroeg Oscar. Hij bracht zijn mond naar de hare. Voordat hij
haar kon kussen, duwde zij hem snel weg en zei “Hou het maar een beetje
vaderlijk, dat past beter bij het leeftijdsverschil.”
Silvia stond op en deed haar blauwe jurkje weer aan. “Laten we gaan,
anders missen we het aperitief. Ik moet nog langs huis om andere kleren
aan te trekken. Het restaurant van Hotel des Roses is nogal stijlvol. O
ja, je moet beloven vanavond niets over de villa te zeggen. Dat is een
pijnlijk onderwerp, daarover hebben Percy en ik ruzie gekregen. Dat is
de reden dat het is uitgegaan.”
Silvia hing de fototas om haar schouder. Langs de vloedlijn liepen ze
over het strand naar de badplaats.
De combinatie van het mooie weer en de grote drukte in het restaurant
had de gerant ertoe genoopt de gasten bij hoge uitzondering de
mogelijkheid te bieden om het diner in de tuin van het hotel te
nuttigen. Alleen de dappersten van de dapperen durfden het aan om de
gevaren van een diner in de openlucht te trotseren. Het wespenseizoen
liet nog op zich wachten en een zacht zeebriesje had de muggen
verdreven, maar er fladderden grauwe motten rond de vlammetjes van de
kaarsen en zo nu en dan zwalkte er een vleermuis vervaarlijk dichtbij
door het zwerk. De tafeltjes in de rozentuin waaraan het hotel zijn
naam ontleende, werden bevolkt door de meest geharde globetrotters, het
overgrote deel Canadezen, afgewisseld met enkele Schotten. Te midden
van deze ingetogen degelijkheid viel één tafel op door de elegantie van
de kleding en de uitbundigheid van de conversatie, die slechts
onderbroken werd als het gezelschap zich te goed te deed aan de uiterst
verfijnde spijzen die de kelners in een bijna onuitputtelijke
opeenvolging van gangen serveerden. Het onmiskenbaar middelpunt van het
gesprek aan deze tafel was een jongeman, begin twintig en van een
zeldzame mannelijke schoonheid.
“Silvia en Oscar, heb ik jullie al verteld dat Kate de beste Engelse
journaliste van dit moment is?” Hij pakte innig de hand van de minstens
tien jaar oudere maar nog steeds oogverblindend mooie vrouw naast hem.
“Ze heeft een briljant artikel geschreven in de belangrijkste Londense
krant over de smerige zaakjes van mijn vader. Topjournalistiek, een
perfect verhaal, werkelijk geniaal!”
“Niet overdrijven, Percy,” zei Kate, terwijl ze glunderde van
gestreelde beroepstrots.
“Bijna perfect dan, op één puntje na,” zei
Percy met een ondeugende twinkeling in zijn ogen. Kate trok in haar
wiek geschoten haar hand terug en zei “Wat is er volgens jou dan mis
met het artikel, als ik vragen mag?”
“Dat ik het niet zelf heb geschreven!” antwoordde Percy lachend.
“Oude grap,” zei Kate gepikeerd.
“
“Je bent er wel ingestonken!” zei Percy triomfantelijk. “Wees eens
eerlijk, zonder mijn informatie over mijn vader had je het verhaal
nooit kunnen schrijven.”
“Ja, en dat is de enige reden dat ik met jou in bed ben gedoken.”
“Waar je overigens niet mee gestopt bent, toen je alle smeuïge details
uit mij had geperst.”
“Slechte gewoontes zijn hardnekkig,” pareerde
Kate. “Vooral als ze zo aangenaam zijn.”
“Wat mij dan weer een win-win-win-situatie oplevert,” zei Percy en hij
telde tot drie op zijn vingers. “Eén, ik heb seks met een beeldschone
vrouw, waarmee ik, en dat is twee, de jaloezie van mijn ex-vriendin tot
het kookpunt kan brengen.” Hij gaf Kate een langdurige zoen op de mond,
terwijl hij vanuit zijn ooghoeken naar Silvia keek. Oscar legde zo
vaderlijk mogelijk een arm om Silvia’s schouders, maar toen hij merkte
dat ze verstijfd naar het zoenend stel tegenover haar zat te kijken,
vroeg hij snel “Wat is drie, wat is de derde win?”
Percy’s lippen lieten die van Kate los en hij zei “Dat is het
allermooiste, dat ik mij vader er zo subliem mee kan treiteren, dat ik
een relatie heb met die donderse journaliste die hem zwart heeft
gemaakt in de pers.”
“Dat is denk ik niet wat jouw vader onder een win-win-situatie
verstaat,” zei Oscar. “Is hij nog een rechtszaak begonnen tegen de
krant?”
“Zou hij wel willen, maar hij heeft geen poot om op te staan,”
antwoordde Percy. “Hij heeft ook wel pech. Die ene keer, dat er geen
enkele leugen en niets dan de waarheid in een krantenartikel staat,
gaat dat artikel juist net over hem! Als hij een rechtszaak begint, dan
wordt de beerput alleen maar verder geopend.”
“Je vader heeft je teruggepakt,” zei Kate. “En erg effectief ook.”
“Heeft hij je onterfd?” vroeg Silvia verschrikt.
“Dat doet hij pas als ik hem definitief niet op wil volgen in het
familiebedrijf,” antwoordde Percy. “Nee, hij heeft mij feitelijk hier
huisarrest gegeven. Hij heeft mijn paspoort door de huishoudster ergens
laten verstoppen in het kasteeltje en ik weet niet waar. Zonder
paspoort kom ik het land niet uit. Ik heb van alles geprobeerd, maar ik
kwam zelfs geen veerboot op en dat terwijl Kate in Londen zat. Ik had
haar al drie weken niet meer gezien. Drie oneindig lange weken zonder
sublieme seks met Kate. Hoe ik dat heb kunnen overleven! Maar als Percy
niet naar Kate kan komen, dan komt Kate naar Percy toe, nietwaar Kate?”
“Ik ben hier voor een freelance opdracht en aangezien alle hotels tot
op de nok toe bezet zijn, komt het handig uit dat ik hier toevallig een
kerel met een kasteel ken,” antwoordde Kate. “Seks met jou is voor mij
niet meer dan een plezierige bijkomstigheid.”
“Toch is het jammer dat mijn vader ons hier niet samen kan zien. Weet
je wat, we sturen hem een fotootje van ons als bewijs dat zijn
wraakpoging is mislukt.” Percy pakte een met alle technische snufjes
uitgerust telefoontje en wilde deze aan Silvia geven, maar zij maakte
een afwerend gebaar en zei “Met zo’n dingetje fotografeer ik niet.”
“Je bedoelt dat je geen foto van Kate en mij wilt maken. Aha, je bent
jaloers! Mooi zo! Nou, ik vraag het wel aan jouw vriendje. Oscar, wil
jij even op het knopje drukken, terwijl wij naar het vogeltje lachen?”
Oscar keek even naar Silvia, die onverschillig haar schouders ophaalde.
Hij pakte het telefoontje van Percy aan en maakte een paar foto’s
terwijl Kate en Percy hun hoofden dicht bij elkaar hielden. Hij gaf het
toestel terug aan Percy, die meteen de foto’s verstuurde.
“Ben je hier om verslag te doen van de herdenking?” vroeg Silvia aan
Kate.
“Ja,” zei Kate. “Jij bent toch fotografe? We kunnen samenwerken. Met
foto’s erbij is de kans groter dat mijn artikel geplaatst wordt en jij
kunt jouw foto aan de krant verkopen.”
“Eigenlijk doe ik alleen portretten, geen nieuwsfotografie.”
“Dat is juist prima. Ik wil een stemmige foto hebben van één van de
deelnemers, niet zo een standaardfoto van hoogwaardigheidsbekleders
achter microfoons op een podium.”
“Goed, afgesproken,” zei Silvia.
“Je heult toch niet met de vijand?” vroeg Percy spottend.
“Voor zover ik het kan beoordelen ben jij hier de vijand en niet Kate.
En bovendien, iedere kans om een foto te verkopen is meegenomen.”
“Dan heb ik nog een tip voor jullie,” zei Percy. “Als jullie zeker
willen zijn dat jullie artikel en foto geplaatst worden, dan moeten
jullie morgenochtend vroeg naar mij komen kijken en beschrijven en
fotograferen hoe ik gehuld in een authentiek officiersuniform de
manschappen voorga door de branding op weg naar een glorierijke
overwinning.”
“Heldhaftig hoor, zo’n toneelstukje,” zei Silvia smalend. “Het is fijn
voor jou dat je weer eens jouw droom om acteur te worden kunt uitleven,
maar je moet er geen show van maken. Jouw optreden is onderdeel van een
herdenking.”
“Daarom mag het nog wel echt lijken,” zei Percy.
“Doe je mee aan het naspelen van de landingen?” vroeg Oscar.
“Ja, het is morgenochtend vroeg het startsein voor alle andere
activiteiten. Ben jij hier ook voor de herdenking?”
“Niet speciaal…”
“Oscar is hier op zoek naar onroerend goed,” onderbrak Silvia hem snel.
“Hij is geïnteresseerd om jullie kasteel te kopen.”
“Mijn vader verkoopt het nooit,” zei Percy. “Weet je wat, ik geef je
het telefoonnummer van mijn vader, dan kun je hem nu meteen naar de
prijs vragen. Mijn vader springt uit zijn vel, als hij het hoort. Wat
een grap! Kan ik die ouwe twee keer op één avond het leven zuur maken.”
“Nou, eigenlijk ben ik meer geïnteresseerd in …” Voordat Oscar “Villa
Bellevue” kon zeggen, zoende Silvia hem op de mond. Daarna zei ze snel
“In mij, Oscar is meer geïnteresseerd in mij.”
“En ik ben meer geïnteresseerd in Kate,” zei Percy. Hij greep de hand
van zijn tafeldame en zei “Het eten was hier weer exquisiet, maar het
dessert zinkt in het niets bij het toetje dat Kate en ik dadelijk gaan
genieten.” Kate en hij stonden op. “We laten de tortelduifjes hier
alleen aan tafel. Kate en ik gaan naar het kasteeltje om in het
hemelbed te duiken. We moeten morgen vroeg op en hebben voor vanavond
nog een uitgebreid programma voor de boeg.”
“Slaap lekker,” zei Silvia. “Als jullie er nog aan toe komen.”
“Leuk met jullie kennis gemaakt te hebben,” zei Oscar tamelijk
vormelijk. Toen Kate en Percy uit het zicht verdwenen waren, vroeg hij
“En hoe ziet ons programma er verder uit voor vanavond?”
“Haal je maar niets in je hoofd,” antwoordde Silvia. “Ik wil nog wat
foto‘s bewerken en op internet zetten. En trouwens, ik moet zelf ook
vroeg op morgenochtend.”
“Zou ik meer kans bij je maken als ik tien jaar jonger was?” vroeg
Oscar.
“O ja, zeker, maar wat denk je eraan te kunnen doen?” antwoordde
Silvia.
“Niet veel, inderdaad. Heeft Percy je vanavond erg gekwetst?”
Silvia lachte schamper. “O nee, daar is het allemaal veel te
doorzichtig voor. Het ligt er duimendik bovenop, dat Kate hem alleen
maar gebruikt en hem laat vallen zodra het haar uitkomt. Ik geloof dat
ik haar wel mag. Ik voel mij zo opgelucht nu ik haar ontmoet heb. Ik
had mij pas echt zorgen gemaakt als Percy het aan had gelegd met iemand
van mijn eigen leeftijd en niet met zo’n bejaarde oude vrouw van in de
dertig.”
“Ben ik ook bejaard?”
“Nogal. Maak je maar geen illusies!”
“Voel je dan geen enkele jaloezie naar aanleiding van vanavond? Heb je
niet behoefte om wraak te nemen, hem een koekje van eigen deeg te geven
en bijvoorbeeld, ik fantaseer maar wat, met mij de nacht door te
brengen?”
“Fantaseer gerust verder,” zei Silvia lachend. “Ik ga jou dadelijk
demonstratief in de steek laten, zodat alle kelners met hun eigen ogen
zien, dat ik Percy trouw blijf. Als hij dat via het roddelcircuit
hoort, dan komt hij weer met hangende pootjes bij mij terug zodra Kate
op hem uitgekeken is en dat zal niet lang meer duren.”
“Als je nog even wilt blijven zitten, dan kun je mij een aantal dingen
uitleggen. Daar heb ik geloof toch wel recht op.”
“Dat ligt er aan. Wat wil je weten?”
“Die ruzie tussen jouw en Percy, waar gaat die over?”
Silvia zuchtte. “Percy wil oom Auguste uit de villa verdrijven, zodat
deze weer bewoonbaar wordt.”
“Hoe wil hij dat dan doen?”
“Met zuiver wetenschappelijke middelen. Eigenlijk wil hij aantonen, dat
er helemaal geen spook is. Volgens hem is het een natuurkundig te
verklaren fenomeen.”
“Heeft hij zelf het spook al ontmoet?”
“Ja, hij wilde een keer in de villa slapen om te laten zien dat er
niets aan de hand is. Vijf minuten na middernacht stond hij weer
buiten, trillend als een espeblad. Sindsdien is hij nog fanatieker
geworden. Ik wil dat hij oom Auguste met rust laat en hij mag hem zeker
niet uit de villa verjagen!”
“Hoe heb je Percy leren kennen, heb je ook foto’s van hem gemaakt?”
“Ik heb hem uitgebreid gefotografeerd, maar de banden tussen zijn
familie en die van mij zijn al veel ouder. Zijn grootvader was een
goede kennis van oom Auguste. Die fotosessies vond Percy trouwens
fantastisch. Hij wil acteur worden en eerlijk gezegd heeft hij daar ook
alles voor in huis. Maar ja, zijn vader wil dat zoonlief het
familiebedrijf overneemt, vandaar dat er zo nu en dan wat wrijving is
tussen vader en zoon. Percy ziet niet zijn vader maar zijn grootvader
als lichtend voorbeeld. Die was een fervent amateurtoneelspeler en een
groot levensgenieter, net als oom Auguste.”
“Bepaalde eigenschappen binnen een familie slaan soms een generatie
over en het is niet ongebruikelijk dat een jonge generatie het kapitaal
van een vorige generatie er door heen jaagt,” zei Oscar. “Of klink ik
nu erg als een bejaarde.”
“Nogal,” antwoordde Silvia. “Maar nu je het zegt, Percy heeft verteld
dat zijn overgrootvader, die het familiebedrijf heeft gesticht, een
uiterst geslepen zakenman was, maar dat zijn grootvader de zaak ten
gronde had gericht, als Percy’s vader er niet op tijd was ingestapt.”
“En jij voelt jezelf in jouw familie als een soort opvolger van jouw
oom Auguste?” vroeg Oscar, die vond dat het gesprek lang genoeg over
Percy was gegaan.
“Ik ben in ieder geval de enige in de familie die nog iets artistieks
doet voor de kost, verder zijn het allemaal zeer respectabele maar
nogal dorre notabelen.”
“Die oom Auguste van jou, wat voor soort schilderijen maakte die
eigenlijk?”
“Dat vertel ik je nog wel een andere keer,” antwoordde Silvia en ze
stond op om weg te gaan.
“Ik beschouw dat als een belofte dat we elkaar nog een keer zullen
spreken,” zei Oscar hoopvol.
“Ik laat het wel weten als jouw foto’s succesvol zijn,” zei Silvia
zakelijk en ze gaf hem afstandelijk een hand ter afscheid, onder het
toeziend oog van drie kelners die, zo had Silvia het moment uitgekozen,
net in de buurt rondliepen. Oscar keek haar na terwijl zij elegant de
tuin uit trippelde. Hij bestelde een Calvados als digestief. De ober
die het glas bracht, kon het niet nalaten om met een hooghartig lachje
te vragen “Bent u haar oom?”
“Zo voel ik mij wel,” antwoordde Oscar. Hij hield zijn neus boven het
glas en snoof het aroma op van het appeldestillaat. Hij nam kleine
slokjes van de sterk alcoholische drank en overpeinsde op zijn gemak de
gebeurtenissen van de dag. Daar was hij nog niet ver mee gevorderd toen
hij Percy en Kate vanaf de straat de rozentuin zag binnen komen met
reistassen in hun handen. Ze zetten de tassen naast de tafel en gingen
zitten. Percy nam direct het woord.
“Weet je nog dat ik vanavond een foto van Kate en mij naar mijn vader
heb gestuurd?”
“Die foto heb ik zelf van jullie genomen,” antwoordde Oscar.
“Precies,” zei Percy. Hij griste het glas Calvados voor de neus van
Oscar weg en hij sloeg de inhoud in één teug achterover. “Hemel, daar
was ik aan toe. Mijn vader heeft zodra hij die foto ontvangen had, met
Claire, onze huishoudster in het kasteeltje, gebeld. Ze moest van hem
de spullen van Kate op de stoep zetten en de grendels op de deur doen.
We komen er niet in. En alle hotels zitten vol! Claire, die oude
vrijster, stond achter de deur. De oude tang wilde ons er niet in te
laten. Ze zei dat ze bang is voor mijn vader. Ik geloof er
niets
van, ik hoorde haar schel lachen uit leedvermaak. Even dacht ik dat ik
haar om kon praten, maar dat oude wijf was niet gevoelig voor mijn
charmes. Het enige wat ik van haar gedaan kon krijgen, is dat ze mij
een tas met toiletgerei en mijn uniform voor morgen gaf en dat jij
vannacht in het kasteeltje kunt slapen.”
“Is nergens voor nodig,” zei Oscar. “Ik heb een hotelkamer.”
“Die hotelkamer, daar willen wij het met je over hebben,” zei Kate.
“Jullie willen toch niet mijn kamer?” vroeg Oscar verbaasd.
“Alsjeblieft,” smeekte Kate en ze was zo mooi dat Oscar zei
“Goed dan.”
“Dan moet je nu meteen naar het kasteeltje gaan,” zei Percy. “Ander
slaapt Claire al en op haar kamer hoort ze de bel niet. Wij regelen het
wel hier in het hotel, ik ben een goede bekende hier.” Oscar stond op
en liep op een drafje de rozentuin uit, de duisternis in.
In de donkere straten van de badplaats realiseerde Oscar zich dat hij
de weg naar het kasteeltje niet precies wist. Moedig ging hij op pad om
hopeloos te verdwalen en wanhopig rond te dolen. Het duurde dan ook
meer dan een uur voordat hij de treden van het bordes beklom en bij de
voordeur van het kasteeltje aanbelde. En ook al hij drukte hij de
schakelaar van de deurbel in totdat zijn beide duimen zeer deden, het
was tevergeefs. Niemand deed de deur open. Claire sliep al en op haar
kamer hoorde ze de bel niet. Er zat voor Oscar niets anders op dan
terug te gaan naar het hotel. Tot zijn verbazing vond hij de terugweg
moeiteloos en binnen een kwartier bereikte hij Hotel des Roses. Hij
liep door het lege restaurant en langs de verlaten bar naar de
onbemande receptie. Even wilde hij op het belletje op de balie drukken.
Toen dacht hij aan zijn zere duimen en liep snel de trap op naar zijn
hotelkamer. Voor de kamerdeur bleef hij staan. Door het dunne hout
hoorde hij duidelijk het piepen en kraken van het bed en hoe Kate haar
minnaar kreunend aanspoorde in het liefdesspel. Het hoge en hese
stemgeluid van Kate werd begeleid door de lage ritmische bas van Percy.
Oscar draaide zich om en sloop de trap af. Langs de onbemande receptie
en de verlaten bar liep hij door het lege restaurant naar buiten. Hij
ademde de frisse, heldere zeelucht met volle teugen in en begon
doelloos door de straten te zwerven. Niet ver van het hotel herkende
hij de voordeur waardoor Silvia die middag naar binnen was gegaan om
zich op haar zolderkamer om te kleden voor het diner. Zou hij haar om
onderdak kunnen vragen? Oscar besefte, dat hij zeer discreet te werk
moest gaan om ook maar enige kans te maken op haar gastvrijheid voor de
nacht. Silvia wilde immers op geen enkele manier aanleiding geven tot
roddels dat zij Percy ontrouw was geworden. Oscar liep naar de voordeur
toe. Er was maar één belknopje, waaronder acht verschillende namen
prijkten. Achter iedere naam stond hoe vaak men op het knopje moest
drukken om de betreffende persoon naar de voordeur te manen. Voor
Silvia moest men acht keer bellen. Boven het knopje hing een recent en
vrij uitgebreid briefje, dat de lezer ervan in niet mis te verstane
bewoordingen aanspoorde om het aanbellen na tien uur ‘s avonds geheel
achterwege te laten, tenzij het een noodgeval betrof. Voor Oscar was
het vooruitzicht om de nacht onder de koude sterrenhemel door te
brengen weinig aanlokkelijk en er bestond voor hem dan ook geen twijfel
over dat hier sprake was van de in het briefje genoemde noodsituatie.
De acht luide belsignalen die noodzakelijk waren om Silvia aan de deur
te krijgen, zouden echter niet alleen zijn zere duimen nog verder
belasten, ze zouden ook ongetwijfeld de andere bewoners wreed in hun
slaap storen. Vervolgens zou hij de aard en toedracht van zijn
noodsituatie uit moeten leggen, niet alleen aan Silvia maar ook aan
minstens zeven boze huisgenoten. Dit leek hem moeilijk verenigbaar met
de vereiste discretie. Oscar deed enkele passen naar achteren en keek
langs de gevel omhoog. Achter geen enkel raam brandde er licht. In het
steile dak zag hij twee zolderramen. Als hij wist welk raam bij de
kamer van Silvia hoorde, dan kon hij proberen haar aandacht te trekken
door steentjes tegen haar raam te gooien. Oscar besloot om de gok te
wagen en het linker raam uit te kiezen als mikpunt voor zijn
steentjesregen. Hij liep naar de jeu de boules-baan aan het begin van
de straat om zich van munitie te voorzien. Met een hand vol grind
keerde hij terug. De eerste steentjes vielen in de dakgoot, daarna
tikten de kiezels achter elkaar zachtjes tegen de ruit. Het raam werd
geopend en een man met een grijze baard en een kwaad gezicht boog zich
voorover uit het venster. “Wat mot je?” fluisterde de man sissend.
“Excuses, ik heb het verkeerde raam bekogeld, neemt u mij niet
kwalijk,” antwoordde Oscar beleefd alsof hij zich vergist had bij het
intoetsten van een telefoonnummer. “Oprotten!” zei de man en hij deed
het raam weer dicht. “Het andere raam is dus van Silvia” dacht Oscar.
“Die kerel kan wel raden, dat ik voor Silvia kwam, dus het kwaad is wat
dat betreft al geschied en het wordt er niet erger van als ik nu wel
het goede raam tot doelwit neem.” Hij plaatste zijn voeten stevig op
het midden van de straat en welgemikt wierp hij een steentje naar het
rechter raam. Op het moment dat hij het steentje lanceerde, bedacht hij
zich in een flits dat de kamer van Silvia ook aan de achterkant van het
gebouw kon zijn. Het zachte tikje van het kiezeltje tegen het
vensterglas verstoorde even de nachtelijke stilte. Er gebeurde enkele
seconden niets. Toen brak de hel los. In het zwakke schijnsel van de
straatlantaarn zag Oscar de man met de grijze baard het zolderraam
openen, luidkeels vloekend en met een pot bloeiende geraniums in zijn
hand. Tegelijkertijd hoorde hij een motorvoertuig de bocht om scheuren.
Hij keek in een reflex opzij. Felle koplampen doemden voor hem op.
Terwijl de bloempot met inhoud door de lucht suisde en het voertuig met
gierende remmen aanstormde, bracht Oscar zich met een snoekduik in
veiligheid voor het dubbele gevaar dat hem belaagde. Een oude legerjeep
stond met dampende banden stil op de plek waar een fractie van een
seconde ervoor Oscar zijn voetafdrukken had achtergelaten, en de
bloempot spatte in scherven uiteen op de stalen helm van één van de
twee mannen, die verkleed als soldaten uit de Tweede Wereldoorlog op de
achterbank van de jeep zaten. De geranium bleef met de aardkluit boven
op de helm plakken. “Poepjes!” zei de man met grijze baard en snel deed
hij het zolderraam dicht.
“We liggen onder vuur!” riep de andere man op
de achterbank van de jeep.
“Status?” riep de man naast de chauffeur.
“Eén voltreffer met een geranium op Jack’s helm en één burger op
grond!”
“Alles goed, burger?” vroeg de man naast de chauffeur aan Oscar.
“Het
gaat wel,” antwoordde Oscar nog suf van zijn val op het asfalt. “Het
was mijn schuld, ik had niet midden op de weg moeten staan.”
“Wat deed
je daar in het holst de nacht?” vroeg de man naast de chauffeur.
“Ik gooide steentjes tegen het raam van Silvia.”
“Het raam van Silvia? Wie was die man met die baard dan?”
“Weet ik niet,” antwoordde Oscar.
“Ik snap het. Jouw Silvia had al bezoek!”
“Of het was het verkeerde raam,” antwoordde Oscar die weer langzaam bij
zijn positieven kwam.
“Ik snap het. Dat is ook een goeie, het verkeerde raam! Wel, wel! Lukt
het je om naar huis te lopen? Anders brengen we je wel.”
“Ik woon hier niet. Ik heb een kamer in Hotel des Roses.”
“Dat is vlakbij. We brengen je wel even naar je hotelkamer.”
“Nee, dat kan niet. Kate slaapt er nu met Percy.”
“Ik snap het. Kate met Percy op jouw hotelkamer. Heb je geen ander
adres hier?”
“Ja, maar dat heb ik al geprobeerd. Claire deed niet open.”
“Ik snap het. Claire deed niet open. Wel, wel! Moeten we niet even voor
je aanbellen bij die Silvia?”
“Nee, niet aanbellen!” zei Oscar.
“Ik snap het, dan hagelt het straks geraniums. Wel, wel! We laten je
hier niet op de straat liggen, we nemen je mee naar het veldhospitaal.”
Sterke handen hielpen Oscar overeind. De man naast de chauffeur stelde
zich voor als Philip en vroeg Oscar om naast hem te komen zitten. De
stoel was krap voor twee personen en Oscar hing half buiten de aan de
zijkant open jeep. Hij zag dat de motorkap witgeschilderd was met een
rood kruis. De chauffeur startte de motor. De jeep reed de badplaats
uit en hobbelde verder over een onverlichte landweg. Oscar moest zich
stevig beethouden om niet uit de jeep te vallen. “Wel, wel! Die Kate,
Claire en Silvia hebben jou flink te grazen genomen,” zei Philip.“Ik
ben ook wel eens door een vrouw op straat gezet, maar nog nooit door
drie vrouwen in één nacht. Behoorlijk fatale vrouwen, die vriendinnen
van jou!”
De jeep reed de weg af en stopte bij een grote legertent, die van
buitenaf sfeervol verlicht werd door olielampen en een kampvuur. Op de
zijkant van de tent was een rood kruis op een wit
vlak geschilderd.
Bij het kampvuur zaten twee mannen in uniformen van de geallieerde
strijdkrachten uit de Tweede Wereldoorlog. Iedereen liep naar de tent.
Philip deed voor Oscar de flap opzij die als ingang dienst deed, en hij
zei “Welkom in het veldhospitaal.” Op een langgerekte, hoge tafel stond
een olielamp fel te branden en er hing een scherpe geur van
ontsmettingsmiddel, vochtig canvas, petroleum en houtvuur. Binnen
gingen de mannen ieder op een rand van een veldbed zitten. Oscar kreeg
een glas whisky aangeboden. “Als je wilt, kun je hier blijven slapen,“
zei Philip. “We hebben hier veldbedden en dekens genoeg, zoals je
ziet.”
“Er is ook nog een uniform over,” zei Jack, terwijl hij de restanten
van de geranium van zijn helm afschraapte. “Kan je morgen met ons
meedoen.”
“Moet ik dan de manschappen voorgaan door de branding op weg naar een
glorierijke overwinning?” vroeg Oscar en hij dacht aan Percy.
“Maak je geen zorgen,” zei Jack. “Het is een gewoon soldatenuniform.
Dus niks manschappen voorgaan door de branding en niks glorierijke
overwinning.”
“Wat moet ik dan doen morgen?” vroeg Oscar.
“Wel, wel! Wat denk je?” zei Philip. “Dit is een veldhospitaal. Je ligt
zwaargewond langs de weg met een bloedig verband rond je hoofd. Wij
leggen je op een brancard en rijden je achter op de jeep hiernaartoe.
We zijn hier om de invasie te herdenken en niet om de oorlog te
verheerlijken.”
Oscar sloeg de legergroene deken van zich af en ging op de rand van het
veldbed zitten. Hij wreef langs zijn kin en voelde de stoppels. “Kan ik
een scheerapparaat lenen?” vroeg hij aan Philip. “Niets aan doen!”
antwoordde Philip. “Het is perfect zo. De soldaten die de hele nacht in
de landingsvaartuigen dobberden, konden zich ook niet scheren. Zij
hadden wel wat anders aan hun hoofd! Hier is jouw uniform.” Philip gaf
Oscar een muf ruikend stapeltje verschoten groene kleren.
Een uur later, terwijl Percy onder grote belangstelling gladgeschoren
en in officiersuniform als eerste vanuit het landingsvaartuig door de
branding het strand op rende en zijn manschappen leidde naar een
glorierijke overwinning, installeerde Oscar zich met een bloedig
verband rond zijn hoofd op het nog verlaten dorpsplein. Hij zat op de
kasseien met zijn rug tegen de fontein en keek uit op de kerktoren. Hij
hield de wijzers van de kerkklok in de gaten. Twee uur lang moest hij
zo blijven zitten, dan werd hij opgehaald door de jeep en naar het
veldhospitaal gebracht. Twee uur lang moest hij alle voorbijgangers
negeren en in zijn rol van gewonde soldaat blijven. De vale
ochtendhemel kleurde langzaam intenser blauw. Een menigte bezoekers van
de herdenkingsactiviteiten kwam van het strand en liep over het
dorpsplein langs de fontein. Bemoedigende woorden werden Oscar
toegeworpen en vele malen werd hij gefotografeerd. Oscar verroerde zich
niet. Hij staarde met een verbeten trek rond zijn mond en een gekwelde
blik in zijn ogen naar de kerktoren, die scherp af stak tegen de
heldere lucht. Bijna onmerkbaar kropen de wijzers van de kerkklok rond
de wijzerplaat. De tijd leek stil te staan. De zon brandde op zijn
gezicht. Hij kreeg dorst. “Hoe heet je, soldaat?” hoorde hij plotseling
naast hem. Een vrouw had zich losgemaakt van de langs drommende menigte
en knielde naast hem neer. Oscar noemde zijn naam en hij keek recht in
de mooiste bruine ogen die hij ooit gezien had. Hij schatte de vrouw
ongeveer even oud als hijzelf. Haar donkerbruine krullende kapsel, haar
blouse met brede kraag en haar lange rok gaven haar een uiterlijk als
uit de Tweede Wereld Oorlog. Ze hield een veldfles bij zijn lippen.
Langzaam stroomde het koele water in zijn mond. Dankbaar slikte Oscar
het vocht door. Met een geborduurd wit zakdoekje veegde ze de druppels
van zijn kin. Ze stond op en verdween in de menigte. Oscar had het vage
idee dat hij haar eerder had gezien. Hij speurde de mensenmassa af,
maar tevergeefs. Wel herkende hij Silvia, die net haar camera liet
zakken. Ze hief haar duim op, als teken dat hij er fotogeniek bij zat.
De toeschouwers weken opzij. Een oude legerjeep met een groot rood
kruis op de motorkap hobbelde het dorpsplein op en kwam vlak bij de
fontein tot stilstand. Philip en Jack liepen met een brancard tussen
hen in op Oscar af.
De redactie van een bekende Londense krant ontving Kate’s verslag van
de herdenking van de invasie in Normandië via e-mail en ruim op tijd
voor het ter perse gaan. Het artikel van Kate kon zoals gebruikelijk
bijna volledig overgenomen worden en werd bij gebrek aan
wereldschokkend nieuws op de voorpagina geplaatst. De redactie moest
langer nadenken over de keuze van een bijbehorende afbeelding uit de
voortreffelijke foto’s, die Kate had meegestuurd en die gemaakt waren
door een voor de redactie onbekende fotografe. In afwachting van het
oordeel van de hoofdredacteur ging de voorkeur in eerste instantie uit
naar de foto van de gladgeschoren jonge officier die vanuit het
landingsvaartuig fier aan het hoofd van zijn manschappen door de
branding het strand op rende op weg naar een glorierijke overwinning.
De foto die uiteindelijk die avond de voorpagina van de krant sierde,
toonde het ongeschoren gezicht van een soldaat met een bloedig verband
om het hoofd, terwijl een authentiek uitziende, charmante vrouw hem te
drinken gaf uit een veldfles. De foto was haarscherp. Koele druppels
water parelden langs de kin van de gewonde soldaat. “Het artikel gaat
over de herdenking van de invasie en mag geen verheerlijking van de
oorlog zijn,” had de hoofdredacteur gezegd nadat hij haastig het
kantoortje was binnengelopen, vluchtig de foto’s had bekeken en met een
snel en stellig gebaar zijn oordeel had gegeven. En aldus geschiedde
het, want de wil van de hoofdredacteur is een onverbrekelijke wet en zo
is het op iedere redactie van iedere krant in iedere uithoek van de
wereld.
Terwijl
de Londenaren in de metro zijn foto op de voorpagina van de
avondkrant bewonderden, stond Oscar in de rij voor een hap eten uit de
grote, dampende pannen van de nagebouwde veldkeuken. Mannen in
legeruniformen stonden in de rij voor en achter hem. De kok kledderde
met een grote lepel één voor één de etensbakken vol, waarna weer een
soldaat met zijn gevulde bak naar de lange opvouwbare tafels liep en de
rij wachtenden naar voren schuifelde. Oscar stond achter Philip en
Jack. Zijn etensbak was net vol geschept, toen Percy op hem af kwam.
“Ha die Oscar! Kom bij ons zitten! Kate en Silvia zijn er ook.”
Oscar liep met Percy mee en schoof naast hem aan op het uiteinde van
een smalle bank. Tegenover hem zaten Kate en Silvia met een etensbak
vol soldatenvoer voor zich op de tafel.
“Hoe zijn jullie hier binnen gekomen?” vroeg Oscar. “Er zijn hier
verder alleen maar als soldaat verkleedde mannen.”
“Met mijn perskaart,” zei Kate. “Niet dat ik van plan ben vanavond nog
te werken. Silvia en ik hadden gewoon trek in een hapje eten en dan is
die perskaart altijd handig.”
“Die perskaart was nergens voor nodig,” zei Percy. “Iedereen is blij
dat jullie hier zijn. Let maar eens op de bewonderende blikken van de
dappere strijders om jullie heen.”
“Al die aandacht is niet verkeerd,” zei Kate. “Het maakt deze prak nog
een beetje verteerbaar. Het contrast met het eten van gisteravond in de
tuin van het hotel kan niet groter zijn. Jullie twee zijn trouwens
beroemd vandaag. Cameraploegen van over de hele wereld hebben
vastgelegd hoe Percy het strand veroverde en de foto die Silvia van
jou heeft gemaakt, Oscar, staat op de voorpagina naast mijn artikel.”
“Wat mij een leuk zakcentje oplevert,” zei Silvia.
“Krijg ik daar nog vijfentwintig procent van?” vroeg Oscar.
“Foto’s van openbare optredens vallen niet onder de overeenkomst,”
antwoordde Silvia lachend.
“Een gewiekste zakenvrouw ben jij,” zei Oscar verontwaardigd.
“Geen ruzie maken, tortelduifjes,” zei Percy. “Oscar, vertel ons liever
hoe jij als figurant bij de herdenking verzeild bent geraakt.”
Oscar slikte een hap van het grove eten door en zei “Dat is een lang
verhaal.” Hij legde zijn bestek neer en ging er voor zitten om
uitgebreid en vol zelfspot zijn lotgevallen van de vorige avond te
vertellen met als voornaamste doel om de sympathie van Silvia te
wekken. “Ik had moeite om het kasteeltje te vinden in het donker. Toen
ik er eindelijk was, deed Claire niet open. Ze lag denk ik al te
slapen.”
“De oude tang!” viel Percy hem in de rede. “Ze had op zijn minst even
op kunnen blijven totdat jij er was.”
“Ik snap niet waarom jullie die lelijke, oude heks niet ontslaan!” zei
Kate.
“Mijn moeder heeft haar een paar maanden geleden in dienst genomen
juist omdat het een lelijke oude heks is. De vorige huishoudster deed
haar werk veel beter, was veel aardiger, zag er heel appetijtelijk uit
en was bovendien minstens veertig jaar jonger. Zij is door mijn moeder
ontslagen”
“Waarom?” vroeg Kate verbaasd.
“Mijn moeder had afgelopen Pasen mijn vader met haar betrapt. Tsja, en
aangezien ze mijn vader niet kon ontslaan, heeft ze maar de
huishoudster ontslagen en is ze op zoek gegaan naar een nieuwe die zo
oud, lelijk en onaardig mogelijk is. Nou, dat is haar prima gelukt met
Claire. Maar Oscar, vertel verder. Wat deed je toen je het kasteeltje
niet in kon?”
“Je bent toch niet naar het hotel teruggegaan?” vroeg Kate. “Dat zou zo
gênant zijn geweest! Percy en ik waren erg luidruchtig gisteravond.
Vooral Percy. Je had ons op de gang kunnen horen! Heb je staan
luisteren?”
“Eh, nee, ik…” stamelde Oscar en hij nam snel nog een hap.
“Je was toch niet die idioot die gisteravond steentjes tegen het raam
van mijn buurman heeft gegooid?” vroeg Silvia. “Hij was vanochtend nog
steeds razend en dreigde, dat als hij nog een keer door één van mijn
vriendjes in zijn slaap gestoord zou worden, hij bij de huisbaas zou
gaan klagen en er voor zou zorgen dat ik het huis uitgezet word.”
Om zich niet de verontwaardiging van beide dames op de hals te halen,
leek het Oscar verstandiger zich tot een korte versie van zijn verhaal
te beperken. “Op straat kwam ik toevallig Philip en zijn mannen tegen.
Ze boden mij onderdak aan in hun veldhospitaal. Daar heb ik dankbaar
gebruik van gemaakt. Als tegenprestatie heb ik mijzelf als figurant
aangeboden.”
“Vanavond hoef jij niet in een tent te slapen, vanavond slaap jij in
een kasteel,” zei Percy.
“Eigenlijk slaap ik liever in mijn hotelkamer,” zei Oscar.
“Niets daarvan, alleen een kasteel is goed genoeg voor jou,” zei Percy.
“En trouwens, jouw hotelkamer hebben Kate en ik vanavond nodig. Ze
vertrekt morgen weer. Dit is voorlopig onze laatste nacht samen.”
“Alsjeblieft?” vroeg Kate en ze keek Oscar met een onweerstaanbare
glimlach aan.
“Goed dan,” antwoordde Oscar. “Maar ik wil niet weer voor
een gesloten deur komen te staan.”
“Geen probleem,” zei Percy. “Ik bel meteen met Claire om haar van jouw
komst te verwittigen.” Hij haalde zijn hypermoderne telefoontje uit
zijn historische uniform, stond op en liep telefonerend van de tafel
af. Even later kwam hij terug samen met Philip. “Het is allemaal
geregeld,” zei Percy. “Claire verwacht jou binnen een half uur en
Philip brengt jou nu meteen met de jeep, nietwaar Philip?”
“Wel, wel, geen probleem,” antwoordde Philip en hij stelde zich uiterst
hoffelijk voor aan Silvia en Kate.
“Je kan het beste direct gaan, dan kun je nog jouw spullen ophalen in
het hotel,” zei Percy, die zelf zo snel mogelijk met Kate naar de
hotelkamer wilde gaan gaan.
“Ik heb nauwelijks wat gegeten,” zei Oscar en hij wees op zijn volle
etensbak. “Ik rammel nog van de honger.
“Geen probleem,” zei Percy. “Claire maakt wel wat voor jou klaar.”
“Nu dan ga ik maar eens naar mijn onderkomen voor de nacht, ook al is
het nog vroeg,” zei Oscar.
“Slaap lekker,” zei Silvia.
“Droom maar zacht,” zei Kate.
Percy liep met Oscar en Philip mee naar de jeep. “Je kunt mij een grote
dienst bewijzen,” zei Percy tegen Oscar. “Morgen gaat Kate terug naar
Engeland en ik moet echt met haar mee. Wil jij niet voor mij naar mijn
paspoort zoeken op de kamer van Claire? Volgens mij ligt het onder haar
matras. Daar bewaren alle oude vrouwtjes altijd hun kostbare
spulletjes! Alsjeblieft? Ik zal je eeuwig dankbaar zijn.”
“Ik zal mijn best doen,” antwoordde Oscar.
“Als het je lukt, mag je zolang je maar wilt op het kasteeltje
logeren,” zei Percy terwijl hij Oscar joviaal op de schouder sloeg. Hij
zwaaide de jeep na alsof hij afscheid nam van een goede vriend.
Eerst reden Philip en Oscar naar het veldhospitaal, waar Oscar zijn
oude legeruniform omwisselde voor zijn burgerkleren, daarna naar het
hotel om zijn bagage op te halen. “Wel, wel, dat waren dus de Kate en
Silvia, die jou gisternacht in de kou hebben laten staan,” zei Philip
onderweg. “Wat een schoonheden! Ik heb begrepen, dat jouw kansen voor
vannacht beter zijn. Is die Claire net zo mooi?”
“Ik weet het niet,” antwoordde Oscar. “Als ik op de verhalen af moet
gaan, is ze oud en chagrijnig. Ze is de huishoudster op het kasteeltje
van Percy.”
“Wel, wel, misschien kan ze goed koken,” zei Philip en hij salueerde
naar de inzittenden van een tegemoet rijdende jeep.
Toen ze voor het bordes van het kasteeltje stopten, stond er een vrouw
met lang grijs haar, een grote bril en een blauw geblokt schort in de
deuropening te wachten. Ze liep kwiek de treden af naar de jeep en zei
bij wijze van welkom op een allervriendelijkste toon “Er staat een
pannetje met gestoofd konijn op het vuur, voor als de beide heren een
hapje lusten.” “Hou je mij gezelschap?” vroeg Oscar aan Philip.
“Gestoofd konijn sla ik niet af!” antwoordde Philip enthousiast. Tien
minuten later zaten de twee mannen in de eetzaal van het kasteeltje
achter een dampend bord en dronken ze een voortreffelijke
bourgognewijn. Daarna volgde een uitgebreid kaasplateau en grote
stukken taart. Tot slot bracht Claire de koffie en een fles zeer oude
Calvados met twee glazen. “Die Claire weet wat lekker is!” zei Philip
en hij nipte tevreden aan de Calvados.
Ondertussen hadden Percy, Kate en Silvia de veldkeuken verlaten. Ze
zetten Silvia voor haar deur af. De twee vrouwen namen uitgebreid
afscheid van elkaar, iets te uitgebreid naar de zin van Percy, die zich
buitengesloten voelde. In de hotelkamer zei Kate op serieuze toon tegen
Percy “Ik moet je wat vertellen.” Hij ging op de rand van het hotelbed
zitten. Een onheilspellend voorgevoel maakte zich van hem meester.
“Ik heb een relatie met de hoofdredacteur,” zei Kate alsof het een
terloopse opmerking was en tegelijkertijd schopte ze nonchalant haar
schoenen uit. “Dus…”
“Dus…?” vroeg Percy uit het veld geslagen.
“Het lijkt mij beter als we elkaar verder niet meer zien.”
“En vannacht?” vroeg Percy met een sprankje hoop in zijn stem.
“Vannacht slaap ik graag alleen.”
“Maar waarom heb je dat niet eerder verteld?” vroeg Percy. “Dan had
Oscar gewoon op zijn eigen hotelkamer kunnen slapen!”
“En waar had ik dan moeten overnachten?” zei Kate scherp.
“Daar heb je
gelijk in. Tja, dan komt er een einde aan de komedie. Maar je vond het
toch wel leuk, zolang het duurde?”
“Erg leuk, ik heb mij kostelijk geamuseerd. Tot vandaag. Ik heb de hele
dag met Silvia opgetrokken. Wat is die meid nog verkikkerd op jou! En
als ik jou een beetje begrijp, ben jij ook nog steeds verliefd op haar!
Ik wil niet langer tussen jullie in staan. Dat heb ik Silvia vanmiddag
ook beloofd.”
“Kan ik je nog niet één nachtje gezelschap houden?” probeerde Percy.
“Bij wijze van afscheid?”
“Nee, dat lijkt mij niet verstandig,” zei Kate. Ze trok haar broek uit
en hing deze over een stoel. “Of was je van plan mij anders van deze
hotelkamer af te gooien?”
“O nee,” zei Percy. “Het is trouwens niet eens mijn hotelkamer, maar
die van Oscar. Nou, dan pak ik mijn spullen maar en dan geven we elkaar
een hand.”
“Dat is het beste,” zei Kate terwijl ze de knoopjes van haar blouse
losmaakte.
“Of toch nog één klein afscheidskusje?” vroeg Percy met een smekend
stemmetje.
“Goed dan, één heel klein afscheidskusje,” zei Kate en ze deed haar bh
uit. Vol bewondering keek Percy toe hoe haar borsten zich bevrijdden
uit hun omhulling.
“Hierna moet je direct weg!” zei Kate en ze trok
haar slipje uit. Lachend sprong ze op het hotelbed. “Waar wacht je op,
commandant? Trek snel dat uniform uit, en verover mij!”
Een vrijpartijtje later liep Percy in de langzaam invallende schemering
door de straten van de badplaats. Hij had na het afscheid van Kate zijn
officiersuniform weer aangedaan en hij had de nodige bekijks van de
toeristen, die hem nog herkenden van zijn optreden op het strand die
ochtend. Met zijn tas over zijn schouder neuriede hij op een
melancholieke toon het soldatenliedje ‘That’s the wrong way to tickle
Mary’. Hij wist niet wat hem het meest had aangegrepen, dat hij Kate
nooit meer zou zien of dat ze hem min of meer de opdracht had gegeven
om het weer goed te maken met Silvia. Hij vroeg zich af waar hij
naartoe moest voor de nacht. Naar Silvia? Hij had nog de sleutel van
haar voordeur, die had hij altijd bij zich. Nee, dat was geen goed
idee. Hij zag er tegenop en bovendien had hij nog de smaak van Kate op
zijn lippen. Naar het kasteeltje? Claire sliep vast al en hij wilde
Oscar niet storen, helemaal niet nadat hij hem voor de tweede nacht op
een rij van zijn hotelkamer af had gejaagd. Eerst maar naar een café.
Komt alcohol, komt raad en hij had wel trek in een borrel. Een jeep met
een groot rood kruis op de motorkap reed hem voorbij en de chauffeur
salueerde. Percy herkende Philip en mechanisch beantwoordde hij de
militaire groet. Philip stopte de wagen, keek achterom naar Percy en
riep “Lift nodig?”
“Graag,” antwoordde Percy en hij rende naar de jeep en sprong er in.
“Waar kan ik je naartoe brengen?” vroeg Philip. “Naar het hotel?”
“Daar kom ik net vandaan. Ik heb afscheid van Kate genomen.”
“Die schoonheid, die vanavond bij de veldkeuken was?”
“Die, ja. Helaas...”
“Wel, wel, ik begrijp het.” Philip nam het sombere gezicht van Percy
aandachtig in zich op en zei “Kom mee naar het veldhospitaal, er is
daar whisky in overvloed!”
“Philip, je ben een reddende engel!”
“Daar zijn we voor,” zei Philip en hij wees naar het rode kruis op de
motorkap. “En voor het geval dat ons medicijn bijwerkingen vertoont, is
er nog wel een veldbedje vrij!” De ambulancejeep kwam in beweging en
reed met ferme snelheid de badplaats uit naar het veldhospitaal, het
laatste spoedgeval van die dag.
In één van de vele logeerkamers van het kasteeltje strekte Oscar zich
tevreden uit op het bed met zijn kleren nog aan. Dankzij de hapjes en
de drankjes en het comfortabele bed had hij zich geheel verzoend met
zijn lot. Hij miste zijn hotelkamer geheel niet en de grove
soldatenmaaltijd uit de veldkeuken, die hij zo abrupt had moeten
achterlaten, was hij allang vergeten. In plaats dat zijn dankbaarheid
voor de versnaperingen en het schone bed uitgingen naar de
huishoudster, die voor dit alles gezorgd had, dwaalden zijn gedachten
af naar de belofte die hij aan Percy had gedaan om zijn paspoort terug
te bezorgen. Hij hoorde schuin boven zijn kamer het geluid van een
douche. De huishoudster was het vuil van een dag werken van zich af aan
het schrobben. Dit was een uitgelezen moment om een kijkje op haar
kamer te nemen. Oscar sloop de trap op naar de bovenste etage en zag
door de kier van een openstaande deur licht branden. Hij ging de kamer
binnen. Het eerste wat hem opviel, was de geur van een zwoel parfum.
Daarna zag hij een bureau met een opengeslagen laptop. Hij kon zijn
nieuwsgierigheid niet bedwingen en drukte een toets in. Het beeldscherm
floepte weer aan. Oscar drukte nog een toets in en het beeldscherm werd
gevuld met letters. Oscar ging op de bureaustoel zitten. Met open mond
van verbazing las hij gebiologeerd de tekst, pagina na pagina. “Dit is
het derde deel van de Oorlog en Liefde trilogie!” zei hij hardop. “Deel
twee is nog maar naar net een maand uit. Hoe komt ze hieraan?”
“Ik heb het zelf geschreven,” zei een stem vanuit de deuropening. Oscar
draaide zijn hoofd om en hij keek recht in de mooiste bruine ogen die
hij ooit gezien had. Of beter gezegd, die hij die ochtend voor het
eerst had gezien terwijl hij geleund tegen de fontein met een bloedig
verband om zijn hoofd op de mannen van het veldhospitaal wachtte. “Maar
dan ben jij Claire Branlieu, de schrijfster,” stamelde hij. “Ik wist
dat ik jou ergens van kende toen jij mij uit de veldfles te drinken
gaf. Waar is Claire?”
“Dat ben ik.”
“Ik bedoel de huishoudster.”
“Dat ben ik ook.”
“Maar je ziet er heel ander uit!”
Claire liep de kamer in. Oscar draaide mee op de bureaustoel. Ze pakte
van een tafeltje een grijze pruik en een grote bril. In enkele tellen
was de metamorfose tot een oude, chagrijnige huishoudster compleet.
“Dat ik het niet eerder heb gezien!” zei Oscar verbaasd.
“Ach, trek het je niet aan. Iedereen trapt er in. Ze zien grijs haar en
een grote bril en denken dan meteen aan een oud wijf. De mensen zien nu
eenmaal meestal alleen maar wat ze denken dat er is en niet wat er
werkelijk is. Het had overigens weinig gescheeld of ik had in mijn rol
van oude en chagrijnige huishoudster botweg geweigerd om een gastvrij
ontvangst te geven aan een vage vriend van Percy. Totdat hij mij
smeekte en vertelde, dat zijn vriend een moedige soldaat was, die de
hele ochtend met een bloedig verband om zijn hoofd had rondgelopen.”
Claire deed de bril en de pruik af en liep naar Oscar toe. Ze boog zich
over hem heen en keek op het beeldscherm. Het donkerbruine, droog
geföhnde haar viel op zijn schouder. “En bevalt het jou, wat je daar
leest?” vroeg ze met een uitdagende stem.
“Of het mij bevalt? Ik heb in de rij gestaan voor het tweede deel van
Oorlog en Liefde! Ik heb het diezelfde dag nog uitgelezen en ik kan
niet wachten tot deel drie uitkomt!”
“Het is mij een waar genoegen om een mannelijke fan te ontmoeten,” zei
Claire. “Mijn lezerspubliek bestaat hoofdzakelijk uit vrouwen.”
“Ja, dat viel me al op toen ik in de rij stond in de boekhandel. Ik ben
echt een grote fan van jou. De afgelopen jaren heb ik als een
kluizenaar geleefd, de hele dag achter de computer, speculeren op de
effectenbeurs. Jouw boeken waren mijn enige ontspanning! Ik heb ze stuk
voor stuk minstens vijf keer gelezen. Ik heb jou na ieder nieuw boek
een brief geschreven om jou te bedanken voor het leesplezier dat jij
mij had gegeven.”
“Dus jij bent de man achter die gloedvolle brieven, ” zei Claire. “Ik
voel mij gevleid, dat je mijn oeuvre zo waardeert. Ik ben wel benieuwd
wat je van de passage vindt die nu op het beeldscherm staat.”
“Perfect! Hemels! Niemand kan het liefdesspel zo vurig beschrijven als
jij!” riep Oscar vol verrukking uit.
“Mmm,” zei Claire. “Ik ben zelf nog niet helemaal tevreden. Ik zal er
morgen verder naar kijken. Vertel nu eerst maar eens wat je op mijn
kamer doet, behalve mijn manuscript lezen.”
“Ik, eh… , ik ben op zoek naar het paspoort van Percy. Hij zei dat jij
het in opdracht van zijn vader verstopt hebt, onder jouw matras.”
“Onder mijn matras!” riep Claire lachend. “Net iets voor een oude
huishoudster! Percy is zijn paspoort vast en zeker zelf kwijtgeraakt.
Het zal wel in één van zijn colbertjes zitten. Toen hij er een paar
weken geleden iedereen over aan de kop zeurde, dat hij zijn paspoort
niet kon vinden, zei zijn vader dat het zijn verdiende loon was. Dat is
alles.”
“O,” zei Oscar en hij keek haar vol bewondering aan. Haar vrouwelijke
vormen tekenden zich duidelijk af in haar dunne, lange kamerjas. “Hoe
ben jij hier eigenlijk als huishoudster verzeild geraakt, terwijl jouw
fans met smart op deel drie zitten te wachten?”
“Ik ben hier juist vanwege het derde deel,” antwoordde Claire. Ze liep
naar haar bed toe en ging op het voeteneinde zitten. Ze schoof de
goudkleurige slippers van haar voeten en ze sloeg haar lange kamerjas
een weinig open, zodat haar benen tot net voorbij de knie ontbloot
waren. “Ik heb een voorstel,” zei ze. “Jij masseert mijn voeten. Als
fan van mijn boeken weet je precies hoe dat moet. In ruil daarvoor
vertel ik jou alles over mijn aanwezigheid hier. Tenminste, als ik op
jouw discretie kan vertrouwen. Het is een bedrijfsgeheim van mijn
schrijverschap.”
Oscar stond op van de bureaustoel en knielde bij haar voeten. “Ik ben
één en al oor. Mijn lippen zijn verzegeld. Zij zullen zich alleen
openen als jij dat beveelt.” Zijn warme handen omsloten haar slanke
voet.
“Ja, prima zo,” zei Claire. “En vergeet mijn tenen niet.”
“Hoe zou ik jouw tenen over kunnen slaan, zulke schoonheden!” zei Oscar
in volle vervoering en hij kuste de bovenkant van haar voet.
“Mmhh,” kreunde Claire. “Dat doe je goed!” Ze sloot haar ogen en begon
haar verhaal.
“Zo’n twee maanden geleden kwam ik vast te zitten bij het schrijven van
het derde deel. Het enige dat ik zeker wist, was dat de geallieerde
invasie er in voor moest komen, verder zat ik muurvast. Ik had
inspiratie nodig, couleur locale, atmosfeer. Ik ben naar deze kust
gereisd. Ik bezocht alle stranden, alle bolwerken, maar het hielp
allemaal niets. Op mijn hotelkamer schoot ik geen letter op. Min of
meer toevallig kreeg ik in een cafeetje in dit plaatsje een lokaal
krantje onder ogen, dat ik om de tijd te verdrijven en bij gebrek aan
ander leesvoer met een cappuccino erbij uitspelde. Ik zag de
advertentie voor een huishoudster in het kasteeltje. Het viel mij op,
dat er speciaal een vrouw op leeftijd werd gevraagd. Nu heb ik mijn
grijze pruik en uilenbril altijd bij mij voor als ik niet door fans
herkend wil worden. Mmhh, ga nog maar even door zo met mijn voetzool en
dan mag je mijn andere voet doen.”
“Wilden ze hier geen referenties, aanbevelingen van vorige werkgevers
en zo?” vroeg Oscar.
“O, ik had van alles verzonnen, geen speld tussen te krijgen. Ik ben
immers schrijfster. Maar ze vroegen nergens naar. De vrouw des huizes
zei alleen maar, dat ik er onaantrekkelijk genoeg uit zag met mijn
lange grijze haar. De vorige huishoudster, een jong en knap ding, was
betrapt met de heer des huizes, vandaar. Ik mocht een dag proefdraaien.
Mijn kookkunsten vielen in de smaak. De volgende dag werd ik aangenomen
en nam ik hier mijn intrek. Een paar dagen later gingen ze weer
allemaal terug naar Engeland, op Percy na, die was zijn paspoort kwijt.
Ik vond het niet erg, dat hij hier bleef, dat gaf wat afleiding. Hij is
erg charmant en geen bewerkelijke klant in de huishouding. Als hij hier
al slaapt, dan staat hij laat op en gaat daarna snel de deur uit, ruzie
maken met zijn ex-vriendin.” Claire kreunde van ontspanning. Oscar was
aan haar andere voet begonnen. “De laatste paar weken was hij druk met
repetities voor de herdenking en heb ik hier het rijk alleen gehad.
Langzaam kreeg ik weer ideeën voor nieuwe personages en verhaallijnen.
Een jonge huishoudster op een kasteel in een kustplaats wordt verliefd
op een geallieerde soldaat die tijdens de invasie gewond is geraakt.
Vanochtend heb ik mij verkleed als de huishoudster in mijn verhaal. Er
hangen hier allerlei oude kleren op zolder. Ik zag jou zitten voor de
fontein met dat bloederige verband om jouw hoofd. Het beeld was
perfect. Ik werd op slag verliefd op jou, net als het personage in mijn
verhaal. En nu blijk jij ook nog mijn grootste mannelijke fan te zijn,
de mysterieuze brievenschrijver. Wat een toeval! Het lijkt wel één van
mijn boeken. Je mag nu mijn kuiten masseren.” Oscar’s handen gleden
omhoog langs haar smalle enkel en bleven rusten op haar kuit. “Wat een
benen…” zuchtte hij.
Claire sloeg haar kamerjas verder open. “Mijn dijen,” kreunde ze. “Ga
verder met mijn dijen.” Zijn handen gleden omhoog. Claire greep zijn
haar vast en drukte zijn gezicht tegen haar onderlichaam. “Kus me
daar,” kreunde Claire. Op haar bevel openden Oscar zijn lippen.
Claire en Oscar zaten rond het middaguur aan een laat ontbijt in de
eetzaal van het kasteeltje.
“Je bent hier dus niet speciaal voor de herdenking?” vroeg Claire.
“O nee, het is een bizarre samenloop van omstandigheden,” antwoordde
Oscar. “Ken je de villa Bellevue, die bovenop de rotsen staat, een paar
kilometer buiten de badplaats?”
“Ik heb er van gehoord,” zei Claire. “Die villa is de oorzaak van de
ruzie tussen Percy en zijn ex-vriendin.”
“Ik heb de villa een paar jaar geleden voor het eerst gezien en toen is
het een obsessie van mij geworden om er ooit te gaan wonen. Eergisteren
wandelde ik langs het huis om het weer te bekijken en daar ontmoette ik
Silvia, de ex-vriendin van Percy. Ze vertelde me dat het spookte in de
villa.” Oscar stopte even. Hij bedacht zich, dat hij zijn
huwelijksaanzoek aan Silvia maar beter niet kon noemen. “Via Silvia heb
ik Percy leren kennen. Die heeft nu een scharrel met Kate, een Engelse
journaliste,” ging hij verder.
“Die heb ik gezien. Ik moest haar van Percy’s vader de deur wijzen. Dat
kwam mij overigens niet slecht uit. Zo’n journaliste is gewend overal
in te wroeten en ze had waarschijnlijk zo mijn vermomming doorzien.”
“Omdat jij haar de deur had gewezen, heb ik haar en Percy mijn
hotelkamer uitgeleend. Percy zei, dat ik hier kon slapen, maar jij deed
niet open.”
“Nee, maar als ik geweten had dat mijn grootste mannelijke fan voor de
deur stond, dan had ik hem wel binnengelaten!”
“Dus je had de bel wel gehoord?”
“Natuurlijk, je stond als een bezetene aan te bellen. Waar heb jij toen
eigenlijk geslapen?”
“In het veldhospitaal,” antwoordde Oscar snel. Zijn weinig succesvolle
serenade onder het vermeende slaapkamerraam van Silvia sloeg hij maar
over. “In het veldhospitaal heb ik mij over laten halen om voor gewonde
soldaat te spelen.”
“Jij werd de soldaat waar ik op slag verliefd op werd, die gisteravond
hier op de stoep stond als een vriend van de zoon des huizes en ook nog
mijn grootste en waarschijnlijk enige mannelijke fan bleek te zijn.
Zo’n samenloop van omstandigheden durf ìk zelfs niet in mijn boeken te
stoppen. Het is dus allemaal begonnen met jouw obsessie voor die villa.
Ik kan mij dat wel voorstellen. Ik heb net zoiets met dit kasteeltje.
Ik heb het gevoel dat het speciaal voor mij gebouwd is en dat ik hier
nooit meer weg moet gaan!”
Ze hoorden het geluid van een jeep die over de oprijlaan van het
kasteeltje reed en voor het bordes stopte. “Mijn pruik en bril liggen
nog boven,” zei Claire verschrikt.
“Blijf zitten,” zei Oscar. “Ik doe zo open en ik zeg wel, dat de
huishoudster even voor een boodschap weg is.”
“En als het Percy is en hij komt naar binnen?”
“Dan stel ik jou aan hem voor,” antwoordde Oscar en hij liep naar het
raam. Hij zag Percy afscheid nemen van Philip en het bordes op lopen.
Percy droeg burgerkleren. De jeep reed weg en Percy maakte de voordeur
open met zijn sleutel. Hij ontmoette Oscar in de hal. “Waar is Claire?”
vroeg hij. “Boodschappen doen,” antwoordde Oscar. “Kom eens mee naar de
eetzaal. Ik wil je aan iemand voorstellen.” Percy liep samen met hem de
eetzaal binnen.
“Percy, dit is de vrouw, die gisteren mijn leven heeft gered,” zei
Oscar. “Claire Branlieu, de bekende schrijfster. Zij heeft mij te
drinken gegeven terwijl ik zwaar gewond op het kerkplein lag.”
Percy kuste Claire op beide wangen, waarbij zijn lippen heel vluchtig
haar huid raakten. “Ik heb van jou gehoord. Mijn moeder is een groot
liefhebster van jouw boeken. Mag ik Claire zeggen? Grappig, je hebt
dezelfde voornaam als onze huishoudster. Weet ze trouwens dat je hier
bent?“
“Jullie huishoudster is er volledig van op de hoogte,” zei Oscar.
“Daarom haalt ze nu extra boodschappen.”
Percy ging aan de ontbijttafel zitten en hij smeerde boter op een
toast. “Het maakt mij natuurlijk jaloers dat onze huishoudster jouw
vriendin wèl binnen laat,” zei hij tegen Oscar.
“Ach!” zei Oscar. “Dat is waar ook. Ik heb jouw paspoort niet kunnen
vinden.”
“Heb je goed onder het matras van die oude tang gekeken?” vroeg Percy.
“Ik heb haar hele bed binnenste buiten gekeerd,” zei Oscar met een
steelse glimlach naar Claire.
“Ben je jouw paspoort kwijt?” vroeg
Claire. “Als ik mijn paspoort kwijt ben, blijkt het achteraf altijd in
een jasje te zitten.”
Percy liet zijn beboterde toast op het bord vallen, stond op en rende
de eetzaal uit. Ze hoorden hem de trap op rennen en even later weer
omlaag. “Gevonden!” riep hij, terwijl hij triomfantelijk zwaaiend met
zijn paspoort de eetzaal binnenkwam. “Dank je wel voor de tip,” zei hij
tegen Claire. “Wat zijn schrijfsters toch slimme mensen.” Hij ging weer
zitten en nam een hap van de toast. Langzaam maalden zijn kaken. Toen
gooide hij de toast weer op het bord en hij staarde somber voor zich
uit.
“Is er iets?” vroeg Claire.
“Ik heb mijn paspoort nu wel gevonden, maar ik heb het nergens voor
nodig. Het is uit met Kate.”
“Ben je erg verdrietig?’ vroeg Oscar.
“Om Kate? Nee! Het was leuk om mijn vader en Silvia te pesten en Kate
is een prachtmeid, maar ik was niet verliefd op haar. Ik wilde het
eigenlijk al langer weer goed maken met Silvia. Dat verdraaide spook in
villa Bellevue!”
“Oscar vertelde mij net dat het daar spookt,” zei Claire. “Ik heb als
schrijfster een beroepsmatige interesse in geestverschijningen. De
geesten van overledenen spelen vaak een belangrijke rol in mijn boeken.
Ik heb mij daarom uitgebreid in het onderwerp verdiept. Persoonlijk ben
ik tot de conclusie gekomen, dat geesten wel degelijk bestaan.”
“Dat zegt Silvia ook,” zei Percy. “Maar er moet toch een gewone
verklaring voor zijn.”
“O, er zal best wel een verklaring voor zijn,” zei Claire. “Alleen
kennen wij die nog niet. En waarom wil je overal een verklaring voor
hebben? Weet jij waarom je verliefd bent op Silvia?”
“Nou gewoon, het is een prachtmeid.”
“Dat zei je daarnet ook van Kate, maar je zei ook dat je niet verliefd
op haar was.”
Percy dacht even na en zei, “Als ik Silvia vertel, dat ik net als haar
geloof dat het spook in de villa echt bestaat, dan is onze ruzie
misschien wel bijgelegd maar het probleem is daarmee nog niet
opgelost.”
“Welk probleem?” vroeg Oscar.
“Dat het spookt in de villa!” riep Percy.
“Silvia wil dolgraag in de villa wonen. Eigenlijk interesseert het mij
helemaal niet of geesten echt bestaan. Ik wil alleen maar dat Silvia
gelukkig is. Ik wil dat ze in villa Bellevue kan wonen, daarom wilde ik
die geest verdrijven en daarom kregen wij ruzie!”
“Is het bekend wiens geest het is?” vroeg Claire.
“Silvia beweert dat het haar oom Auguste is,” antwoordde Percy. “Nou
ja, ze noemt hem altijd oom Auguste, maar eigenlijk was hij een oudoom,
een broer van haar grootvader. Het was nogal een buitenbeentje in de
familie. Hij was kunstschilder.”
“Denk je dat ik een kijkje zou kunnen
nemen in de villa?” vroeg Claire.
“Het spookt er alleen maar na middernacht,” zei Percy.
“Dat is vaak zo,” zei Claire.
“Ik merk dat je er verstand van hebt,” zei Percy vol bewondering.
“Misschien… wacht eens… het is natuurlijk een goede aanleiding om het
onderwerp weer ter sprake te brengen bij Silvia.” Percy stond op en zei
“Blijf hier, ga nergens naartoe, ik bel jullie zo snel mogelijk.” Hij
rende de eetzaal uit.
Een half uur later ging de telefoon in het
kasteeltje. Claire nam de telefoon op in haar rol van huishoudster.
Opgewonden vroeg Percy of Oscar en zijn vriendin er nog waren. Met
moeite kon Claire haar lachen inhouden en ze gaf de hoorn van de
telefoon aan Oscar.
“Hallo, met Oscar.”
“Ha die Oscar, met Percy. Ik ben bij Silvia. Jullie moeten direct
hiernaartoe komen. Weet je waar ze woont?”
Oscar wilde bevestigend antwoorden, maar toen hij zag dat Claire
aandachtig meeluisterde, antwoordde hij snel “Vertel maar!” Na een
omstandige uitleg, waar Oscar geen touw aan vast kon knopen, vroeg
Percy “Jullie kunnen het toch wel vinden, hè.”
“Met jouw duidelijke routebeschrijving zal dat geen probleem zijn.”
“Dan zie ik jullie zo!”
Oscar en Claire gingen direct op pad. Claire had de pruik en de bril in
een tas opgeborgen. Oscar hoefde niet aan te bellen. Silvia en Percy
stonden hen op straat op te wachten. Claire stelde zichzelf voor als
Claire Branlieu. “Ik ben dol op jouw boeken,” zei Silvia. “Wacht eens
even, ik heb jou ergens eerder gezien. Ik kom er wel op. Ik heb een
goed geheugen voor gezichten.”
“Misschien ken je mijn gezicht van de foto achterop mijn boeken?” vroeg
Claire, die bang was dat Silvia haar vermomming als huishoudster zou
ontmaskeren.
“Nu weet ik het weer,” zei Silvia. “Ik heb jou gisteren gefotografeerd
samen met Oscar bij de fontein op het dorpsplein. Jullie foto heeft de
voorpagina gehaald.”
“Vraag maar niet om een percentage van de opbrengst!” zei
Oscar tegen
Claire. “Volgens Silvia was het een openbaar optreden.”
“Ik ben ook niet voor de royalty’s gekomen, maar voor het spook,” zei
Claire.
“Percy vertelde mij dat jij een expert bent op dat gebied,” zei
Silvia. “Laten we direct op weg gaan, dan kunnen jullie zelf de villa
van binnen bekijken.”
“Moeten we niet iets te eten en te drinken meenemen?” vroeg Oscar. “Het
is nog een hele tijd tot middernacht.”
“Daar is voor gezorgd,” zei
Silvia en ze hielp Percy een zware rugzak op zijn rug te hijsen.
Ze liepen over het strand naar het paadje omhoog tussen de rotsen. Op
het terras van villa Bellevue rustten ze uit van de klim. “Wat een
schitterend uitzicht!” riep Claire. Silvia opende met een sleutel de
tuindeuren en ze gingen naar binnen.
“Het ruikt hier helemaal niet
muf,” zei Oscar.
“Ik lucht de villa iedere week,” zei Silvia.
“Wat een mooie ruime zitkamer!” zei Claire.
“De kamer ziet er zo ruim uit, omdat bijna alle meubels weggehaald en
verkocht zijn door de familie,” zei Silvia. “Er staan hier alleen nog
maar wat stoelen en een krakkemikkige tafel en boven staat een oud
tweepersoonsbed.”
Op het behang waren vele rechthoekig plekken te zien, die minder
verschoten waren en waar ooit schilderijen hadden gehangen aan de
haakjes die nog uit de muur staken. Eén schilderij hing er nog, een
doek van forse afmetingen.
“Laat ik jullie voorstellen aan oom Auguste,
dat is zijn zelfportret,” zei Silvia. “Het is het enige schilderij wat
niet verkocht is. Mijn vader heeft mij verteld, dat de erfgenamen het
te ver vonden gaan om een afbeelding van de overledene zelf te gelde te
maken, maar ook dat niemand van de familie het schilderij in zijn
woonkamer wilde hebben. Daarom hangt het hier nog.”
“Wat een prachtig schilderij!” zei Claire. “Vreemd dat niemand het
wilde hebben.”
“Misschien vanwege het onderwerp,” zei Silvia.
Claire liep naar het schilderij en bekeek het aandachtig. Een knappe
man met een weelderige zwarte baard lag lui in het gras met op de
achtergrond een zonnig landschap. Hij droeg niets en zijn mannelijkheid
was duidelijk te zien. “Auguste was fors geschapen,” zei Claire
lachend.
De rest van de middag en de avond brachten ze in de beste stemming door
op het terras van de villa. Silvia en Percy leken hun ruzie te hebben
bijgelegd. Aan niets was te merken dat er ooit een verwijdering tussen
hen was geweest. Luchtige opmerkingen en kwinkslagen vlogen over en
weer. De rugzak, die Percy naar de villa had gesjouwd, bevatte flessen
witte en rode wijn en de ingrediënten voor een rijke maaltijd, die
Silvia en Percy in de keuken van de villa klaarmaakten. De zon ging als
een rode schijf onder in de zee, de schemering viel in en een volle
maan kwam op. Langzaam naderde het middernachtelijke uur. De stemming
raakte bedrukt. Om vijf voor twaalf stonden ze in de woonkamer. Om
klokslag twaalf begon het elektrische licht te knipperen en klonk er
een zacht klagend gekreun, dat door merg en been ging. Om vijf over
twaalf rende Percy door de openstaande tuindeuren naar buiten met zijn
handen tegen zijn oren gedrukt. Om tien over twaalf zei Silvia “Ik ga
even kijken of alles goed is met Percy.” Claire liep de kamer rond.
Oscar liep met haar mee. Bij het zelfportret van Auguste bleven ze
staan. Oscar greep Claire bij de hand. In het knipperende licht stonden
ze voor het schilderij. Dit was de bron van het angstaanjagende geluid!
“Ben je bang?” vroeg Claire.
“Ik sta te bibberen op mijn benen,” zei Oscar.
“Waarom ga je dan niet naar buiten?”
“Ik wil jou hier niet alleen laten.”
“Ik jou ook niet.”
“Laten we dan samen naar buiten gaan,” zei Oscar en hand in hand renden
ze het terras op.
“Hebben jullie iets ontdekt?” vroeg Silvia.
“Ja, maar laten we eerst hier weggaan,” antwoordde Claire. “Weg van dat
vreselijke geluid.”
In het licht van de volle maan daalden ze behoedzaam af langs het pad
tussen de rotsen door naar het strand. Hier was slechts het ruisen van
de branding te horen.
“Het gekerm kwam uit het schilderij,” zei Claire.
“Overduidelijk, ik heb het ook gehoord,” voegde Oscar er aan toe.
“Het klonk als een intens, onbevredigd verlangen,” zei Claire.
“Ja,
afschuwelijk,” zei Percy. “Ik had het idee, dat als ik er nog langer
naar zou moeten luisteren, ik voor de rest van mijn leven impotent zou
worden. Vreselijk!”
“Is er op het kasteeltje toevallig een schilderij van de hand van
Auguste?” vroeg Claire.
“De bibliotheek van het kasteeltje hangt er vol mee,” antwoordde Percy.
“Mijn opa Reginald was een groot bewonderaar van zijn werk en het waren
goede vrienden van elkaar.”
“Is daar ook een vrouwelijk naakt bij?” vroeg Claire.
“Het zijn alleen maar vrouwelijke naakten,” antwoordde Percy lachend.
“Ik heb als jonge jongen heel wat uurtjes doorgebracht in de
bibliotheek van het kasteeltje!”
“Oom Auguste schilderde alleen maar blote vrouwen, daarom was hij
ondanks zijn succes het zwarte schaap van de familie,” zei Silvia.
“Kan ik de schilderijen op het kasteeltje bekijken?” vroeg Claire.
“Natuurlijk!” antwoordde Percy. “Laten we meteen gaan. Ik kan voorlopig
toch niet slapen.”
Zwijgend liepen ze over het maanverlichte strand naar de badplaats. Bij
het kasteeltje aangekomen, zei Claire “Laten we zachtjes praten, anders
wordt de huishoudster wakker.” “Nergens voor nodig,” zei Percy. “Die
oude tang slaapt overal doorheen!”
Ze gingen de trap op naar de bibliotheek. Percy deed het licht aan.
Tegen één muur stonden overvolle boekenkasten, aan de andere muren
hingen kleurrijke schilderijen van wulpse naakte vrouwen in de meeste
bevallige poses. Het was duidelijk dat de schilder vol liefde zijn
modellen had bestudeerd en op het doek had vastgelegd. Claire liep
direct naar een groot doek van een liggend naakt.
“Dat is de laatste aanwinst van mijn opa Reginald,” zei Percy. “Hij
heeft er niet lang plezier van kunnen hebben. Hij was al stokoud toen
hij het van de erfgenamen van Auguste kocht. De schilder wilde er
tijdens zijn leven geen afstand van doen. Het gerucht gaat dat de dame
op het schilderij de harten van zowel mijn opa als van Auguste op hol
had gebracht.”
Ze bekeken het schilderij aandachtig. Een slanke, naakte vrouw lag
leunend op één elleboog in het gras. “Kijk eens naar de achtergrond!”
riep Silvia opgewonden. “Het is hetzelfde landschap als op het
zelfportret in de villa!”
“Kunnen we dit schilderij meenemen naar de villa?” vroeg Claire. “Ik
heb een theorie, die ik graag wil uitproberen.”
“Ik vind het prima,” zei Percy. “Het is wel een eind lopen met het
schilderij.”
“Mijn auto staat hier in de buurt geparkeerd,” zei Claire. “Ik haal hem
direct.”
Oscar liep met haar mee naar de auto, die een paar straten verder
stond. Toen ze terugkwamen bij het kasteeltje, stonden Percy en Silva
al op het bordes te wachten met het schilderij, dat ze gewikkeld hadden
in een laken. Voorzichtig legden ze het schilderij in de kofferbak en
ze reden naar de villa. Het laatste stuk over de onverharde weg gingen
ze stapvoets. Door de ramen van de villa zagen ze het licht, dat ze aan
hadden gelaten, onheilspellend knipperen. Silvia opende de voordeur en
het angstaanjagende gekreun kwam hen tegemoet. Ze droegen het
schilderij naar de zitkamer. Het gekerm van Auguste was nu oorverdovend
en slechts met de grootste wilsinspanning konden ze het
trotseren.
In het flikkerende licht haalden ze het schilderij uit het laken en
hingen het aan een haakje naast het zelfportret. Meteen was het stil in
de villa en het licht brandde ononderbroken.
“Oom Auguste is weer herenigd met zijn geliefde en zijn geest is
eindelijk tot rust gekomen,” zei Silvia.
Oscar gaapte en zei “Na al die commotie ben ik wel toe aan een zacht
bed.”
“Hier hebben jullie de sleutel van het kasteeltje,” zei Percy terwijl
hij zijn arm om Silvia heen sloeg. “Jullie mogen er zolang blijven
logeren als jullie willen. Die oude huishoudster zal wel voor jullie
zorgen!”
“Gaan jullie niet meer terug naar het kasteeltje?” vroeg Claire
verbaasd. “Blijven jullie vannacht hier?”
“Waarom niet?” zei Silvia. “Er staat boven een bed!”
“Dan laten we jullie hier alleen,” zei Oscar en hij liep hand in hand
met Claire naar haar auto.
Die nacht kwam er in de villa Bellevue een nauwelijks hoorbaar geluid
uit beide schilderijen, een zacht, maar hartstochtelijk gekreun, als
bij een heimelijke vrijpartij. Het werd ruimschoots overstemd door de
uitzinnige kreten van Percy en Silvia, die in het oude, krakende bed op
de eerste etage elkaar luidruchtig opnieuw de liefde verklaarden.
Claire en Oscar lagen nog dicht tegen elkaar aan in een diepe slaap
gedompeld in de zolderkamer van het kasteeltje, toen er een luid
gerinkel klonk, dat na een korte pauze zich steeds herhaalde. “Wat is
dat?” vroeg Oscar terwijl hij vanuit zijn slaap rechtovereind
veerde en halfwakker in het eerste ochtendlicht om zich heen keek, op
zoek naar de veroorzaker van de herrie. “Is het een wekker?”
“Nee,” zei Claire lachend, terwijl ze zich behaaglijk uitrekte.
Het gerinkel herhaalde zich weer.
“Wat is het dan?” vroeg Oscar. “Een
brandalarm? Een inbraakalarm?”
“Nee,” zei Claire. “Als huishoudster heb ik het twijfelachtige
privilege van zo’n ouderwetse telefoon op mijn slaapkamer. Zo is het
kasteeltje dag en nacht bereikbaar zonder dat de heer en de vrouw des
huizes het gevaar lopen in hun nachtrust gestoord te worden.” Ze sloeg
het laken van zich af en stond op. Naakt liep ze naar een antiek
telefoontoestel aan de muur. Oscar bewonderde haar lange benen, haar
welgevormde heupen, haar soepele rug. Met een gemaakte kraakstem nam
Claire de telefoon op. Onderdanig beantwoordde ze de zakelijke stem aan
de andere kant van de lijn. Na een kort gesprek hing ze de zwarte hoorn
weer op het toestel. Ze liep terug naar het bed, sloeg de lakens van
Oscar af en ging schrijlings op zijn blote, gespierde buik zitten.
“Laten we geen tijd verspillen,” zei Claire. “Dadelijk moet ik weer de
oude, lelijke huishoudster spelen.”
“Hoezo?” vroeg Oscar. “Wie was dat aan de telefoon?”
“De moeder van Percy. Zij en haar man komen uit Engeland. Aan het einde
van de middag zijn ze hier.”
“Maar dan moet je die vreselijk bril en pruik weer dragen,” zei Oscar.
“En ontzettend chagrijnig doen,” zei Claire lachend. Langzaam schoof ze
omlaag over zijn buik en ze kuste hem op de lippen. Al snel dacht Oscar
niet meer aan brillen, pruiken en oude, nukkige huishoudsters.
Een uur later zaten ze aan de ontbijttafel. Met een broodje in zijn
hand vroeg Oscar aan Claire “Heb je vannacht toen we hier terugkwamen
van de villa Bellevue ook niet een vreemd geluid gehoord toen we langs
de bibliotheek liepen?”
“Ja, nu je het zegt. De planken in de vloer van de bibliotheek kraakten
zachtjes alsof er iemand over heen liep. Ik ben er niet bij stil
blijven staan, want we hadden wel wat beters te doen vannacht!”
“Ja, we kunnen terugkijken op een wel besteedde nacht,” zei Oscar. “En
ochtend,” voegde hij er aan toe, terwijl hij Claire verliefd aankeek.
“De ochtend is nog niet voorbij,” zei Claire lachend. “Er moet nog een
hoop werk verzet worden voordat de oude huishoudster in mij deze
ochtend welbesteed kan noemen!”
“Kan ik je ergens mee helpen?” vroeg Oscar.
“Graag,” antwoordde Claire. “We kunnen dadelijk samen de slaapkamers in
orde brengen en daarna boodschappen doen. Je kunt de tassen sjouwen!”
“Mag ik jou ook helpen koken?” vroeg Oscar. “Ik ben dol op kokkerellen
en ik leer graag de fijne kneepjes van jou. De gestoofde konijn smaakte
verrukkelijk!”
“Dank je wel voor het compliment,” zei Claire. “Ik wil graag met jou
samen in de pannen roeren, maar ik mag niet uit mijn rol van oude
huishoudster vallen. Bedenk wel, dat ik voordurend mijn vermomming moet
dragen zodra ik buiten ben en ook als mijn werkgevers er zijn. Je mag
mij op geen enkele manier verraden! Het roept vast argwaan op als jij
als een schoothondje achter een slecht gehumeurde, oude vrouw aan
loopt.”
“Ik ben bang, dat ik mij niet zal kunnen bedwingen,” zei Oscar. “Daarom
moet ik jou juist helpen in de keuken!”
“Hoezo?” vroeg Claire.
“Culinaire nieuwsgierigheid is de beste dekmantel voor een overdreven
interesse in een oude, chagrijnige huishoudster!” antwoordde Oscar
triomfantelijk.
Tegen het middaguur liep Oscar achter een oude huishoudster met grijs
haar en een grote bril de treden van het bordes van het kasteeltje op.
In zijn beide handen droeg hij zware tassen vol met boodschappen. Hij
hoorde het grind achter zich knarsen en hij draaide zich om. Percy kwam
hijgend aangerend. “Mijn ouders belden daarnet!” riep hij naar Oscar.
“Ze komen hier naartoe!” Oscar wachtte op hem bij de voordeur. Toen
Percy weer op adem was gekomen, sprak hij verder. “Ik heb je proberen
te bellen, maar er nam niemand in het kasteeltje de telefoon op.”
“Ik
was samen met de huishoudster boodschappen aan het doen,” zei Oscar.
“Heeft die oude tang jou daartoe gedwongen?” vroeg Percy
verontwaardigd.
“Nee,” antwoordde Oscar. “Ik heb het haar zelf
voorgesteld. Zij heeft mij beloofd om mij een paar van haar recepten te
leren. Koken is een grote hobby van mij, weet je. Ze heeft mij daarnet
uitgelegd waar ik op moet letten bij het kopen van de ingrediënten.
Vanavond mag ik haar helpen in de keuken. Tenminste, als de komst van
jouw ouders daar geen streep door haalt.”
“Integendeel!” riep Percy. “Ik heb jou en Claire onbeperkte
gastvrijheid aangeboden en daar gaan mijn ouders niets aan veranderen.
Ik ben ook bang dat ik weet wat de reden is van de plotseling komst van
mijn ouders. Mijn vader wil vast over het bedrijf praten en mijn rol
daarin. Jullie aanwezigheid dwingt hem om de stemming luchtig te
houden. Ik heb namelijk zo mijn eigen plannen voor vanavond. Ik wil
samen met Silvia aan mijn ouders vertellen, dat we gaan samenwonen in
villa Bellevue! Trouwens, ik heb mijn moeder al beloofd, dat ze
vanavond kennis kan maken met een bekende en door haar bewonderde
schrijfster.”
“Daar moet ik je helaas in teleurstellen,” verzon Oscar snel. “Claire
moest terug naar Parijs voor een belangrijke afspraak met haar
uitgever, of zoiets.
“Jammer,” zei Percy. “Ook voor jou, bedoel ik.
Nou, dan hoop ik dat die oude huishoudster een beetje aardig voor jou
is.”
“O, ze valt best wel mee,” zei Oscar. “Zolang je maar met haar over
koken praat. Dat is haar lust en haar leven.”
Percy sloeg hem op de schouder en lachte. “Ik weet nu niet wie ik een
oude snoeper moet noemen, jou of de huishoudster! Pas maar op, dat ze
je niet in haar netten verstrikt. Ik zie het al voor mij in de
roddelbladen: beroemde schrijfster Clair Branlieu ontroostbaar, vriend
laat haar in de steek voor bejaarde huishoudster.”
“Mijn relatie met de huishoudster is zuiver culinair, als je dat maar
weet,” zei Oscar met gespeelde verontwaardiging in zijn stem. “Kom je
nog mee naar binnen?”
“Nee, ik moet naar Silvia toe,” antwoordde Percy. “Ik heb nog een zware
klus te klaren vanmiddag. Ik heb mij dan wel voorgenomen om vanavond
samen met Silvia aan mijn ouders te vertellen dat we gaan samenwonen,
maar ik moest eerst Silvia nog zien over te halen.”
“Om met jou samen te wonen?” vroeg Oscar en hij dacht aan het weinig
succesvolle huwelijksaanzoek dat hij haar zelf had gedaan.
“O, nee, ze wil niets liever dan samen met mij in villa Bellevue
wonen!” antwoordde Percy zelfverzekerd. “Ze ziet er alleen niets in om
het aan mijn ouders te vertellen,” voegde hij er iets minder
zelfverzekerd aan toe. “Ze vindt het te ouderwets en te officieel,
alsof we trouwplannen hebben en daarvoor toestemming moeten vragen aan
onze ouders. Ik ben juist apetrots en wil het van de daken schreeuwen!
Nou, succes met de kookles en tot vanavond.” Percy draaide zich om en
liep de treden weer af naar het grindpad. “Tot vanavond!” zei Oscar en
hij zag hoe Percy zich weer omdraaide en naar hem terugliep. “O ja, dat
ben ik nog vergeten te vertellen,” zei hij zachtjes tegen Oscar. “Mijn
zus Monica komt ook mee vanavond. Ze zit momenteel zonder man en dan
zoekt ze altijd haar jachtterrein onder mijn vrienden. De kans bestaat
dat ze jou als geschikte prooi zal zien. Zeker nu Claire er niet is.
Dat je al bezet bent, zal voor Monica alleen maar een extra
aanmoediging zijn, net als jouw, eh…, culinaire relatie met de
huishoudster. Monica heeft nogal een speciale manier om aandacht te
vragen van de mannen waar ze haar oog op heeft laten vallen. Nou ja, je
zult het vanavond zelf wel merken. Je kan mij in ieder geval niet
verwijten, dat ik je niet gewaarschuwd heb.”
De zus van Percy hield
Percy met tekstberichtjes voortdurend op hoogte van de vorderingen van
de reis naar, door en van de kanaaltunnel naar het kasteeltje. De
aankomsttijd was tot op de minuut nauwkeurig in te schatten en het
ontvangstcomité bestaande uit Percy, Silvia, Oscar en de oude
huishoudster hoefde niet lang in de warme middagzon op het bordes te
wachten voordat een grote terreinwagen door het openstaande hek reed en
met knarsend grind onder de wielen voor het kasteeltje tot stilstand
kwam. Een kalende man van middelbare leeftijd, een ongeveer even oude
vrouw met blond geverfd haar en een nog natuurlijk blonde jonge vrouw
van begin twintig stapten uit. Percy begroette zijn ouders en zijn zus
Monica uitbundig, waarna hij hen naar Silvia meenam en er met haar de
nodige beleefheidskussen werden uitgewisseld. Daarna stelde hij Oscar
voor aan zijn familie. Afwezig schudde Oscar vormelijk beleefd de
handen, die hem door meneer, mevrouw en Monica Mayfield werden
toegestoken. Hij had meer aandacht voor Claire, die als huishoudster
totaal genegeerd werd, terwijl ze ijverig de achterklep opende en de
omvangrijke bagage uitlaadde. Zijn vingers jeukten om haar te helpen,
maar hij was bang dat hij daarmee haar incognito in gevaar zou brengen.
“Wat jammer dat Claire Branlieu er niet is,” zei de moeder van Percy.
“Ik had haar zo graag willen ontmoeten. Ik ben een groot liefhebster
van haar boeken.”
“Zo,” zei Monica tegen Oscar. “Jij bent dus een goede vriend van
Percy. Interessant. Hoewel de meeste van zijn vrienden wel iets jonger
zijn.”
Percy lachte en zei “Oscar kan het prima met de huishoudster vinden,
die is meer van zijn leeftijd.”
Meer aanmoediging had Oscar niet nodig en hij liep snel naar Claire toe
om haar te helpen de zware bagage te dragen, de treden van het bordes
op naar de hal van het kasteeltje.
“Ik begrijp niet dat een man iets in die oude vrouw kan zien,” zei
meneer Mayfield.
“Dat is nu precies de reden dat ik haar heb aangenomen,” zei mevrouw
Mayfield. “En haar kookkunst is de reden dat ze mocht blijven.”
Oscar, die dit laatste had opgevangen riep enthousiast “Uw huishoudster
is een drie-sterren-kok!”
“Oscar probeert het oudje haar keukengeheimen afhandig te maken,” zei
Percy lachend.
“Dus daarom doet hij zo aardig voor haar,” zei Monica.
Hoewel er van het begin af aan een zekere dreiging uitging van de
ernstige gezichten van meneer en mevrouw Mayfield, lukte het Percy om
tijdens het aperitief de stemming luchtig te houden. Hij praatte
honderduit over de plannen, die Silvia en hij hadden om de villa
Bellevue in te richten. Door steeds een interieuridee te noemen,
waarvan hij wist dat het niet de smaak van Silvia was, lokte hij haar
tegen haar zin in het gesprek, totdat ook zij het de gewoonste zaak van
de wereld vond om met zijn ouders over hun samenwonen te praten. Monica
Mayfield stond met haar glas mousserende wijn dichtbij Oscar, te dicht
naar Oscar’s idee. Hij voelde zich er tamelijk ongemakkelijk bij en
verzon een culinair excuus om naar Claire in de keuken te gaan. Ook
tijdens de maaltijd ontliep Percy nog even de vermanende toespraak, die
zijn ouders voor hem in petto hadden. Iedereen werd volledig in beslag
genomen door de tongstrelende schotels, die Claire op het hagelwitte
tafellaken zette. Alleen Monica Mayfield wist haar aandacht te verdelen
over het eten en haar tafelheer Oscar, die zij lachend had gevraagd
naast haar te komen zitten, zodat hij niet kon weigeren. Ze at netjes
met mes en vork, maar tegelijkertijd voelde hij onder de tafel
vrijpostige vingers op verkenningstocht gaan in zijn schoot. Het leek
wel of zij drie handen had. Iedere keer als hij haar hand weg wilde
duwen, was deze al weer verdwenen. Haar geraffineerde manipulaties
deden zijn bloed sneller stromen en gaven hem een blos op de wangen,
wat zijn tafelgenoten gelukkig toeschreven aan de heilzame invloed van
de zware bourgognewijn. Net toen het Oscar teveel dreigde te worden,
was de redding nabij. Hij mocht Claire assisteren bij het flamberen van
de flensjes. Nadat de blauwe vlammetjes van de alcohol gedoofd waren en
het dessert door de kelen van de eters was verdwenen, leek er voor
Percy geen ontkomen meer aan. Zijn vader kuchte even plechtig en begon.
“Percy, jouw moeder en ik zijn hier met een speciale reden gekomen. We
willen het over jouw en onze toekomst hebben. Over de toekomst van ons
bedrijf…”
Verder kwam hij niet met zijn betoog. Door het plafond heen klonk een
luide, klagende kreet, die iedereen door merg en been ging. Claire, die
met de koffiekopjes binnen kwam, liet het porselein bijna uit haar
handen vallen.
“Dat kwam uit de bibliotheek,” zei mevrouw Mayfield.
“Is het een zwerfkat, die naar binnen is geslopen en nu opgesloten zit
in de bibliotheek?” vroeg Monica Mayfield.
“Laten we gaan kijken,” zei meneer Mayfield.
Het hele gezelschap inclusief Claire liep de eetzaal uit, de hal in, de
trap op. Weer klonk dezelfde kreet, nu nog harder. “Dat lijkt wel de
stem van mijn vader!” zei meneer Mayfield verbluft. Hij opende de deur
van de bibliotheek. Het was er pikdonker. Zware gordijnen waren voor de
ramen geschoven. Meneer Mayfield liep naar binnen en opende de
gordijnen. Een felle avondzon scheen naar binnen. De bibliotheek werd
aan een grondige inspectie onderworpen. Niets werd er gevonden, dat de
kreten geslaakt kon hebben, geen zwerfkat en ook geen andere
verstekeling. Iedereen liep terug naar de overloop. Meneer Mayfield
sloot de deur van bibliotheek. Nog voor dat hij de klink had
losgelaten, klonk weer dezelfde klagende kreet. “Het is de stem van
mijn vader,” zei meneer Mayfield. “Nu weet ik het zeker.” Hij opende de
deur met een vastberaden gebaar en iedereen gluurde naar binnen in een
donkere ruimte. De gordijnen waren als uit zichzelf weer dichtgegaan.
De heer Mayfield deed de deur weer dicht. Hij wankelde van schrik. Hij
hervond met moeite zijn evenwicht. Met een van angst vetrokken gezicht
zei hij resoluut tegen Claire “We drinken de koffie op het terras.”
Terwijl ze snel met knikkende knieën de trap af liepen, volgden de
ijselijke kreten elkaar in hoog tempo op. Gelukkig was er buiten weinig
van het bovennatuurlijke gejammer te horen. Een liefelijke
zonsondergang kleurde de westelijk hemel in pasteltinten. De zwoele
avondlucht en de sterke koffie verdreven het laatste restje beklemming.
Niemand huiverde er meer en zelf de gelaatstrekken van meneer Mayfield
ontspanden zich.
“Het is de geest van mijn vader, daar in de
bibliotheek,” zei hij met een spottend lachje. “Geen twijfel mogelijk.
Echt iets voor mijn vader om op klaarlichte dag te gaan spoken. Tijdens
zijn leven deugde hij ook al nergens voor. Een beetje fatsoenlijk spook
wacht tot middernacht of in ieder geval tot het donker is.”
“Wat kan zijn geest opgeroepen hebben?” vroeg mevrouw Mayfield. “Heb
jij onlangs iets veranderd in de bibliotheek?” vroeg ze streng aan
Claire.
“De huishoudster kan er niets aan doen,” zei Percy. “We hebben gisteren
een schilderij uit de bibliotheek gehaald en naar villa Bellevue
gebracht.”
“Wie hebben dat gedaan?” ondervroeg meneer Mayfield zijn zoon.
“Ik, Silvia, Oscar en Claire Branlieu, de schrijfster. Het was haar
idee. Jullie weten toch dat het spookt in de villa Bellevue? Nou, sinds
we het schilderij uit de bibliotheek van het kasteeltje naar de villa
Bellevue gebracht hebben, spookt het er niet meer. Daarom kunnen Silvia
en ik er nu gaan samenwonen.”
“Fijn dat het spook in de villa Bellevue zich dan nu dankzij ons
schilderij koest houdt, maar nu spookt het in ons kasteeltje,” zei
mevrouw
Mayfield verontwaardigd.
“Ik heb daarnet in de bibliotheek er niet op gelet of alle schilderijen
er nog hangen, maar ik geloof dat ik kan raden om welk schilderij het
gaat,” zei meneer Mayfield. “Is het soms een liggend vrouwelijk naakt,
de laatste aanwinst van mijn vader?”
“Ja,” zei Percy schuldbewust. “Ik wist dat dit het lievelingsschilderij
van opa Reginald was, maar we dachten dat de vrouw op het schilderij de
geliefde van de oudoom Auguste van Silvia was geweest en dat als we hun
geschilderde portretten herenigden dat dan de geest van Auguste rust
kon vinden. En dat klopte dus ook. We konden toch niet weten, dat de
geest van opa Reginald ook nog zo gesteld was op het schilderij!”
“De vrouw op het schilderij was ook de grote liefde van jouw opa,” zei
mevrouw Mayfield.
“Toch niet tegelijkertijd met Auguste?” vroeg Monica.
“Ahum…” Meneer Mayfield kuchte even en zei daarna snel.
“Tegelijkertijd, ze hadden een driehoeksverhouding.”
“Een driehoeksverhouding!” riep Percy verbaasd.
“En oma Nadine, vond die dat allemaal goed?” vroeg Monica.
Meneer Mayfield hoefde dit keer niet eerst te kuchen, maar aan zijn
stem was te horen dat hij er moeite mee had toen hij zei “Die blote
vrouw op dat schilderij, dat is jullie oma Nadine.”
“Dus daarom was die oude, seniele kunstenaar zo verdrietig op de
begrafenis van oma,” zei Monica.
“Oom Auguste was toen wel al oud, maar nog lang niet seniel,” zei
Silvia beledigd.
“Wacht een even!” riep Percy opgewonden. “Als opa Reginald en oma
Nadine een driehoeksverhouding hadden samen met de oudoom van
Silvia, dan ben ik misschien wel familie van haar.”
“Hoogstens een verre neef,” zei Silvia geruststellend.
“Daar hoeven jullie niet bang voor te zijn,” zei meneer Mayfield. “De
affaire is pas begonnen toen ik acht jaar oud was. Ik heb het allemaal
bewust meegemaakt en ik walgde ervan. Het is de reden geweest, dat ik
nooit zo wilde worden als mijn vader en dat ik een hekel heb aan alles
dat kunstzinnig is en dat ik zo hard gewerkt heb in het
familiebedrijf.”
“Met het bedrijf is het je aardig gelukt,” zei mevrouw Mayfield. “Maar
op andere terreinen lijk je meer op jouw vader dan mij lief is.”
Meneer Mayfield negeerde de toespeling van zijn vrouw en zei “Dat
schilderij van mijn moeder moet terug, we gaan het direct halen.” Hij
stond op en liep van het terras naar de terreinwagen met de autosleutel
in zijn hand. Iedereen liep achter hem aan, ook de huishoudster die met
haar oude kraakstem mopperde “Ik blijf hier niet alleen in dit
spookhuis!” Meneer Mayfield ontgrendelde de portieren met de
afstandsbediening op de sleutel en de auto begroette zijn baas met een
knipoog van de oranje voor- en achterlichten. Meneer Mayfield opende
het voorportier aan de kant van het stuur en klom in de hoge
terreinwagen. Mevrouw Mayfield stapte aan de andere kant voor in. Percy
opende één van de achterportieren en gebaarde Silvia, dat ze plaats
moest nemen op de achterbank. Nog voordat Silvia goed en wel op de met
zwart leer bekleedde achterbank zat, schoof Percy er snel naast. Er was
nu nog één plek over op de achterbank. “Zullen wij tweetjes knus in de
bagageruimte gaan zitten?” vroeg Monica aan Oscar. “Dan kan de
huishoudster met haar oude botten op de achterbank.” Oscar stond een
moment in dubio. Hij gunde Claire graag de comfortabele zitplek, maar
hij zat liever niet samen met de opdringerige Monica opgesloten in de
bagageruime achter de achterbank. Weer schoot Claire hem te hulp in de
ongemakkelijke situatie. Ze opende snel de achterklep en klom in de
bagageruimte. “Ik kan toch niet met de familie op de achterbank,” zei
ze met een gekrenkte beroepstrots in haar krakerige, oude stem. “Ik ben
de huishoudster! Verschil moet er zijn!”
“Zo is het maar net,” zei Monica en ze schoof op de achterbank aan
naast haar broer Percy. “Verschil moet er zijn. Ik ga niet met de
huishoudster achterin zitten.”
Opgelucht klom Oscar in de bagageruimte. Het lukte hem met enige moeite
de achterklep van binnenuit te sluiten. De auto reed knarsend over het
grind naar het hek van het kasteeltje. Claire en Oscar zaten naast
elkaar met hun ruggen tegen achterkant van de achterbank. Uit het zicht
van de anderen hielden ze elkaars hand vast. Even hoefde Claire niet
voor oude huishoudster te spelen. De terreinwagen beschikte over een
uitstekende vering, zodat zelfs de harde vloer van de bagageruimte
voldoende comfort bood, ook toen ze in de schemering de hobbelige,
onverharde weg naar de villa Bellevue opreden. Voor de villa stopte de
terreinwagen en iedereen stapte uit. Silvia deed de voordeur open en
ging naar binnen. Ze knipte een schakelaar op de muur om. Daarna
brandde het elektrisch licht in de hal geruststellend constant zonder
geflikker. Ze liepen door de hal naar de zitkamer van de villa en ook
hier flikkerde het licht niet. In het heldere kunstlicht keek iedereen
verbaasd naar de twee schilderijen, die naast elkaar aan de muur hingen
en waarop een identiek landschap geschilderd was, maar waarop geen
mensenfiguren meer te zien waren. “Auguste en oma zijn uit de
schilderijen verdwenen!” riep Percy. “Ze zijn ervan door gegaan!”
“Auguste en Nadine zijn voor altijd herenigd,” zei Silvia opgelucht.
“Niemand kan ze nu nog van elkaar scheiden. Het zal nooit meer gaan
spoken in de villa.”
“Erg romantisch dat het naaktportret van mijn schoonmoeder geschaakt is
door het portret van jouw oudoom en erg fijn voor jou dat de geest van
jouw oudoom nu eindelijk rust heeft gevonden,” zei mevrouw Mayfield
spottend tegen Silvia. “Maar hoe kalmeren we nu het spook in de
bibliotheek?”
“Ik blijf bij het oorspronkelijke plan,” zei meneer Mayfield. “We nemen
het schilderij mee terug, of mijn moeder er nu op staat of niet!”
“Welk schilderij van de twee is het?” vroeg Monica. “Ze zien er allebei
precies hetzelfde uit.”
“Percy, wat is het schilderij dat jullie uit de bibliotheek van het
kasteeltje hebben gehaald en hier hebben opgehangen?” vroeg mevrouw
Mayfield. “Het linker of het rechter schilderij?”
“Geen flauw idee,” zei Percy. “Ik kan het mij totaal niet herinneren of
we het schilderij nu links of rechts van het portret van Auguste
ophingen.”
“Nee, natuurlijk kan je het je niet herinneren,” zei Silvia. “Je was zo
bang voor het gekerm van oom Auguste en het flikkerende licht, dat je
in de hal bleef staan. Je durfde pas deze kamer binnen te komen toen
het schilderij al hing en het er weer stil was.”
“Wie waren er dan wel bij, toen jullie het schilderij ophingen?” vroeg
meneer Mayfield.
“Eh, ik stond naast Percy in de hal,” antwoordde Oscar.
“Silvia was er bij, die is zo dapper!” zei Percy, enigszins in zijn eer
aangetast.
“Ik kan mij alleen herinneren, dat Claire Branlieu hier stond met het
schilderij in haar handen,” zei Silvia. “Toen ging het licht uit. Toen
het licht weer aan ging, hing het schilderij aan de muur.”
“Dit is toch allemaal onzin!” riep mevrouw Mayfield. “Nadat het gespook
was opgehouden, konden jullie allemaal rustig naar de schilderijen
kijken. Iemand moet zich toch kunnen herinneren welk schilderij er
links hing en welk rechts.”
Percy en Oscar keken schaapachtig voor zich uit.
“Het is net of oom Auguste dat uit mijn geheugen heeft gewist,” zei
Silvia. “Misschien kan Claire Branlieu, de schrijfster, zich meer
herinneren.”
“Die is hier nu niet, dus daar hebben we niet veel aan,” zei meneer
Mayfield.
“Waarom nemen jullie niet allebei de schilderijen mee naar het
kasteeltje?” vroeg een beleefde kraakstem.
Iedereen keek verbaasd naar
de oude huishoudster, die nederig in de deuropening was blijven staan.
Toen draaide de familie Mayfield zich weer van haar af.
“We nemen beide schilderijen mee,” zei meneer Mayfield.
“Dat is een goed plan van jou,” zei mevrouw Mayfield.
“Papa, wat ben je toch slim,” zei Monica Mayfield.
Oscar wilde iets zeggen in het voordeel van de oude huishoudster, maar
hij zag nog net op tijd, dat deze achter de rug van haar werkgevers
heimelijk haar wijsvinger voor haar glimlachende lippen bracht.
Op de terugweg zaten Claire en Oscar weer in de bagageruimte. In plaats
van elkaars hand, hielden ze nu ieder een schilderijlijst vast, zodat
de twee schilderijen op hobbelige weg niet beschadigd raakten. Bij het
kasteeltje aangekomen, hoorden ze buiten al zachtjes de spookachtige
kreten van Reginald. Binnen was het gekrijs oorverdovend. De oude
huishoudster kreeg de opdracht om de schilderijen naar de bibliotheek
te brengen. Oscar bood aan haar te helpen. Iedereen prees zijn moed.
Samen liepen ze de trap op, ieder met een schilderij in de handen. Het
licht op de overloop brandde rustig, maar toen ze het licht in de
bibliotheek aandeden, ging het uiteraard flikkeren. Gelukkig jammerde
Reginald al iets minder hard. In het knipperlicht zetten ze de twee
schilderijen tegen de muur op het parket van de bibliotheek. Nu zweeg
de geest van Reginald. Opgelucht gingen Claire en Oscar weer naar
beneden naar de familie Mayfield en Silvia.
“Dat heb je goed opgelost,” zei mevrouw Mayfield tegen haar man.
“Knap van jou, dat je wist dat opa zou stoppen als we het schilderij
terugbrachten,” zei Monica vol bewondering tegen haar vader.
“Ik laat mij niet door het eerste de beste spook op de kop zitten, ook
al is het mijn eigen vader,” zei meneer Mayfield zelfingenomen.
“Stil eens,” zei Percy. “Ik hoor weer iets in de bibliotheek.”
Dit keer klonk geen gejammer, maar het geluid van twee mannen met hoog
oplopende ruzie.
“Opa Reginald!” zei Percy.
“Oom Auguste!” zei Silvia.
De muren trilden van de woordenstrijd tussen twee geesten. Een derde
geest mengde zich in het conflict. Een betoverend mooie vrouwenstem
sprak de twee mannelijke spoken kalmerend toe.
“Mijn schoonmoeder Nadine!” zei mevrouw Mayfield.
Het werd weer stil in de bibliotheek.
“Ga eens kijken,” zei meneer Mayfield tegen de oude huishoudster. Samen
met Oscar ging zij weer omhoog naar de bibliotheek. Even later riep
Oscar dat ze allemaal naar boven moesten komen. In de fel verlichtte
bibliotheek keken ze naar de twee schilderijen. Op één schilderij stond
een leeg landschap. Op het andere schilderij stonden op de voorgrond
twee mannen met in hun midden een vrouw. Alle drie waren ze naakt. Ze
hielden elkaars handen vast en keken heel gelukkig.
“Oom Auguste is weer terug!” riep Silvia.
“Samen met mijn opa Reginald en oma Nadine,” zei Percy.
“Ze hebben zich verzoend,” zei Silvia.
“Nu is die schandalige affaire voor altijd vereeuwigd,” zei meneer
Mayfield verbitterd.
“Wees blij dat het gespook is opgehouden,” zei mevrouw Mayfield.
“Niemand ziet dat schilderij. We bergen het op achter slot en grendel.”
“Niks daarvan,” zei Silvia. “Het schilderij hoort thuis in de villa!”
“Je mag het andere schilderij meenemen,” zei meneer Mayfield.
“Nee,” zei Silvia. “Dat andere schilderij is van jullie, dat komt hier
uit de bibliotheek. Het schilderij met oom Auguste erop moet terug naar
de villa.”
“Maar daar staan ook opa Reginald en oma Nadine op,” zei Monica. “Die
kwamen hier uit de bibliotheek.”
“Percy, zeg jij eens iets” zei Silvia wanhopig. “Dadelijk gaat het in
de villa weer spoken!”
Percy keek zijn ouders smekend aan. “Mogen wij alsjeblieft het
schilderij met Reginald, Nadine en Auguste voor in de villa? We zullen
er goed op passen.”
Meneer Mayfield dacht na. Hij haalde een schone zakdoek uit zijn
broekzak en veegde ermee langs zijn voorhoofd. “Goed, jullie mogen het
schilderij hebben,” zei hij. “Maar er is wel één voorwaarde aan
verbonden.”
“Wat dan?” vroeg Percy.
“Je komt in het familiebedrijf werken,” zei meneer Mayfield.
“Maar aan die voorwaarde kan ik onmogelijk voldoen,” zei Percy
wanhopig. “Ik wil acteur worden!”
“Dan hebben wij verder niets meer te bespreken,” zei meneer Mayfield
kortaf.
“Kom mee, Silvia,” zei Percy. “We gaan naar de villa.”
“En als het daar weer spookt?” vroeg Silvia.
“Dan slapen we op jouw zolderkamer,” antwoordde Percy. Samen verlieten
ze het kasteeltje. De voordeur viel achter hen met een harde klap
dicht. Mevrouw Mayfield en Monica gingen slapen. Zij waren moe van de
reis en van de belevenissen van die avond. Meneer Mayfield bleef in de
eetkamer zitten met een glas whisky. De huishoudster trok zich terug in
de keuken om de vaat te doen. Oscar sloop achter haar aan. Terwijl hij
haar hielp met de afwas, zei hij tegen Claire “De stem van Nadine leek
wel wat op die van jou, bijna net zo mooi.” Hij pakte een nat, schoon
bord van haar aan en veegde het droog met een theedoek. “Dat doet mij
ergens aan denken. Heeft meneer Mayfield ooit wel eens jouw echte stem
gehoord?”
“Nee, alleen de oude kraakstem die ik gebruik om voor huishoudster te
spelen,” antwoordde Claire.
“Wat dacht je er dan van om jouw rol van huishoudster een kwartiertje
in te ruilen voor die van de geest van Nadine, de moeder van meneer
Mayfield?”
“Waarom zou ik dat doen?” vroeg Claire.
“Om dit spookverhaal een gelukkige afloop te geven voor iedereen, niet
alleen voor de spoken,” antwoordde Oscar. “Dat moet jou als schrijfster
toch aanspreken.”
Peinzend borstelde Claire de laatste pan schoon.
“Denk je dat de spoken het goed vinden?” vroeg ze aarzelend aan Oscar.
“Volgens mij zijn die jou nog iets verschuldigd, na alles wat je voor
ze hebt gedaan. En anders zullen ze het wel laten merken. Je moet het
natuurlijk wel durven. Zelf zou ik het wel eng vinden.”
“Eng?” zei Claire lachend. “Ik heb nog nooit zulke lieve spoken
ontmoet. Kom, laten we het doen. Ik verstop mij in de bibliotheek
achter een gordijn en jij haalt meneer Mayfield.” Ze droogde haar
handen af en liep de keuken uit en stilletjes de trap op naar de
bibliotheek. Oscar ging naar de eetkamer. Meneer Mayfield bood hem een
glas whisky aan. Terloops zei Oscar, dat hij weer iets in de
bibliotheek had gehoord. Hij stelde aan meneer Mayfield voor om samen
polshoogte te gaan nemen. Meneer Mayfield wilde zijn vrouw en zijn
dochter erbij halen, maar Oscar wist hem op andere gedachten te
brengen. Ze konden de dames beter van hun welverdiende nachtrust laten
genieten. Angstig liep meneer Mayfield achter Oscar aan naar de
bibliotheek.
Silvia en Percy hadden ondertussen de villa bereikt. Schilderachtig
stond het oude huis in het maanlicht. Ze durfden niet door de
tuindeuren naar binnen te gaan, voor het geval dat Auguste weer aan het
spoken was geslagen. Gespannen maakte Silvia de voordeur open. Ze deed
het licht in de hal aan. Het flikkerde niet. Ze liepen door de hal naar
de zitkamer. Er heerste diepe rust. Silvia klikte de schakelaar om.
Kunstlicht scheen op de kale muren. “Oom Auguste is voorgoed tot rust
gekomen,” zei Silvia.
“En opa Reginald en oma Nadine ook,” zei Percy.
“Kan het nog goed komen tussen jou en jouw vader?” vroeg Silvia.
“Alleen door een wonder,” antwoordde Percy.
Ze gingen de trap op naar de slaapkamer. Dicht tegen elkaar vielen ze
in het oude bed in slaap. De volgende ochtend werden ze gewekt door
luid getoeter. Percy keek door het slaapkamerraam. Voor de villa stond
een grote terreinwagen. Snel trokken hij en Silvia hun kleren aan en
gingen naar beneden. Zijn ouders en zus stonden voor de deur. Monica
droeg een schilderij, dat in een wit laken gewikkeld was.
“Alles is goed gekomen,” zei meneer Mayfield enthousiast tegen Percy.
“Dankzij jouw oma Nadine. Haar geest is gisteravond nog een laatste
keer in de bibliotheek verschenen. Ze heeft mij opgedragen, dat Monica
mij op moet volgen in het familiebedrijf. Jouw moeder en ik hebben het
vanochtend bij het ontbijt met Monica besproken en ze heeft meteen ja
gezegd.”
“Ik heb er erg veel zin in,” zei Monica. “Je bent toch niet boos, dat
ik de plek inpik, die altijd voor jou was voorbestemd?”
“Integendeel!” antwoordde Percy. “Ik weet zeker dat jij geschikter bent
dan ik.”
“De geest van jouw oma had nog een andere opdracht voor mij, één waar
ik erg blij mee ben,” zei meneer Mayfield. “Ik moet van haar zo snel
mogelijk het kasteeltje verkopen. Ik heb dat zelf ook altijd al gewild.
Ik heb er altijd een hekel aan gehad, maar het nooit van de hand durven
doen omdat het al zo lang in de familie is. Nu mijn eigen moeder het
mij heeft opgedragen kan ik mijzelf er eindelijk van verlossen. Dit
betekent natuurlijk wel, dat jij er niet kan blijven wonen.”
“Dat was ik toch al niet van plan,” zei Percy. “Silvia en ik gaan hier
in de villa wonen.”
“Dan heb jullie hier iets voor aan de muur,” zei
Monica. Ze gaf het schilderij aan Percy en Silvia, die het laken eraf
wikkelden. Het was het schilderij met de naakte Auguste, Nadine en
Reginald.
“Dat was de laatste opdracht van de geest van mijn moeder,” zei meneer
Mayfield. “Nu het kasteeltje te koop wordt gezet, is deze villa de
beste plek voor het schilderij.”
“We blijven niet langer,” zei mevrouw Mayfield. “Onze bagage ligt al in
de auto. Monica wil dat we direct naar Engeland teruggaan.”
“Ik kan niet wachten om aan de slag te gaan in het familiebedrijf,” zei
Monica.
“Veel succes in het zakenleven,” zei Percy. “En voor dadelijk, een
goede reis.”
“Dank je,” zei meneer Mayfield. “En wij wensen jou een roemrijke
loopbaan als acteur toe. We zullen je steunen waar het kan, als we maar
op de prijsuitreiking in Hollywood mogen komen!”
Na een warm en hartelijk afscheid reed de terreinwagen vrolijk
toeterend van de villa Bellevue weg. Percy en Silvia zwaaiden totdat de
auto uit het zicht was verdwenen.
In de warme middagzon wandelden
Claire en Oscar over het strand naar de villa Bellevue. Claire droeg
geen pruik en geen bril. Die ochtend nog had ze als oude huishoudster
mopperend de bagage van de familie Mayfield in de terreinwagen geladen.
Nu was ze weer de beeldschone en beroemde schrijfster van romantische
boeken, die hand in hand met haar geliefde langs de vloedlijn liep.
Over haar schouder droeg ze een kleine tas. Ze klauterden het pad
tussen de rotsen omhoog naar het terras van de villa. Silvia en Percy
zaten er achter een glas wijn.
“Kom er bij zitten!” riep Percy en hij schonk twee wijnglazen voor hen
in. “Heb je nog zaken kunnen doen met jouw uitgever?” vroeg hij
geïnteresseerd aan Claire.
“O, dat is nu achter de rug,” antwoordde Claire ontwijkend.
“Ik heb groot nieuws,” zei Percy. “Mijn vader, moeder en zus kwamen
vanochtend langs. Monica wordt de opvolger in het familiebedrijf. Dit
betekent, dat ik mijn droom kan waarmaken. Ik word acteur!” Ze hieven
het glas en proostten op zijn toekomst. “Mijn vader had ook minder goed
nieuws,” zei Percy. “Hij gaat het kasteeltje verkopen! Jullie kunnen er
niet langer blijven logeren. Zelf zal ik het ook missen.”
“Dan hebben wij goed nieuws,” zei Oscar. “Om te beginnen moet ik de
groeten doen van jouw vader. Hij belde mij een uurtje geleden.”
“Waarvoor moest mijn vader jouw in vredesnaam lastig vallen over de
telefoon?” vroeg Percy verbaasd.
“Om te vertellen, dat hij ons bod op het kasteeltje accepteert.
Binnenkort is het kasteeltje van Claire en mij!”
“Silvia en jij zullen er altijd welkom zijn,” zei Claire. “Het
kasteeltje is groot genoeg!”
“Wat gaan jullie met die oude huishoudster doen?” vroeg Percy. “Houden
jullie haar in dienst?”
“Natuurlijk,” zei Oscar. “Sterker nog, zij mag de mooiste slaapkamer
van het hele kasteeltje uitzoeken.”
Ondertussen haalde Claire de pruik en de uilenbril uit haar tas en
zette ze op.
“Jij was de huishoudster!” riep Percy.
“Ik had al zo’n vermoeden!” riep Silvia. “Ik heb een goed geheugen voor
gezichten.”
“Dus daarom vroeg je eergisteren na onze ontmoeting met de geest van
Auguste naar de schilderijen in het kasteeltje,” zei Percy. “Je wist al
precies waar ze hingen.”
“Zodra ik het zelfportret van Auguste zag, viel mij de gelijkenis op
met dat schilderij in de bibliotheek,” zei Claire.
“Je hebt ons allemaal voor de gek gehouden met jouw vermomming,” zei
Percy. “Als mijn vader had geweten, dat achter de oude huishoudster zo
een mooie vrouw schuil ging, dan had hij jou niet met rust gelaten.”
“O, daar had de geest van zijn moeder vast een stokje voor gestoken,”
zei Oscar.
“Over spoken gesproken,” zei Claire snel, voordat Oscar verder zijn
mond voorbij kon praten. “Hebben jullie het schilderij al opgehangen?”
“Kom maar kijken,” antwoordde Silvia.
Met het wijnglas in de hand gingen ze door de tuindeuren de zitkamer
van de villa binnen. Voor het schilderij hieven zij het glas. Zij
dronken op het bovennatuurlijke geluk van Auguste, Nadine en Reginald.
Het drietal op het schilderij keek goedkeurend toe.
1. De dochter van de droomkoning
2. Cowboy Robert
3. Kapitein Jacob
4. Ontmoetingen
5. Jacob neemt een bad
6. Naar het noorden
7. Picknick
8. De orkaan
9. Feest
10. Het bondgenootschap
11. De bruiloft van de Demiurg
Tristan keek over zijn computerscherm heen naar buiten. Hagel striemde
tegen de ramen van het kantoorgebouw. Vlokken natte sneeuw gleden
smeltend langzaam omlaag langs het glas. Een winterstorm geselde het
land. De dag ervoor, zondag, was nog zonovergoten geweest, meer zomer
dan herfst. Tristan had eenzaam door het goudkleurige bos gedwaald in
plaats van op de drukbevolkte terrassen van de stad naar de
droomprinses te zoeken. In het bos was hij alleen bejaarde wandelaars
tegengekomen en een paar gezinnen met joelende kinderen. Nu was het
winter. Hoe zou hij haar nog op tijd kunnen vinden? De vrouwen op
straat verborgen hun gezichten achter omhooggeslagen kragen en lange
sjaals. Zijn laatste hoop was gevestigd op de overvolle stationshal
waar hij zich na afloop van iedere werkdag een weg moest banen door de
krioelende menigte, maar hij wist dat hij daar eerder onder de voet
werd gelopen dan dat hij de kans kreeg om op de duizenden
uitdrukkingsloze gezichten te speuren naar een gelijkenis met de
dochter van de droomkoning. Tot middernacht had hij de tijd gekregen
van de droomkoning om haar te vinden, anders begonnen zijn nachtmerries
weer. Weken achtereen was hij vrij geweest van de nachtmerries, die
waren begonnen toen hij op één en twintigjarige leeftijd het ouderlijk
huis had verlaten. Drie jaar lang hadden de gruwelijke nachtmerries hem
geteisterd. Ten einde raad had hij zijn toevlucht gezocht in de
tredmolen van de beroepsmatige zielzorg. Na vele doorverwijzingen had
Tristan zich overgeleverd aan een psychoanalyticus, die bekend stond om
zijn radicale behandelmethoden. De man boezemde vertrouwen in dankzij
een professioneel puntbaardje en een smaakvol ingerichte
praktijkruimte. Hij schreef Tristan een zwaar slaapmiddel voor en veel
frisse buitenlucht tijdens de nachtrust. Tristan nam die avond de
slaappil in en had nog net genoeg tijd om het raam van zijn slaapkamer
aan de galerijzijde van de flat wijd open te zetten voordat hij in een
droomloos coma op zijn bed neerviel. De volgende ochtend stelde hij
tevreden vast dat hij geen nachtmerrie had gehad, en daarna iets minder
tevreden dat zijn huis was leeggeroofd. Vier weken later, ruim voordat
de verzekeringsmaatschappij uitsluitsel had gegeven of zijn
inbraakverzekering de schade dekte, had Tristan al zijn spullen
onbeschadigd weer terug. Zijn bezittingen waren tijdens een huiszoeking
gevonden op de zolder van de psychoanalyticus, netjes voorzien van
labels met zijn naam en adres. De huiszoeking was het gevolg geweest
van de aangifte bij de politie door een jonge vrouwelijke patiënte, die
door het puntbaardje bij wijze van behandeling van examenvrees een
donker steegje was ingestuurd, waar hij haar had aangerand. De
psychoanalyticus moest zich verantwoorden voor een intern tuchtcollege,
louter samengesteld uit vakbroeders. Het puntbaardje overtuigde zonder
enige moeite de leden van het tuchtcollege dat hij enkel in het belang
van zijn patiënten had gehandeld, en hij kon verder ijverig doorgaan
met zijn praktijk. Tristan had de geruststellende uitspraak van het
tuchtcollege niet afgewacht en ondertussen besloten voortaan alleen nog
maar zelf de heelmeester van zijn psychische wonden te zijn. Hij zocht
zijn heil op het internet. Hier stuitte hij toevallig op een
eigenaardig Franstalig boek uit 1867, waarin de anonieme auteur op
bloemrijke wijze beschreef hoe hij vanaf zijn dertiende een
gedetailleerd droomdagboek had bijgehouden en daarbij ontdekt had dat
het beschrijven van zijn dromen er op den duur als vanzelf toe had
geleid, dat hij sturing kon geven aan de inhoud er van. Tristan legde
een schriftje en een pen op zijn nachtkastje en hij dwong zichzelf met
bijna bovenmenselijke moed om de angstaanjagende gebeurtenissen uit
zijn droom opnieuw te beleven en in alle bloedstollende details te
beschrijven iedere keer als hij badend in het zweet ontwaakte. Tristan
had zo enkele schriftjes vol gekriebeld toen hij ontdekte, dat dezelfde
moed die hem in staat stelde om zichzelf na zijn ontwaken met de
gedroomde gruwelen te confronteren, hem hielp om zich nog tijdens zijn
slaap uit de beklemmende klauwen van de nachtmerrie te bevrijden. Eerst
leerde hij hoe hij al dromend de griezels van de nacht, die overigens
opvallend vaak een puntbaardje hadden, met vriendelijke woorden
tegemoet kon treden, waarna hun bedoelingen van moordlustig in
menslievend veranderden. Daarna lukte het hem steeds beter om ook het
decor van zijn dromen naar zijn hand te zetten en de stinkende
vuilnishopen met rottende kadavers en de verlaten fabrieksterreinen vol
dodelijke valkuilen te verwisselen voor betoverend schone
sprookjeslandschappen, die bevolkt werden door lieftallige vrouwen. Zo
had hij de droomkoningin ontmoet. Hij liep die droom door een bos,
waarvan de stammen zo dicht op elkaar stonden, dat op enkele kleine
lichtvlekken na de zonnestralen de grond niet raakten. Langzaam weken
de stammen uiteen en werd het lichter. Grote hoekige, met mos begroeide
stenen lagen verspreid over de met dorre bladeren bedekte grond. Toen
hij verder liep zag hij afgebrokkelde muren waar zoet geurende
kamperfoelie tegenop klom. In het midden van de groen overwoekerde
ruïne was een open ronde ruimte waar het zonlicht als een loodrechte
kolom viel op een bron, die uit de grond omhoog welde en een grote
marmeren kom vulde, waaruit het water verder sijpelde in een klein
stroompje. In het zonlicht naast de bron stond een beeldschone vrouw.
Ze was ouder dan hem en had een streng uiterlijk, dat versterkt werd
door de knot zwart haar bovenop haar hoofd. Ze droeg een doorschijnend
gewaad dat als een rood waas om haar volle rijpe vrouwelijke vormen
hing. Hij had haar gadegeslagen, hoe ze haar handen achter het hoofd
bracht om het lange zwarte haar uit de knot bevrijden en los te
schudden, hoe zij haar doorschijnende gewaad langs haar schouders en
heupen omhaag liet glijden, hoe zij met haar slanke handen haar naakte
lichaam afspoelde met het water uit de bron. Hij had de druppels over
haar grote brede borsten zien parelen langs de ronde roze tepelhoven.
Ze had hem gezien en tot hem gesproken “Mijn naam is Guinevere.” Ze
ging op het zachte mos liggen, met haar benen iets opgetrokken en haar
dijen uit elkaar. “Tristan kom!” had ze hem gewenkt met een
onweerstaanbaar verleidelijke stem. Stap voor stap was hij naar haar
toe gelopen en hij was op haar gaan liggen. Hij was naakt en voelde
duidelijk de aanraking met haar fluweelzachte huid. Intens bevredigd
was hij wakker geworden. Nacht na nacht zag hij de droomkoningin in de
ruïne. Nacht na nacht bedreef hij daar de liefde met haar, tot hij een
droom kreeg, waarin zij hem wegvoerde van de ruïne, over een lange
rechte zandweg. Aan weerszijden van de weg stonden steeds op gelijke
afstand ontelbare marmeren beelden van Griekse goden en godinnen. De
spits toelopende pluimen van zuilvormige cipressen reikten omhoog in de
azuurblauwe lucht. De weg werd bochtig en slingerde omhoog naar een
groot kasteel bovenop een kale rood en geel gekleurde rots. Over een
ophaalbrug liepen ze naar binnen door de toegang in een onneembaar
poortgebouw. Ze staken de beschaduwde binnenplaats over. Rondom waren
hoge donkere muren met daarboven een koepel van zinderend licht. De
droomkoningin ging hem voor door een smalle poort naar een grote
ruimte, waarvan het lage gewelf door bogen werd gedragen. Door een
brede boogvormige spleet, die over de hele breedte liep, scheen het
zonlicht naar binnen en weerkaatste op het spiegelende oppervlak van
een met glashelder water gevuld bassin. De marmeren vloer was ingelegd
met een veelkleurig mozaïek van jonge vrouwen die op de ruggen van
dolfijnen door de golven reden. De droomkoningin en Tristan waren
allebei naakt. Ze liepen hand in hand over het mozaïek naar de rand van
het bassin en gingen de marmeren treden omlaag. In het warme water
dreven zij naar het midden van het bassin. De droomkoningen kuste
Tristan op de mond en zo zonken zij verder omlaag, totdat ze de bodem
van het bassin onder hun voeten voelden en zij zich afzetten, omhoog
naar het door de zon verlichtte wateroppervlak. Met een paar slagen
zwommen ze terug naar de treden en druipend liepen ze het water uit. Ze
strekten zich naast elkaar uit op een brede marmeren bank, waarop
zachte dierenvellen lagen, en in de lauwwarme lucht lieten zij zich
drogen. Ze streelden elkaar totdat Tristan gelukzalig wakker werd.
De volgende nacht nam de droomkoningin hem in het kasteel mee over een
lange smalle wenteltrap omhoog. De droomkoningin ging voorop en
verlichtte met een fakkel de smalle treden. Ze droegen allebei een lang
wit hemd tot op de enkels. De fakkel wierp vreemde schaduwen op de
vochtige stenen muur waarbinnen de trap eindeloos omhoog draaide. Na
een bijna oneindige spiraal gingen ze tenslotte door een lage
deuropening een lichte ronde torenkamer binnen. In het midden stond een
hemelbed met een rood fluwelen baldakijn. Rondom waren halfronde ramen
in de dikke muur. In de nis van ieder raam was een bank met kussens van
rood fluweel. Op de banken lagen muziekinstrumenten. Tristan keek door
een raam en zag de zandweg met de marmeren beelden kaarsrecht naar de
horizon lopen. “Dit is de kamer van mijn dochter,” zei de droomkoningin
met een mysterieuze glimlach. Ze liet het witte hemd van haar schouders
glijden. Tristan volgde haar voorbeeld. Naakt liepen ze naar het
hemelbed en gingen er zij aan zij op liggen. Hij voelde haar zachte
boezem tegen zijn schouder.
“Dit is jouw huwelijksbed, als jij dat wilt,” zei de droomkoningin.
“Trouw ik met u?” vroeg Tristan.
De droomkoningin lachte en zei “Nee,
de koning is mijn man.”
“Waar is hij nu?” vroeg Tristan.
“Aan de andere kant van de horizon,” antwoordde de droomkoningin. “Mijn
dochter wordt jouw bruid.”
“Uw dochter?” vroeg Tristan verward.
“Ik roep haar.” Ze klapte in haar handen en riep “Hier!”. De lage
houten deur ging open. Een tengere jonge vrouw van Tristan’s leeftijd
kwam de kamer binnen. Ze had felrode krullen en een fijn knap gezicht.
“Hoe heet je?” vroeg ze.
“Tristan.”
“Dan zijn we voor elkaar voorbestemd. Ik heet Isolde.”
Ze trok haar witte hemd uit en ging aan de andere kant van haar moeder
naast hem op het grote bed liggen. Tristan verroerde zich niet. Moeder
en dochter streelden hem totdat hij licht in zijn hoofd werd en
extatisch lachte.
“Wat wil je liever?” vroeg de droomkoningin. “Het voorjaar of de
zomer?”
“Ik kan niet kiezen,” zei Tristan. “Geen voorjaar zonder zomer en geen
zomer zonder voorjaar.”
“Met mij kun je niet trouwen,” zei de droomkoningin streng. “Ik behoor
de koning toe.”
Ze stond op, trok het lange witte hemd weer aan en liep naar de houten
deur. Voor de half geopende deur bleef zij staan en zei “Voorzichtig
met mijn dochter, ze is nog maagd.” Daarna verdween de droomkoningin in
het gat van de wenteltrap. Isolde kroop dichter tegen hem aan en hij
voelde de warmte van haar lichaam. Hij draaide zich op zijn zij en keek
haar aan. Verliefdheid sprong op in zijn hart en hij kuste haar
voorzichtig op haar rode lippen. Hun lippen raakten elkaar nog, toen
Tristan langzaam uit zijn droom ontwaakte. Nog nooit had hij zich zo
gelukkig gevoeld.
De volgende dromen was hij steeds samen met Isolde. Ze liepen door een
ommuurde boomgaard met bloeiende amandelbomen. Op een bankje onder de
bloesem fluisterden ze zuchtend elkaars naam “Tristan!”, “Isolde!”
Tijdens andere dromen lagen ze op zachte kussens voor een groot
haardvuur, speelde Isolde voor hem op een harp of zaten ze naast elkaar
aan een lange tafel, die overladen was met heerlijke spijzen, terwijl
ze vermaakt werden door potsenmakers en speellieden in bonte kleren.
Dan weer lagen zij naakt naast elkaar in het malse gras. Hij streelde
haar kleine stevige borsten, haar buik en haar benen. In één droom
hadden ze allebei vleugels en wiekten ze langzaam omhoog totdat het
kasteel nog maar nauwelijks zichtbaar op de rots onder hen lag. Hoog in
de lucht voerden ze als tortelduiven een duizelingwekkende baltsvlucht
uit. Steeds werd hij wakker met haar naam op zijn lippen. “Isolde,
Isolde, Isolde!” Op zijn nachtkastje lag geen schriftje meer maar een
schetsblok. Direct na het ontwaken, wanneer het droombeeld van Isolde
nog levendig in zijn herinnering was, schetste hij liefdevol in snelle,
trefzekere halen haar mooie gezicht en haar sierlijke lichaam.
Toen droomde Tristan dat hij naakt in het hemelbed in de torenkamer
lag. Eerst dacht hij dat het warme, naakte vrouwenlichaam naast hem aan
zijn geliefde Isolde toebehoorde. Tot zijn schrik zag hij, dat er geen
rode krullen op het hoofdkussen lagen, maar de lange zwarte haren van
de droomkoningin. Zij rekte zich uit, waarbij haar borsten boven de
lakens kwamen, en keek hem wulps en uitnodigend aan.
“Waar is Isolde?” vroeg Tristan verbaasd.
“Die heb ik weggestuurd!” antwoordde de droomkoningin met een scherpe
lach.
“Waar naartoe?”
“Naar jouw eigen wereld, de wereld van het waken.”
“Waarom?”
“Ik ben jaloers op haar. Dit is ons laatste kans om elkaar te beminnen.
Weldra komt de droomkoning terug van zijn veldtocht. Je kunt hem al aan
de horizon zien.”
Tristan sprong uit het hemelbed en rende naar één van
de halfronde ramen. Als door een telescoop zag hij de droomkoning. Een
angstaanjagende gedaante reed op een groot zwart paard aan het hoofd
van een lange stoet. Hij droeg een harnas dat schitterde in de zon maar
tegelijkertijd dof was van opgedroogd bloed. Hij hield een bebloed
zwaard omhoog in een ijzeren vuist. Op zijn helm droeg hij een gouden
kroon. Zijn vizier was gesloten. Links en rechts van de rechte zandweg
lagen lichamen tussen de gebroken marmeren beelden. Van de statige
cipressen was niets meer over dan verkoolde stammen. Een onafzienbare
optocht van skeletten marcheerde twee aan twee achter het paard van de
koning aan. Rond de skeletten wapperden flarden van rode en blauwe
uniformen en aan de botten hingen lappen rottend vlees. Met hun
knekelhanden hielden zij de vreselijkste wapens vast, in gif gedoopte
speren, gekartelde zaagbladen aan lange stokken en zwaarden die
kronkelden als slangen. Tristan rende terug naar het hemelbed en vroeg
“Wat moet ik doen?”
“Isolde vinden,” antwoordde de droomkoningin. “Alleen dan zal de koning
het jou vergeven, dat jij zijn vrouw hebt begeerd.”
“Maar waar kan ik haar vinden?”
“Daar waar de vrouwen van jouw wereld zijn.”
“En als ik haar niet kan vinden, wat dan?”
“Dan zal mijn man jou voor altijd gevangen houden in zijn kerkers. Dan
zal je voor eeuwig door nachtmerries achtervolgd worden.”
Wanhopig rende Tristan terug naar het raam. De voorhoede van de stoet
slingerde al over de bergweg omhoog naar het kasteel. Hulpeloos keek
hij de droomkoningin aan. Zij sloeg de lakens van haar lichaam. “Kom,
kom, kom!” zei ze als een bezwerende toverformule. “We hebben nog tijd
genoeg voordat hij boven is!” Met grote wilsinspanning wende Tristan
zijn gezicht van haar af en keek weer door het raam omlaag. Ontelbare
skeletsoldaten marcheerden twee aan twee over de ophaalbrug en
verdwenen in het poortgebouw. Tristan hoorde de droomkoning de
wenteltrap oplopen. De stalen voetstap kwam langzaam omhoog. Tristan
rende naar de deur om deze te vergrendelen, maar er was geen deur meer,
alleen nog maar het donkere trapgat. De droomkoningin kwam naast hem
staan en fluisterde “Snel, we hebben geen tijd te verliezen, dadelijk
is hij hier.”
Ze duwde Tristan tegen de muur. Krachtig duwde zij haar lendenen keer
op keer tegen de zijne. Haar zachte borsten raakten zijn blote huid.
Overmeesterd door een alles overheersend gevoel van genot bood hij geen
weerstand. Hij schrok wakker en keek op de wekker, half vijf. De rest
van de nacht durfde hij niet meer te slapen. Hij stond om acht uur op,
hoewel het een zondag was. Het werd die dag schitterend weer. Hij nam
zich voor eerst een korte wandeling te maken in het met herfstkleuren
getooide bos om de beklemming van de droom van zich af te zetten en
daarna de stad in te gaan, op zoek naar de droomprinses. In het bos
raakte hij betoverd door het goudkleurige licht en hij zag er steeds
meer tegen op om zich onder de jonge, modieuze vrouwen in de stad te
mengen, totdat hij er uiteindelijk helemaal van af zag en pas in de
schemering het bos uit liep.
Die nacht sliep hij slecht. Ieder keer wanneer hij in slaap sukkelde
zag hij de droomkoning in een met bloed bevlekt harnas voor hem staan.
De droomkoning greep hem met een ijzeren handschoen bij de keel. Met
zijn andere ijzeren hand klapte hij de vizier van zijn gekroonde helm
omhoog. Hij staarde Tristan aan met lege oogkassen waar vanuit een
verre diepte vlammen naar buiten lekten. “Waar is mijn dochter?” hoorde
Tristan hem brullen met een
metaalachtige stem. “Als je haar niet voor middernacht gevonden hebt,
dan zal ik je voor altijd gevangen houden in mijn kerkers, waar je voor
eeuwig door nachtmerries achtervolgd zal worden.”
Die maandagochtend was Tristan als in een trance naar zijn werk
gereisd. Mechanisch tikte hij daar op het toetsenbord van de computer.
De uren gleden voorbij. In groepjes verlieten zijn collega’s de
steriele kantoorruimte voor de lunchpauze.
“Ga je mee lunchen?” vroeg de mannelijke collega waarmee Tristan zijn
bureau deelde.
“Nee, ik moet nog wat afmaken,”zei Tristan snel als smoes om niet een
half uur lang de pikante verhalen aan te moeten horen van deze geboren
rokkenjager.
“Als je van de honger om wilt komen, moet het zelf maar weten,” zei de
man onverschillig en hij liep het vertrek uit. Tristan zat nu alleen in
de verlaten kantoorruimte en hij staarde wanhopig naar het raam, waar
de harde wind de regen tegenaan zwiepte. Hij had minder dan twaalf uur
om de droomprinses te vinden, anders begonnen zijn nachtmerries weer om
hem nooit meer te verlaten. Plotseling schrok hij op uit zijn
overpeinzingen. In de deuropening stond zijn cheffin, een strenge vrouw
met lang zwart haar, dat zij had opgestoken in een knot boven op haar
hoofd. “Ha, gelukkig, hier zit nog iemand,” zei ze en ze voegde er op
een gebiedende, arrogante toon aan toe “Wil jij deze uitzendkracht even
de weg naar de kantine wijzen. Ik moet nu direct naar een vergadering
met de directeur.” Zijn cheffin klapte in haar handen, gebaarde en riep
“Hier!”, waarna zij gehaast verder liep over de gang. Direct daarna
kwam een tengere jonge vrouw van Tristan’s leeftijd de ruimte binnen.
Ze had felrode krullen en een fijn knap gezicht. Ze legde haar jas, die
ze over een arm droeg, over een bureaustoel en vroeg “Hoe heet je?”
“Tristan.”
Lachend stak ze haar hand naar hem uit en zei “Dan zijn we voor elkaar
voorbestemd, ik heet Isolde.”
Ze grepen elkaars hand en hun handen smolten samen. Isolde keek in zijn
blauwe ogen en zei “We zien elkaar voor het eerst en toch voelt het
alsof we altijd geliefden zijn geweest.”
“Laten we het altijd blijven,” zei Tristan.
Zij vielen elkaar in de armen. De rokkenjager kwam terug van zijn
lunchpauze en zijn mond viel open van verbazing. Isolde fluisterde in
Tristan’s oor “Laten we hier weggaan.” Ze trokken hun jassen aan en
hand in hand liepen zij de lange gang uit. Collega’s die van de kantine
terugliepen naar hun werkplek, keken hen na. In de lift zei Isolde “Ik
laat je nooit meer los.” “We blijven altijd samen,” zei
Tristan. Op de begane grond liepen ze langs de man van de beveiliging
naar de uitgang. Door de draaideur gingen ze naar buiten. Slagregens
waaiden hen in het gezicht. Hand in hand renden zij naar het
dichtstbijzijnde station van de metro.
In de flat van Tristan beminden zij elkaar totdat zij uitgeput en in
elkaar verstrengeld in slaap vielen. Rond het uur waarop de meeste
mensen na een dag werken moe thuiskomen, werden ze wakker met liefde in
hun hart en honger in hun maag. Tristan liep naar de keuken en droeg
een dienblad met een pak melk, twee glazen, een half volkoren brood en
kaas terug naar de slaapkamer. Isolde bladerde in het schetsblok, dat
ze op het nachtkastje had gevonden.
“Dat ben ik,” zei ze verbaasd. “Hoe heb jij deze tekeningen kunnen
maken?”
“Ik ken jou uit mijn dromen,” antwoordde Tristan en hierna vertelde hij
haar over zijn nachtmerries en de opdracht van de droomkoning. Over
Guinevere, de droomkoningin, zei hij niets.
“Jij hebt mij gevonden,” zei Isolde, “en ik hoop dat die enge
droomkoning nu weg blijft.”
“Dat hoop ik ook,” zei Tristan. “En ook dat jij bij mij blijft
vannacht.”
Isolde bleef die nacht en de droomkoning bleef weg. De volgende dag
haalden ze haar spullen op en ze trok bij hem in. Isolde was in
Tristan’s leven gekomen om nooit meer weg te gaan en de droomkoning was
vertrokken om nooit meer terug te komen. Zo leek het. Tristan nam zijn
ontslag tegelijkertijd met het einde van het uitzendwerk van Isolde.
Samen werkten ze in een wasserij. Het werk was zwaar en slecht betaald,
maar zo waren ze de hele dag samen. De winter lang waren ze gelukkig.
Aan het einde van de winter droomde Tristan dat hij wakker lag in zijn
bed met Isolde in diepe slaap naast zich. De slaapkamerdeur ging
langzaam open en een felle, steeds breder wordende spleet licht scheen
de donkere slaapkamer binnen. Tristan knipperde met zijn ogen om aan
het licht te wennen, daarna zag hij door de deuropening een schitterend
landschap van lieflijke heuvels. Hij wilde Isolde wakker maken om samen
door de heuvels te dwalen, maar iets hield hem tegen en hij stond
voorzichtig op uit bed zonder haar te wekken. Hij stapte over de
drempel van de slaapkamer het droomlandschap in. Hij draaide zich om en
de slaapkamer was verdwenen. Overal om hem heen stonden amandelbomen in
bloei. Hij liep over frisgroen gras een heuvel op. Vanaf de top zag hij
een zandweg met marmeren beelden en zuilvormige cipressen en in de
verte een kasteel op een rots. “Kom hier!” hoorde hij naast zich. Hij
draaide zich om. De droomkoningin zat tegen de stam van een bloeiende
amandelboom. Hij zag haar zwarte haren, haar doorschijnende gewaad,
haar boezem. Hij vleide zich naast haar neer en hun lippen ontmoetten
elkaar. Zij trok haar rode gewaad omhoog tot vlak onder haar heupen.
Hij streelde haar. Haar armen strekte ze boven haar hoofd en ze greep
een laaghangende bloesemtak vast. Tristan schrok wakker. Iedere nacht
ontmoette hij de droomkoningin. Steeds bleef het bij schuchtere
minnekozingen. Steeds dichterbij het kasteel waren de nachtelijke
ontmoetingen, eerst onderaan een marmeren beeld van een liefdesgodin
langs de zandweg, later in een spelonk halverwege de rots, tenslotte in
het kasteel zelf, in een verborgen boudoir. Steeds groter was het
gevoel van beklemming als hij ontwaakte uit de droom. Aan Isolde
vertelde hij niets. Tot die ene droom, waaruit hij gillend wakker werd.
Toen moest hij het haar wel vertellen. De droom was begonnen in het
boudoir van de droomkoningin, maar anders dan in de eerdere dromen was
het geen intiem samenzijn. De droomkoningin stond in een lange jurk van
blauwe zijde voor een langwerpige, rechtopstaande spiegel. Ze kamde het
lange, zwarte haar. Tristan zag in de spiegel de angst op haar bleke
gezicht. Haar borstkas ging op en neer door snelle ademhaling. Ze
draaide zich om, liet de borstel uit haar handen vallen en zei met hese
stem “Het spijt mij!” De deur van het boudoir werd open geworpen. Vier
soldaten met getrokken zwaard stormden binnen en grepen Tristan vast.
Ze sleurden hem het boudoir uit, door donkere gangen en wenteltrappen
naar een door fakkels verlichte hal. Voor een hoge, dubbele deur bleven
ze staan. Aan weerszijden van de deur stond een wachter met een lange
lans. De wachters openden de deur en Tristan zag een hoge, fel
verlichte zaal. Links en rechts stonden mannen en vrouwen in prachtige,
kleurige gewaden. Hun gezichten waren vertrokken van angst en pijn.
Achterin de zaal, op een verhoging, zat de droomkoning op een hoge
troon. Hij droeg geen harnas, maar een rode mantel en op zijn hoofd een
gouden kroon. De soldaten trokken Tristan de zaal door, tot voor de
droomkoning. De droomkoning sprak en in zijn stem klonk angst en in
zijn doffe, zwarte ogen brandde geen vuur. “Hij is gekomen om met mijn
dochter te trouwen!” riep hij tegen Tristan. “Waar is zij?” Bijna
smekend vroeg hij nogmaals “Waar is zij?” En daarna vol wanhoop “Hij is
gekomen!
“Wie is gekomen?” vroeg Tristan.
De droomkoning fluisterde “De Demiurg, hij wil met mijn dochter, met
Isolde, trouwen, zodat de voorspelling uitkomt.” Plotseling stortte de
droomkoning zich voorover van zijn troon en hij strekte zich uit op de
verhoging met zijn gezicht omlaag. Het felle licht in de zaal nam af
tot een halfdonker. Tristan voelde de aanwezigheid van een
overweldigende, duistere macht. Hij draaide zich om. In het halfdonker
zag hij hoe iedereen in de zaal zich languit op de vloer had geworpen
met het gezicht omlaag, ook de twee wachters naast de openstaande,
dubbele deur. De boog van de deuropening werd gevuld door een
reusachtig gestalte. Tristan zag het licht van fakkels weerkaatsen op
goudkleurige schubben, die een krachtig, enorm lichaam bedekten. Boven
brede schouders en op een gespierde nek stond een hoofd van een
onbeschrijfelijke, mannelijke en tegelijkertijd kwaadaardige
schoonheid. Razendsnel liep de reus met enkele passen naar Tristan toe
en tilde hem met één hand van de grond. Tristan voelde stalen klauwen
in zijn borst priemen. “Wie bent u?” vroeg hij, snakkend naar adem.
“Ik ben de Demiurg. Breng mij mijn bruid. Breng mij Isolde, zodat de
voorspelling uitkomt!”
De stem dreunde door Tristan’s hoofd. Gillend
werd hij wakker.
“Wat is er?” vroeg Isolde, die ook wakker was geworden
en het licht had aangedaan. “Heb je weer een nachtmerrie gehad, van de
droomkoning?”
“Ja, maar dit keer ook van de Demiurg.”
“De Demiurg? Is die net zo eng als de droomkoning?” vroeg Isolde en ze
sloeg een arm om Tristan, die bevend rechtop zat in zijn bed.
“Veel gruwelijker,” zei Tristan. “De droomkoning is slechts
zijn
dienaar.”
Tristan pakte een schetsblok uit zijn nachtkastje en tekende het
gruwelbeeld uit zijn droom. Hij tekende het krachtige lichaam bedekt
met schubben, de brede schouders en de gespierde nek, en heel
gedetailleerd het gezicht met de onbeschrijfelijke, mannelijke en
tegelijkertijd kwaadaardige schoonheid.
“Wat een griezel!” riep Isolde.
Tristan durfde die nacht en de daarop volgende niet te slapen uit angst
dat de Demiurg terug zou keren in zijn droom. Alleen met de televisie
aan kon hij een hazenslaapje doen, onvoldoende om uit te rusten. Isolde
maakte zich grote zorgen en raadde hem aan om zijn droom te vertellen
op een internetforum, waarop de deelnemers elkaars dromen proberen te
verklaren. Na lang aandringen gaf hij hieraan gehoor en hij melde zich
aan bij het droomforum. Hij raakte in paniek toen hij zijn droom
probeerde te beschrijven en meer dan ’Wie droomt er ook van de
Demiurg?’ kon hij niet intypen. Twee dagen later, het was een
zondagochtend, reageerde er iemand op het forum die gebruik maakte van
de weinig fantasierijke schuilnaam Anoniem en die kortaf verzocht om
een beschrijving van de Demiurg naar een e-mail adres te sturen. Isolde
keek met Tristan mee op het beeldscherm en zei “Die wil geen
pottenkijkers.”
“Ja, die Anoniem doet nogal geheimzinnig,” zei Tristan. “Ik denk dat
het e-mailadres speciaal hiervoor is aangemaakt.” Tristan stuurde naar
het e-mailadres een bericht dat uit slechts één woord bestond:
schubben. “Ik laat voorlopig ook niet het achterste van mijn tong
zien,” zei hij tegen Isolde, die over zijn schouder meekeek. “Dat lijkt
me veiliger. Je weet nooit met wie je te maken hebt. Eerst maar eens te
weten komen of die Anoniem weet waar het over gaat.” Hij zweeg er tegen
Isolde over dat de gedachte een gedetailleerde beschrijving van zijn
ontmoeting met de Demiurg te moeten geven hem van angst vervulde. Even
later kwam het antwoord “Heb je er een tekening van?” Tristan reageerde
met een enkel “Ja.” “Vanmiddag 16:10 u in de Bazaar, kraamnummer 754,
neem de tekening mee, Jacob,” luidde het bericht, dat Tristan en Isolde
op het beeldscherm zagen verschijnen. Tristan keek Isolde vragend aan.
Zij knikte instemmend. Tristan typte “OK ”en ze gingen op weg naar de
overdekte markt. Ruim op tijd bereikten zij de rommelige
ingang van het haveloze gebouw, dat lag onder de met roet bezwangerde
rook van zware industrie. Ze hadden grote moeite om zich door de
mensenmenigte een weg te banen in het doolhof van gangen en winkeltjes
vol exotische producten. Uiteindelijk vonden ze net op tijd het
winkeltje met nummer 754. Het winkeltje was gesloten. Tristan en Isolde
bleven voor het rolluik staan en keken nieuwsgierig om zich heen. Als
uit het niets stond er een lange, atletisch gebouwde man met een blauwe
zeemanspet op naast hen. Hij stak uitnodigend zijn hand uit en zei “Ik
ben Jacob.” Tristan en Isolde schudden zijn hand en stelden zich voor.
“Heb je de tekening bij je?” vroeg de man vriendelijk. Tristan liet de
tekening zien. De man toonde op het kleine scherm van een telefoon een
foto van een gouden beeldje. De gelijkenis met de tekening van Tristan
was verbluffend. De man stopte zijn telefoon weer weg . “Praat er met
niemand over, vooral niet op internet. Ik laat nog van mij horen.” Na
een korte groet verdween hij in de menigte.
“Nou, die zeeman had haast,” zei Isolde. “Zijn boot vertrekt zeker zo.”
“Er zijn hier vlakbij havens,” zei Tristan.
“Ja, maar wie ziet er tegenwoordig nog uit als een zeeman?” zei Isolde.
“Zelfs de weinige mensen die hun geld nog op zee verdienen lopen er
niet
meer zo bij.”
Diezelfde avond was er weer een e-mail van Jacob, gericht aan Isolde en
Tristan. Het was een joviale uitnodiging om hem te vergezellen op een
expeditie naar het hoge noorden. Als ze meewilden, dan konden ze hem
over precies twee weken vinden in de haven van het meest westelijke
waddeneiland. Jacob schreef, dat dit zijn laatste e-mail aan hen was en
dat ze ook niet hoefden te reageren. Hij zou wel zien of ze op kwamen
dagen. Na het lezen van deze e-mail besloten Tristan en Isolde
impulsief om met deze onbekende Jacob mee te gaan. De geheimzinnige
ontmoeting in de bazaar had bij hen beiden de zucht naar avontuur
aangewakkerd. Tot laat op de avond praatten ze opgewonden over allerlei
mogelijke voorbereidingen voor een reis waar ze eigenlijk niets over
wisten, behalve dat de bestemming het hoge noorden was. Met het
tevreden gevoel dat hun niet alledaagse belevenissen te wachten
stonden, gingen ze slapen. Tristan droomde over de drukke bazaar. De
droomkoning of de Demiurg kwam hij er niet tegen en ook de
droomkoningin niet. Uitgerust werd hij wakker. Met de nieuwe dag kwam
ook de twijfel bij Tristan en Isolde over hun besluit om op de
mysterieuze uitnodiging van een wildvreemde in te gaan. Om wat voor
expeditie ging het? Waar naar toe? Hoelang zou de reis duren? De
e-mails die ze aan Jacob stuurden om meer te weten te komen, kwamen
retour met de mededeling dat het e-mailadres niet bestond. Iedere vorm
van tussentijds contact met deze Jacob was onmogelijk. Het nuchtere
verstand kreeg bij Tristan en Isolde de overhand en ze moesten lachen
om de ongebreidelde fantasie waarmee ze de vorige avond over de
geheimzinnige expeditie hadden gefilosofeerd. Tristan had geen
nachtmerrie gehad, dus de ontmoeting in de bazaar had zijn nut bewezen.
Beter was het dan ook om het daar bij te laten. Ze hadden geen enkele
verplichting tegenover die Jacob en de nadelen van een ongewisse reis
schenen hun vele malen groter toe dan de voordelen. Tevreden dat zij
hun gezonde verstand hadden teruggevonden, gingen zij die avond slapen
in het volste vertrouwen dat Tristan voor altijd van zijn nachtmerries
verlost was. Gillend werd hij midden in de nacht wakker. Hij had weer
dezelfde nachtmerrie gehad, waarin hij door soldaten uit het boudoir
van de droomkoningin naar de troonzaal van de droomkoning werd
gesleurd, waar de Demiurg hem met ijzeren greep optilde en hem
toeschreeuwde “Breng mij mijn bruid, breng mij Isolde, zodat de
voorspelling uitkomt!” Hijgend en bevend vertelde hij de nachtmerrie
weer aan Isolde, maar over het boudoir van de droomkoningin zei hij
niets.
“Het is een teken,” zei Isolde. “We moeten met die Jacob meegaan.”
“Je hebt gelijk,” zei Tristan. De rest van de nacht sliep hij zonder
nachtmerries en de gehele volgende nacht ook. Hierna leek het langzaam
aan weer steeds belachelijker dat er enig verband kon bestaan tussen
het optreden van nachtmerries en hun voornemen om met die Jacob op stap
te gaan. Tristan en Isolde lachten voor de tweede maal om hun op hol
geslagen fantasie en ze namen zich voor om voortaan nuchter te blijven
denken. De volgende nacht kwam de droom met de Demiurg weer terug,
gruwelijker en meer levensecht dan ervoor. Het besluit van Tristan en
Isolde stond nu onwrikbaar vast. Ze zouden naar dat waddeneiland gaan
en hun lot in handen leggen van een wildvreemde. Wat moest gebeuren,
dat moest gebeuren. Hierna had Tristan geen last meer van nachtmerries
en zij zagen dit als het beste bewijs, dat het bizarre besluit om mee
gaan met de raadselachtige expeditie het enige juiste was. Heel even
dachten ze eraan, dat dit alles juist de kwade opzet was van de
boosaardige droomfiguren, maar ze vonden dit idee zo onzinnig, dat ze
het meteen weer van de hand wezen. Het belangrijkste was, dat Tristan
niet langer meer in zijn slaap werd lastig gevallen door de
angstaanjagende droomkoning en de gruwelijke Demiurg. Tristan betrapte
zichzelf erop, dat hij het jammer vond, dat hij ook de droomkoningin
niet meer zag, maar daarover vertelde hij niets aan Isolde.
Je bent toch niet bang voor mij,” zei Bianca tegen Robert. Haar stem
klonk vriendelijk, maar tegelijkertijd ook enigszins dwingend. Hij keek
haar aan. Haar kamerjas was open gevallen. Eronder droeg zij op een
slipje na niets. Robert moest bij zichzelf toegeven, dat zij nog zeer
aantrekkelijk was. De gedachte dat ze twintig jaar ouder was dan hij,
deed echter alle lust bij hem verdwijnen. “Kom nou,” zei Bianca. “Je
woont hier nu al twee maanden en je bent nog steeds zo afstandelijk.”
“Hoe laat is het eigenlijk, ik begin trek te krijgen,” zei Robert. “Ik
zou best wel één van jouw heerlijke gehaktballetjes lusten.” Deze
afleidingsmanoeuvre had tot nu toe steeds gewerkt. Als Bianca naar zijn
smaak te opdringerig werd, dan zei hij dat hij honger had. Zij ging dan
direct iets te eten halen. Ondertussen vluchtte Robert dan de trap op
naar zijn zolderkamer, terwijl hij riep dat hij nog een
programmeerklusje op zijn computer af moest maken. Dit keer reageerde
Bianca anders. Ze versperde Robert’s vluchtroute naar de trap en zei
“Daar trap ik niet meer in, je hebt een uur geleden nog gegeten.” Snel
sloeg ze haar kamerjas dicht en knoopte het ceintuur strak om haar
slanke taille.
“Waarom wijs jij mij steeds af?” vroeg ze boos.
“Jij
bent mijn hospita!”
“Hospita! Je weet dat ik een pesthekel heb aan dat woord. Het is
nergens voor nodig om dat woord te gebruiken. Ik heet Bianca en ik
verhuur jouw een kamer. Ik vraag je het nog één keer, waarom wijs jij
mij steeds af? Heb je een vriendin?”
“Nee,” antwoordde Robert naar waarheid, en hij had er direct spijt van.
De uitvlucht was hem op een presenteerblaadje aangereikt en hij was te
sloom geweest om er gebruik van te maken.
“Waarom dan wèl? Zeg het mij!” Haar stem klonk nu gebiedend. Robert
wist dat hij met een goed antwoord moest komen. Hij koos er voor om
verder voort te gaan op het pad van de eerlijkheid en kreeg daar alleen
maar meer spijt van. “Ik vind je nog heel mooi, maar ja, weet je, het
leeftijdsverschil…” Dat had hij niet moeten zeggen. “Je vindt mij een
oud wijf,” riep Bianca woedend. “Ga maar weg. Ga maar naar die kroeg
van jou. Ik wil je vanavond niet meer zien.” Robert maakte dat hij
wegkwam. Zelfs de gevaarlijkste tijgerin is nog niet zo gevaarlijk als
een afgewezen vrouw. In de hal deed hij zijn donkerbruine
vliegeniersjack aan en hij pakte zijn zwarte, breedgerande hoed van de
kapstok. Snel ging hij de voordeur door naar buiten. Door de straten
van het oude vestingstadje ergens in de rivierdelta liep hij naar café
de Zwaan. Dit café was de afgelopen maanden zijn stamkroeg geworden,
niet omdat hij er mensen kende, maar omdat hij er met rust werd
gelaten. Een stijve bries woei langs de huizen. Volgens de kalender was
het voorjaar net begonnen, maar over de vlakke, kale polders langs de
brede rivier werd de ene winterse bui na de andere in snelle
opeenvolging voortgedreven door een snijdende noordwestenwind. Net toen
Robert aan de overkant van de straat het uithangbord met de
onberispelijk witte zwaan aan het oude scheve geveltje zag, begon het
te hagelen. De brede rand van zijn hoed beschermde zijn voorhoofd en
ogen tegen de ijskoude hagelstenen. Hij stak snel de straat over en
ging naar binnen. Hij kwam in een kleine hal die met een rood fluwelen
gordijn was afgeschermd van de gelagkamer. Hij schoof het gordijn opzij
en ging aan een tafeltje zitten buiten de felle lichtbundel van de
lampen boven het biljart. Hij legde zijn breedgerande hoed voor zich op
de tafel en streek met zijn hand door zijn weelderig krullende,
donkerbruine haar. Hij bestelde een glas bier en staarde langs de
grijze biljarters naar de oude mannen aan de toog, die om de bejaarde
bardame zwermden als geile darren om een bijenkoningin.
Zodra Robert de deur uit was, pakte Bianca de stofzuiger. Als ze boos
of verdrietig was ging ze stofzuigen. Dat luchtte altijd enorm op.
Driftig sleepte ze de stofzuiger aan de slang door de kamer en veegde
de zuigmond ritmisch over de vloerbedekking. De haastig gelegde knoop
in het ceintuur van haar kamerjas schoot los en de twee uiteinden van
de ceintuur hingen aan weerzijden van haar welgevormde dijen omlaag.
Haar kamerjas viel open en bedekte niets meer van haar fraai gevormde
en royaal bemeten boezem. Door het lawaai van de stofzuiger had ze de
deurbel niet gehoord. Ook had ze niet gemerkt dat er een man haar huis
was binnen gelopen. Hij was op de drempel van de kamer blijven staan en
keek vol bewondering naar Bianca, hoe zij de stofzuigerstang van zich
af duwde en hoe haar blote borsten naar voren meedeinden en hoe haar
ronde billen zich scherp aftekenden in de kamerjas. Als ze de
stofzuigerstang weer naar zich toe haalde deinde haar boezem weer terug
en kwam trillend tot rust, totdat ze de stofzuigerstang weer van zich
af duwde. Heen en weer slingerde deze verrukkelijke pendule op de maat
van het gejank en geloei van de stofzuiger. De man stond stijf stil
alsof hij gehypnotiseerd was. Met haar blik strak gericht op de
vloerbedekking stootte Bianca met de zuigmond tegen de schoenen van de
man. Het waren grijze bootschoenen. Ze keek omhoog en ze zag een
perfect passende kaki broek. Haar ogen bleven even rusten ter hoogte
van zijn slanke heupen en het kruis in de kaki broek. Haar blik ging
verder omhoog. Een blauwe wollen schipperstrui sloot strak om een
platte, gespierde buik en een atletische borstkas. Boven de openstaande
rits in de hals van de schipperstrui stak een klein plukje grijs
borsthaar uit. Een zwart regenjack hing nonchalant open vanaf brede
schouders. Grijze stoppels bedekten een stel wilskrachtige kaken.
Bianca keek in een paar helderblauwe ogen met een scherpe blik. Even
zwijmelde ze weg. Op zijn hoofd droeg de man een donkerblauwe
marinepet. Bianca schatte de man begin vijftig, tien jaar ouder dan zij
zelf, te oud naar haar smaak, maar nog steeds een lekker hapje, een
echte kerel, niet zo’n melkmuiltje als Robert. De man staarde haar als
betoverd aan. Bianca bracht de stofzuigerstang afwerend omhoog en
richtte de zuigmond van de stofzuiger op het kruis van de man. De man
ontwaakte uit zijn hypnose en hij tilde zijn marinepet even op bij
wijze van groet. Met haar blote voet tikte Bianca tegen de schakelaar
van de stofzuiger en plotseling was het stil in de kamer. Ze hield nog
steeds de stofzuigerstang afwerend voor zich uit.
“Wie ben jij?” vroeg
Bianca.
“Ik ben Jacob.”
“Wat kom je hier doen?”
“Ik kom voor Robert.”
“Die is er niet. Hoe ben je binnen gekomen?”
“De voordeur stond op een kier.”
“Heeft Robert de deur weer niet achter zijn kont dichtgedaan! Wat sta
je daar te staren?”
“Je hebt mooie borsten.”
Bianca realiseerde zich nu pas dat haar kamerjas openhing. Ze stond
voor een dilemma, de stofzuigerstang loslaten en haar kamerjas
dichtknopen of de stang als afweermiddel blijven gebruiken met haar
boezem in volle glorie ontbloot.
Jacob herhaalde vol vuur zijn lofzang. “Jouw borsten zijn de mooiste in
de hele wereld!” Bianca begon zich gevleid te voelen en deze Jacob zag
er zeker niet verkeerd uit. Bovendien, zijn galante vrijpostigheid
beviel haar beter dan de botte schuchterheid van Robert. In één keer
dacht ze aan de truc die Robert steeds gebruikt had om haar te
ontvluchten. “Als je trek hebt, dan kan ik nog wel wat gehaktballen
voor je opwarmen, Jacob.
“Mmm…, gehaktballen, die gaan er wel in!” zei Jacob. “Je
houdt mij toch
wel gezelschap?” Hij keek haar bewonderend aan met zijn helderblauwe
ogen. Bianca liet de stofzuigerstang zakken, haar laatste restje
achterdocht was verdwenen. Ze knoopte haar kamerjas dicht en liep naar
de keuken met Jacob als een hongerig hondje achter haar aan.
Ondertussen zat Robert in het café te piekeren boven zijn bier, een
verlegen jongen, twintig jaar oud, van gemiddelde lengte, met krullend
donkerbruin haar. Zijn jongensachtige gezicht miste nog een krachtige
lijn rond de gladgeschoren kin. Op zijn fraaie gevormde neus stond een
ietwat ouderwets rond montuur. Achter zijn ronde brillenglazen ging een
paar bruine ogen schuil, die het hart van menig meisje sneller had
kunnen laten kloppen, tenminste als hij zijn bril maar eens had afgezet
en zijn verlegenheid had kunnen overwinnen en haar recht in de ogen had
durven kijken, wat hij allemaal tot nu toe nooit had gedurfd. Nu keken
die bruine ogen somber naar zijn bierglas. Wanhopig zocht hij naar een
uitweg uit de hopeloze situatie waarin hij verzeild was geraakt. Uit
idealisme had hij zich aangesloten bij een groep die schandalen rond de
overheid naar buiten bracht op het internet. Van het één was het ander
gekomen en hij had de laatste twee jaar zijn geld bij elkaar
gescharreld met programmeerklusjes in de duistere hoeken van het
internet. Studeren deed hij allang niet meer. Nu programmeerde hij
digitale certificaten voor één van de illegale internetbanken. Robert
wist niet wie zijn opdrachtgevers waren. Hij wist alleen dat de
illegale internetbank goud in bewaring nam en in ruil daarvoor de door
hem geprogrammeerde digitale certificaten uitgaf, die vervolgens op het
internet als ruilmiddel werden gebruikt. Zo konden louche zakenlieden
met één druk op de knop van hun computer enorme bedragen naar elkaar
overmaken, onzichtbaar voor de overheid. Met behulp van de illegale
internetbanken werd op grote schaal belasting ontdoken. Overheden over
de hele wereld hadden de bestrijding van deze hightech cybercrime tot
de hoogste prioriteit verheven. De één na de andere illegale
internetbank werd met behulp van infiltranten van de geheime diensten
opgerold onder het mom van bestrijding van criminaliteit, maar het was
de overheden natuurlijk vooral om de poen te doen. Robert wist dat het
slechts een kwestie van tijd was dat ook zijn opdrachtgevers gepakt
zouden worden. Hij had die middag op het internet
opsporingsactiviteiten waargenomen die angstaanjagend dicht bij hem in
de buurt kwamen. Het net sloot zich strakker om hem heen. Hoe moest hij
nu verder? Hoe kon hij de dans ontspringen en uit de klauwen van de
bloedhonden van de geheime dienst blijven? Hij bestelde bier na bier,
maar daar werd de zaak niet helderder van. Robert leegde net zijn
vijfde glas bier, toen het rode gordijn opzij werd geschoven. Een man
van rond de vijftig kwam het café binnen. De kin van de man was bedekt
met grijze stoppels. Hij droeg een verschoten, egaal blauwe marinepet
met korte klep, een zwart regenjack, een kaki broek waaronder de neuzen
van grijze bootschoenen uitstaken. Hij was van bovengemiddelde lengte
en zijn brede schouders accentueerden zijn voor zijn leeftijd
ongebruikelijk slanke taille. Hij speurde met een scherpe blik de
gelagkamer af zoals een veldheer een slagveld overziet, deed een
bestelling aan de bar en liep met twee glazen bier naar Robert. Zonder
iets te zeggen, zette hij een vol glas naast het lege glas en ging
tegenover hem zitten. Robert keek de atletisch gebouwde man aandachtig
aan. Robert was zelf tenger gebouwd en had van jongs af aan ontzag voor
krachtpatsers. Hij voelde zich geïntimideerd door het ongenode
gezelschap. Was dit een agent van de geheime dienst, een infiltrant? De
man hief zijn glas en zei “Proost, Robert.”
Robert schrok ervan dat de onbekende zijn naam wist. Verward antwoordde
hij “Proost, kapitein!”
“Ik heb liever dat je mij Jacob noemt.”
“Hoe heb je mij hier gevonden, Jacob?”
“Ik heb net kennis gemaakt met Bianca. Wat een schoonheid! Ze heeft de
mooiste borsten van de hele wereld. En wat een warm hart! En wat een
heerlijke gehaktballen! Zij liet zich alleen wat minder positief uit
over haar huurder. Die vond zij nogal afstandelijk.”
“Ik kan inderdaad niet zo goed met haar opschieten,” zei Robert. “Het
ligt niet aan haar. Ik heb moeite met het leeftijdverschil.”
“Dat is jammer,” zei Jacob. “Het is een prachtwijf. Je moet haar de
groeten van mij doen als je dadelijk weer naar huis gaat.”
“Zal ik doen, als ik er aan denk,” zei Robert. “Je hebt nog geen
antwoord op mijn vraag gegeven. Hoe heb je mij hier gevonden en wat wil
je van mij?”
“Wacht eens even, nu zijn het twee vragen. Welke wil je dat ik als
eerste beantwoord?”
Robert probeerde zich te concentreren. Hij moest oppassen wat hij zei.
De man kon een geheim agent zijn. Robert zocht iets om zijn gedachten
te focussen. Hij fixeerde zijn blik op het geborduurde insigne voorop
de sleetse blauwe marinepet, waarop nog net een leeuw en een eenhoorn
herkenbaar waren. Er om heen stonden kleine gouden letters, die nu niet
meer leesbaar waren maar die ooit het motto ‘Honi soit qui mal y pense’
vormden. “Mooie pet,” zei Robert. Jacob tikte trots tegen de klep van
de pet. “Britse Royal Navy, dateert nog uit de Tweede Wereldoorlog.
Voor mij een symbool van verzet tegen de moderne dictatuur van de
overheid. Mooie hoed ook.” Jacob wees naar de breedgerande hoed op de
tafel.
“Dank je voor het compliment. Maar je hebt nog steeds geen antwoord
gegeven op mijn vragen.”
“Vraag me niet hoe, maar onze baas kende het adres waar je hier een
kamer huurt en Bianca vertelde mij dat ik jou hier kon vinden,” zei
Jacob. “Ik had eergisteren onze baas voor de laatste keer over de
telefoon gesproken, uiteraard met een prepaid telefoontje. Hij had
slecht nieuws. Het spel is uit. Ze zitten ons op de hielen. Omdat ik
toevallig in de buurt van jou was en de baas geen telefoonnummer van
jou heeft, vroeg hij mij om jou persoonlijk te waarschuwen. Via het
internet is veel te link, zo dicht zijn ze ons al genaderd. Je moet
alle sporen uitwissen en uiterlijk morgen vertrekken. Je mag zelf
kiezen waarheen. Je bent een vrij man. Tenminste als je uit de handen
van de geheime dienst weet te blijven. Hier, dit kan erbij helpen.” Hij
haalde uit een zak van zijn regenjack een stapel bankbiljetten en
schoof deze over de tafel naar Robert. Robert legde snel zijn hoed er
over heen.
“Wat deed jij voor onze werkgever?” vroeg hij aan Jacob.
“Ik verzorgde de goudtransporten met mijn boot. Weet je al waar je naar
toe gaat?”
“Geen enkel idee,” antwoordde Robert.
“Je kunt met mij meevaren als je wilt. Mijn boot ligt hier midden in
het stadje aan de kade. Wat gezelschap aan boord is nooit verkeerd.”
“Dank je wel,” antwoordde Robert. “Je krijgt mij met nog geen stok aan
boord van een schip. Ik ben als de dood voor alles wat drijft. Zelfs
veerboten mijd ik als de pest. Dat zul jij je wel niet voor kunnen
stellen.”
“Ik vaar mijn hele leven al. Maar laat me eens nadenken, zelf heb ik
het niet zo op honden, daar loop ik met een grote boog om heen.
Gelukkig zijn er weinig honden op zee, alleen zeehonden.” Jacob lachte
om zijn eigen grapje. Robert lachte niet mee maar haalde zijn schouders
op. “Mensen zijn gevaarlijker dan honden.”
“Ben je bang voor mensen?” vroeg Jacob.
“Soms wel.”
“En vrouwen, ben je daar ook bang voor?” vroeg Jacob.
Robert gaf geen antwoord en nipte zwijgend aan zijn bier. Jacob dronk
in één teug zijn glas leeg. “Morgenochtend vertrek ik om acht uur, dan
gaat de sluis speciaal voor mij open. Als je jezelf bedenkt, moet je op
tijd zijn.” “Ay ay kapitein,” zei Robert spottend en salueerde met zijn
hand tegen de zijkant van zijn bril. Jacob was al opgestaan en liep
naar de deur. “Zoek maar een andere matroos om het dek voor jou te
schrobben!” riep Robert hem na. Jacob verdween zonder om te kijken door
het rode gordijn. Robert verzonk in gepeins. Wie was deze man, deze
moderne versie van de Vliegende Hollander? Smokkelde hij inderdaad goud
voor de illegale internetbank? Of was het toch een geheim agent, die er
een pervers genoegen in schepte om een kat en muis spel met hem te
spelen, voordat hij gearresteerd zou worden? Bestond de man wel echt of
was het een geestverschijning, een product van zijn eigen fantasie, een
denkbeeldige gesprekspartner? Was deze geestverschijning een reddende
engel of een zeeduivel die gekomen was om hem met een pikhaak mee te
sleuren naar duistere diepten op de bodem van de oceaan? Robert tilde
zijn hoed op en zag het stapeltje bankbiljetten voor zich liggen. Dit
was echt geld. Veel geld. Dit was het tastbare bewijs, dat het gesprek
echt had plaatsgevonden. Robert stopte het geld in de binnenzak van
zijn vliegeniersjack en zette zijn breedgerande hoed op. Hij betaalde
zijn bier en verliet het café. In de koude buitenlucht kon hij weer
helder denken. Hij besefte dat hij geen tijd mocht verspillen. Hij nam
zich voor om de volgende ochtend vroeg de eerste trein te nemen naar de
grote havenstad, die stroomafwaarts aan de rivier lag, en daar kaartjes
te kopen voor de eerste internationale trein die vertrok, ongeacht waar
naar toe. Lopend door de straten dacht Robert eraan dat Jacob vol
bewondering over Bianca had gesproken, dat hij haar een prachtwijf had
genoemd. Robert betrapte zich erop dat het hem nu opwond om aan Bianca
te denken. Het leek alsof zijn gesprek met Jacob instincten in hem had
wakker geschud, die tot dan toe in diepe lagen van zijn ziel verscholen
hadden gelegen. Aangekomen bij haar huis hing hij zijn jas en zijn
breedgerande hoed aan de kapstok. Bianca zat net op het toilet in de
hal. Robert hoorde de straal op het porselein van de toiletpot
klateren. Daarna hoorde hij haar toiletpapier van de rol afscheuren.
Hij stelde zich voor hoe zij zich met het papier droog depte. Hij
hoorde haar doortrekken. Snel wilde hij de trap oplopen, maar de deur
van het toilet ging al open en versperde hem de weg. Bianca kwam naar
buiten, in haar kamerjas en met een handdoek als een tulband om haar
hoofd gewikkeld.
“Ha die Robert,” zei Bianca vriendelijk. Van woede jegens Robert was
niets meer te merken.
“Je hebt een tulband om,” zei Robert om iets aardigs terug te zeggen.
“Ik heb mijn haar net gewassen,” zei Bianca. Ze boog voorover en de
zware handdoek, die langzaam van haar hoofd gleed, ving ze op in haar
handen. Haar lange kastanjebruin geverfde haar viel naar voren. Met een
zwaai van haar bovenlichaam zwiepte ze het haar weer naar achteren.
Robert zag hoe haar boezem zich in alle volheid aan de binnenkant van
de kamerjas aftekende. Hij herinnerde zich dat Jacob haar borsten de
mooiste van de hele wereld had genoemd. “Je moet de groeten hebben van
Jacob,” zei hij. “Hij noemde jouw een prachtwijf.” Het was eruit voor
hij het zelf door had. Bianca liep naar Robert toe. Ze zette zijn bril
af en legde deze op een tafeltje in de hal. “Je hebt mooie
ogen,
weet je,” zei ze. Ze liet haar handen glijden langs zijn tengere
schouders en langs het zwarte T-shirt, omlaag. “Kom naar boven,” zei ze
op een gebiedende toon en ze trok hem mee naar de trap. Robert kon nog
net zijn zwarte hoed van de kapstok pakken en hij zette de hoed op zijn
hoofd in een poging om een mannelijke houding te vinden. Hij volgde
Bianca de trap op, naar haar slaapkamer, waar hij de afgelopen twee
maanden altijd met een grote boog omheen was gelopen. In de slaapkamer
verspreidde een schemerlampje een omfloerst licht. Bianca maakte de
ceintuur van haar kamerjas los en liet deze van haar schouders glijden.
Robert rook haar zware parfum en hij voelde zich plotseling bevangen
worden door een overweldigende wellust. Bianca pakte de hoed van zijn
hoofd en legde deze op het nachtkastje. Ze trok zijn T-shirt over zijn
hoofd uit en zijn spijkerbroek en boxershorts omlaag. “Ga eens op de
rand van het bed zitten.” Robert gehoorzaamde haar gedwee. Bianca trok
zijn gymschoenen en sportsokken uit en trok zijn spijkerbroek en shorts
van zijn enkels. Hij zat nu volledig naakt op de rand van het bed. Hij
keek de slaapkamer rond. Aan de muur hingen oude filmposters en in een
hoek van de kamer stond een grote rieten pauwenstoel waarop jurken van
Bianca lagen. Bianca zette hem zijn hoed weer op en ging op haar rug op
het bed liggen. Ze stak haar handen uitnodigend naar hem uit en zei
“Kom cowboy, geef je paard de sporen!”
Op zijn zolderkamer klikte Robert zijn draagbare computer aan en wiste
de laatste sporen uit van zijn illegale activiteiten op het internet.
Hij pakte zijn versleten koffer van onder het bed en legde er zijn
schamele bezittingen in, de draagbare computer als laatste bovenop.
Robert sloot de koffer en droeg deze de twee trappen af omlaag. Hij
zette de koffer in de hal en liep naar de keuken. Bianca stond met
opgestoken haar in haar kamerjas voor het fornuis en bakte eieren voor
zijn ontbijt. Zwijgend at Robert aan de keukentafel. Bianca zat
tegenover hem en keek naar hem met een blik die hij niet goed kon thuis
brengen, een mengeling van tedere verliefdheid en trieste berusting.
Als ze jonger was geweest, dan had hij haar gevraagd om met hem mee te
gaan op zijn vlucht. Robert zocht naar woorden, maar voordat hij wat
kon zeggen legde ze haar warme hand op zijn blote onderarm. “Sstt, zeg
maar niets,” fluisterde ze. “Ik weet dat je moet gaan. Jacob heeft het
mij gisteren verteld.” Robert wist niet of hij zijn brood met gebakken
eieren nu extra snel of extra langzaam op wilde eten. Toen het moment
van afscheid was gekomen, kon Robert zijn hoed niet vinden op de
kapstok. Bianca lachte en liep snel de trap op naar haar slaapkamer.
Met de zwarte hoed in haar handen kwam ze terug en ze zette de hoed op
Robert’s krullen.
“Ik zal jouw cowboyhoed missen aan de kapstok,” zei Bianca.
“Je mag hem
houden, als je wilt,” zei Robert.
“Alleen de hoed? Zonder jou erbij? Nee hoor, je zal hem zelf
nog hard
nodig hebben.” Ze duwde hem naar de voordeur. Toen Robert al met zijn
koffer in de deuropening stond, vroeg Bianca hem nog even te wachten.
Ze liep naar de keuken en kwam terug met een zak bevroren gehaktballen.
“Voor jou en Jacob, eerlijk delen,” zei ze lachend. Ze gaf hem een
vluchtige zoen op zijn lippen en een laatste duw de voordeur uit. De
deur sloeg achter Robert dicht en hij ging op weg, met zijn koffer in
de ene hand en een zak bevroren gehaktballen in de andere. Achter zich
hoorde hij door een openstaand raam zachtjes het geluid van een
stofzuiger. Na een paar honderd meter lopen, stopte hij even om de
gehaktballen in de koffer op te bergen. Onder een loodgrijze
ochtendhemel liep hij door het oude vestingstadje naar het station, dat
buiten de vestingwerken lag. Hij kwam bij de brug over het
zijriviertje, dat dwars door het centrum van het oude stadje stroomde.
Robert kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en keek of er soms een
luxueus, supersnel jacht lag met aan boord een breedgeschouderde
goudsmokkelaar met een blauwe marinepet op zijn hoofd. Het vaarseizoen
was nog niet begonnen. De kade was leeg op enkele oude motorvletten na,
de meeste in deerniswekkende staat. Vlakbij de brug lag aan de kade een
stoer, roestig bootje van amper zes meter met een open, onbeschutte
stuurstand achter een klein, laag kajuitje. De motor draaide ploffend
stationair. Op het moment dat Robert langs het bootje liep, stak er een
sleetse, blauwe marinepet boven de kade uit. Robert wilde snel
doorlopen, maar Jacob had hem al gezien.
“Ha die Robert. Je bent
precies op tijd. De sluisdeuren gaan zo open. Het groene licht brand
al.”
Robert dacht aan de gehaktballen.
“Ik heb gehaktballen voor je van Bianca.”
“Prima, kom aan boord.”
“Is die boot wel zeewaardig?” vroeg Robert spottend om zijn angst te
verbergen.
“Zeer zeewaardig,” antwoordde Jacob. “Ieder schip is zo zeewaardig als
de bemanning.”
Deze woorden irriteerden Robert. De clichématige
opmerking van Jacob vatte hij op als een persoonlijk verwijt van
lafheid. Hij zette de koffer op de kade en onhandig stapte hij aan
boord van het bootje.
“Je vergeet je koffer,” zei Jacob. “Ik help je wel even.” Lenig als een
kat sprong hij op de kade. “Vangen!” riep hij en hij wierp de koffer
naar Robert. Robert ving de koffer en probeerde wankelend zijn
evenwicht te bewaren. Jacob was alweer aan boord, maakte bliksemsnel de
landvasten los en stuurde het bootje over het midden van het
zijriviertje naar de openstaande sluisdeuren, terwijl hij omstandig
uitlegde dat hij de landvasten altijd met een speciale knoop vastmaakte
zodat hij snel kon vertrekken. Robert wilde protesteren, eisen dat hij
direct weer aan wal gezet werd, maar zijn stem weigerde. Verlamd van
angst stond hij naast Jacob, die het bootje zonder aan te leggen door
de sluis heen loodste, recht op de grote rivier af. Daar draaide Jacob
vaardig aan het kleine stuurwiel en hij legde de boot met de kop in de
stroom. Met zijn linkerhand hield Robert zich angstvallig vast aan het
dak van de kajuit, met de andere hand duwde hij zijn breedgerande hoed
verder over zijn voorhoofd. Hij staarde naar het zwarte, kolkende water
van de grote rivier. De gure voorjaarswind leek dwars door zijn dikke
vliegeniersjack heen te waaien. Robert voelde zich verkleumen. Het
begon te regenen. Jacob zag hem rillen. “Robert, als je ziek wordt, heb
ik weinig aan je. Trek snel wat warmers aan. Leg meteen de gehaktballen
in de koelbox.”
Robert droeg zijn koffer door de lage, smalle ingang de twee treetjes
af de kajuit in. Binnen trilde alles zwaar met de luid ploffende motor
mee en het rook er naar motorolie. Er was geen stahoogte en Robert
verkende gebukt de kajuit. Rechts van de kajuitingang hing een oude
pin-up kalender. De donkere vrouw op de foto lachte Robert verleidelijk
toe. Ze droeg een jurkje van visnet, dat nauw om haar lichaam sloot en
niets verhulde van haar brede, ronde boezem en haar donkere tepels.
Tegen de linker zijwand, de bakboord wand, stond een chemisch toilet
met erop een afwasteiltje en ernaast een plastic jerrycan met water.
Tegen de wand was een spiegeltje geplakt. Een aan de wand bevestigd
netje met Jacob’s toiletartikelen vervolmaakte de badkamerinrichting.
Er tegenover, tegen de rechter oftewel stuurboord wand, stond een
tweepits gasbrander op een plank. Op het gasstelletje stonden een pan
en een fluitketel. Samen met een koekenpan, twee borden, twee mokken en
wat kromme lepels en vorken was dit de complete keukeninventaris. Onder
de plank stond de koelbox. Het afwasteiltje bovenop het chemisch toilet
deed behalve als wastafel ook dienst als gootsteen voor de keuken.
Voorbij de keuken en de sanitaire voorzieningen was aan weerszijden van
het gangpad een smalle houten bank van ongeveer twee meter lang tegen
de wand van de kajuit gemonteerd. Deze twee banken waren voorzien van
dunne matrassen en op één van de banken lag een uitgerolde slaapzak. De
banken kwamen tot aan het lage vooronder, dat volgestouwd was met een
hoeveelheid proviand waarbij de zak met gehaktballen van Bianca in het
niet viel. Anderhalf liter flessen bronwater per zes verpakt in
krimpfolie, dozen crackers, pakken lang houdbaar roggebrood, blikken
witte bonen in tomatensaus, blikken ragout, blikken goulash, blikken
maaltijdsoep, potten oploskoffie, een kist appels, een kist
sinaasappels, trossen bananen, zakjes pinda’s, heel veel zakjes
pinda’s. Tussen de etenswaren zag Robert een grootverpakking condooms
en een kartonnen doos vol met oude jaargangen van een Engelstalig
tijdschrift, dat rijk geïllustreerd was met foto’s van schaars geklede
vrouwen. “De vrouwen die hierin staan zijn ondertussen net zo oud als
Jacob,” zei Robert in zichzelf. Hij legde zijn koffer op de bank die
vrij was, klapte de koffer open, en haalde er de gehaktballen en een
dikke trui uit. Hij zette zijn hoed af en trok zijn jas uit en legde
deze kledingstukken op de bank naast de koffer. Onder het aantrekken
van de trui slingerde de boot plotseling heen en weer. Robert verloor
zijn evenwicht en stootte genadeloos zijn hoofd tegen het lage dak van
de kajuit. Hij voelde met zijn hand aan zijn hoofd. Geen bloed, wel een
flinke buil. Toen de boot weer wat rustiger lag, deed hij zijn jas aan
en zette zijn hoed op. Zijn koffer schoof hij zo goed als het ging
onder de bank. De gehaktballen stopte hij in de koelbox, die bijna
geheel gevuld was met blikjes bier. Hij ging terug naar het achterdek,
waar de regen overvloedig viel, opgezweept door de wind. Jacob had zijn
handen aan het stuurwiel en tuurde over het kajuitdak heen, onbeschermd
voor de regenvlagen. Het water droop van zijn pet. Hij keek Robert even
aan.
“Je weg gevonden binnen?”
“Laag dak.”
“Je went er snel genoeg aan,” zei Jacob lachend.
“Vies weer.”
“Straks passeert het front en klaart het op.”
“Waar gaan we naartoe?”
“Ik vaar wat rond,” antwoordde Jacob ontwijkend. Duidelijker wilde hij
niet worden. Het vooruitzicht om doelloos rond te dobberen in een
beangstigend klein notendopje op een grote, woeste rivier, verstoken
van alle comfort en in het gezelschap van een man waar hij niets van
wist, sterkte Robert in zijn voornemen om er in de eerstvolgende haven
stilletjes tussen uit te knijpen. Zo goed als mogelijk probeerde hij
beschutting te vinden achter de lage kajuit, half ineengedoken en nog
steeds verkrampt van de kou ondanks zijn dikke trui en zijn gevoerde
vliegeniersjack. Hij bibberde en keek angstig naar de drukke
scheepsvaart op de rivier. Jacob vroeg hem of hij koffie wilde zetten,
net op het moment dat een meterslange kolos hen op een paar armlengtes
afstand passeerde. “Robert, er is oploskoffie en je kunt het beste
mineraalwater gebruiken,” zei Jacob. “Het water in de jerrycan is oud.”
Robert warmde zich bij het gasstel. Toen hij met twee morsige mokken
oploskoffie naar buiten kwam, was het opgehouden met regenen. De wind
nam in kracht af. Aan de horizon verscheen een blauwe streep, die zich
uitbreidde tot een helder blauw vlak, dat het wolkendek verdreef en de
zon met zich meebracht. Waterdamp steeg op van het kajuitdak. Jacob
pakte een mok aan en nipte van de hete vloeistof. Plots riep hij
“Verdraaid!” Hij zette de mok snel op het kajuitdek voor hem en draaide
aan een schakelaar op het bedieningspaneel. De motor stopte. Jacob riep
kortaf “Neem het roer over en hou de punt in de stroom!” Hij opende een
luik in het achterdek, waarin hij met zijn bovenlijf verdween. Robert
pakte het stuurwiel en zag hoe de punt van de boot door de stroom werd
weggezet. Hij draaide aan het wiel, de verkeerde kant op, zodat de boot
dwars op de stroom kwam te liggen. Hij draaide het stuurwiel terug,
maar de vaart was er uit. De boot werd stuurloos naar het midden van de
rivier gedreven. Een luide scheepstoeter klonk, één lange stoot. Robert
keek achterom en zag een groot binnenvaartschip met gestage snelheid
recht op hen af varen. Jacob gooide een handvol slijk overboord en
startte weer de motor, die gelijk aansloeg. Hij stuurde de boot naar de
oever, van de vaargeul af. De aak passeerde op ruime afstand. Het
bootje schommelde op de golven en de mok schoof over het dak van de
kajuit heen en weer.
“Dat was even schrikken,” zei Robert. “Motorpech?”
“Nee, niets aan de hand. De wierpot zat vol. Ik had in de haven nog
alles gecontroleerd. Gelukkig zag ik op tijd dat de temperatuur opliep.
Ik zal jou wegwijs maken met de bediening en de motor, dan kan jij
bijspringen.”
“Wat is een wierpot?” vroeg Robert.
“Dat is het filter dat voorkomt dat het koelsysteem van de motor
verstopt raakt met troep uit het water. Je moet de wierpot regelmatig
controleren of die zelf niet verstopt zit, anders raakt de motor alsnog
oververhit, en je moet natuurlijk voortdurend de motortemperatuur in de
gaten houden.” Jacob wees naar één van de metertjes op het
bedieningspaneel. Jacob greep zijn mok van het kajuitdak en dronk in
één teug het restant koffie. Hij vroeg Robert om een zak pinda’s uit
het vooronder te pakken. Jacob at een paar handjes pinda’s terwijl hij
aan het stuur stond. Daarna leerde hij Robert de besturing van de boot.
Hij vroeg hem het stuur over te nemen en ging de kajuit in om een
waterkaart te pakken. Tot zijn verbazing begon Robert plezier te
krijgen in de boottocht. De zon scheen en de temperatuur was aangenaam.
Op de oever bloeiden de wilgenkatjes. Robert raakte met het stuurwiel
in zijn handen sneller gewend aan het drukke scheepsverkeer en het
schommelen van de boot dan toen hij alleen toeschouwer was. Jacob
warmde een paar van de gehaktballen van Bianca op, die ze met wat
roggebrood erbij opaten. Ze stuurden om beurten. De uren gleden voorbij
als het water onder het schip. De zon zakte en het begon af te koelen.
Het was bijna windstil. Op de oever vormden zich slierten nevel, die
zich van de oever losmaakten en over de rivier zweefden en zich daar
samenvoegden tot mistbanken. Op het bedieningspaneel stond een klein
radiootje, verpakt in een plastic zak. Jacob luisterde naar het
weerbericht, dat voor de avond en nacht dichte mist voorspelde met een
zicht van minder dan vijftig meter.
“We gaan de rivier af. Alles is beter dan in dichte mist tussen de aken
te moeten varen en de mist had op een slechter moment kunnen komen.”
Jacob wachtte totdat er zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts
redelijk zicht was, en stak vol gas de rivier over en voer verder onder
de andere oever, die door een deken van mist bedekt werd. Tot Robert’s
verbazing stuurde Jacob plotseling recht op de kant af, op een plek
waar de muur van mist juist extra ondoordringbaar leek. Het was de
ingang van een plas. Jacob voer langzaam verder, dwars door de
mistbanken heen. Hij verminderde vaart en zette de motor in zijn
achteruit met zo klein mogelijke spoed en liep over het smalle
gangboord naar het kleine voordek. Hij liet het anker zakken. Hij
wachtte tot de ankerketting strak trok en het schip met een lichte
schok tot stilstand kwam. Terug op het achterdek schakelde hij de motor
uit en zei “Voorlopig is het op de plaats rust, we gaan de kajuit in,
eten.” Jacob warmde de overgebleven gehaktballen op en ze dronken
blikjes bier uit de koelbox. Na deze voedzame en weinig gevarieerde
avondmaaltijd, leunde Jacob achterover op zijn bank en liet tevreden
een boertje.
“Goede gehaktballen,” zei Jacob. “Een prachtwijf die Bianca. Je bent
toch nog wel aardig voor haar geweest, nadat je uit de kroeg bij haar
terugkwam?”
“O ja, En zij heel aardig voor mij.”
“Bravo!“ riep Jacob en hij hief zijn bierblikje omhoog. “Gelukkig is
het dan toch nog goed gekomen tussen jullie. Die meid was zo verkikkerd
op jou. Terwijl ik bij haar gehaktballen at was ze aan één stuk door
tegen mij over jou aan het klagen. Waar het hart van vol is, loopt de
mond van over.”
Jacob stak een gaslamp aan. De gloeikous verspreidde een fel licht.
Robert keek de kleine kajuit rond, die er nu knus uitzag. Zij blik
bleef rusten op de pin-up kalender naast de ingang van de kajuit en
daarna dwaalde zijn blik verder naar de doos met oude tijdschriften in
het vooronder.
“Die bladen, die zijn zeker al heel wat waard?”
“Nee, daar zijn ze niet oud genoeg voor,” antwoordde Jacob. “Ik bewaar
ze als een vorm van jeugdsentiment, als herinnering aan de tijd toen
vrouwen zich nog niet op lieten vullen met siliconen. Over siliconen
gesproken, wat weet je van scheikunde?”
“Erg weinig. Ik heb altijd geprobeerd er zo min mogelijk mee te maken
te hebben.”
“Dan weet je zeker niet wat zirkonium is?”
“Dat zijn toch nepdiamanten?”
“Dat is zirkonia, synthetisch zirkoniumoxide in een speciale
kristalstructuur. Zirkonium is een metaal en eigenlijk helemaal niet zo
zeldzaam op aarde. In de aardkost zit meer zirkonium dan koper, zink,
lood en tin bij elkaar opgeteld. Zirkonium komt van nature niet in
zuivere vorm voor op aarde, alleen gebonden in mineralen. Pas aan het
begin van de vorige eeuw is het gelukt om zirkonium in zuivere vorm te
maken.” Jacob haalde van onder zijn kleren een leren zakje
tevoorschijn, dat aan een koord om zijn hals hing. Hij opende het zakje
en haalde er een bolrond zilverkleurig voorwerp uit. Het oppervlakte
was glad op enkele groeven na. Robert wilde het van zijn hand pakken om
het beter te bekijken in het licht van de gaslamp, maar Jacob trok zijn
hand snel terug. “Dit is het kostbaarste wat ik bezit. Het is gemaakt
van zirkonium.”
“Dat zirkonium is toch helemaal niet zeldzaam, dat vertelde je net. Of
is het duur om te maken?”
Jacob bekeek aandachtig de kleine glanzende bol die op zijn handpalm
lag. “De waarde van het zirkonium is verwaarloosbaar. Deze bol is zo
waardevol, vanwege het raadsel dat het omgeeft.”
Jacob leek te aarzelen en er volgde een lange pauze voordat hij weer
het woord nam.
“Wat ik je nu ga vertellen, zal jou vast raar in de oren klinken, maar
je moet niet meteen denken dat ik gek ben.” Robert dacht snel na. Hij
zat gevangen op het schip, midden op het water. Inmiddels was het
buiten donker en de oever was onzichtbaar door de mist. Misschien was
het twintig meter naar de kant, misschien tweehonderd. Het water was in
ieder geval nog ijskoud. Het leek hem het beste om Jacob zo veel
mogelijk te vriend te houden en rustig te luisteren naar zijn bizarre
verhaal over buitenissige metalen die opgesloten in kristallen in de
aardbodem sluimeren totdat het menselijk vernuft hun glans en luister
onthult.
“Ik heb deze zirkonium knikker gevonden in een Vikinggraf op de oever
van een fjord ergens in Noorwegen,” ging Jacob verder. “Het was een
rijke vondst en het meeste heb ik voor aardige bedragen aan
verzamelaars verkocht. De bol heb ik gehouden samen met deze
kleinoden.” Jacob boog voorover en pakte een metalen kistje, dat aan de
onderkant van zijn bank bevestigd was. Jacob opende het kistje, dat
helemaal volgestouwd was met bankbiljetten. Van onder de bankbiljetten
haalde er hij een gouden mantelspeld, een zilveren amulet en een gouden
beeldje uit. De cirkelvormige mantelspeld was rijk versierd met elkaar
grijpende en vervlochten dierenfiguren. De amulet had de vorm van de
hamer van Thor. Het gouden beeldje was een van een gespierd
mannenlichaam dat helemaal bedekt was met schubben. Het kwaadaardige
gezicht van het beeldje was zo gedetailleerd dat het levensecht en
angstaanjagend was. Robert pakte de sieraden en het beeldje één voor
één van Jacob aan en bekeek ze aandachtig. In de voet van het beeldje
waren zeven vreemde tekens gegraveerd.
“Heb je een oud Vikinggraf geplunderd?” vroeg Robert.
Jacob lachte. “Wat archeologen in dienst van de overheid doen, dat noem
ik pas plunderen. Ze nemen alles tot op het laatste botje mee voor
onderzoek in hun laboratoria. Na jaren wordt een klein gedeelte
tentoongesteld en de rest opgeborgen in het depot van een stoffig
museum. Ik heb nog zoveel als mogelijk de stoffelijke resten
gerespecteerd.”
“Waarbij je heel wat minder hebt laten liggen dan diegene die het graf
voor jou al had geschonden.”
“Heel slim. Iemand was mij voor geweest en heeft de bol er
achtergelaten. Dat is de eenvoudigste oplossing voor het raadsel van
een voorwerp van zuiver zirkonium, dat ons nog geen twee eeuwen bekend
is, in een ongeschonden Vikinggraf van meer dan duizend jaar oud. Zelf
heb ik dezelfde truc toegepast. Ik heb een paar oude pijpenkoppen
achtergelaten in het graf. Je-weet-wel, van die waardeloze koppen van
lange Goudse pijpen van klei. Als dwaalspoor voor als het graf na mij
werd gevonden, zodat het leek dat het graf al in de achttiende eeuw
geplunderd was.”
“Nou, dat is dan de oplossing voor dat bolletje, gewoon achtergelaten
door een eerdere bezoeker” zei Robert.
“Nee,” zei Jacob. “Het graf zag er volledig ongeschonden uit en het is
natuurlijk onvoorstelbaar dat iemand een dergelijke schat ongemoeid
laat, maar er wel een bolletje zirkonium achterlaat.” Jacob pakte het
beeldje, wees op de gegraveerde tekens en vroeg “Wat denk je dat dit
zijn?”
“Het komt uit een Vikinggraf, dus het zullen wel runentekens zijn,”
antwoordde Robert.
“Dat dacht ik ook eerst, maar het zijn letters uit het Fenicische
alfabet. Er staat: Demiurg.”
“Het Fenicische schrift, dat is toch veel
ouder dan de Noormannen?” zei Robert.
“O, ja, het beeldje is vast al duizenden jaren oud, maar dat het
uiteindelijk is opgedoken in een Vikinggraf, dat is op zich niet
verbazingwekkend. De Vikingen hebben heel Europa leeggeroofd. Wat het
echt interessant en uniek maakt, dat is de combinatie met de bol van
zirkonium.” Jacob keek Robert even aan, alsof hij twijfelde of hij
verdere moest gaan. Daarna zei hij plechtig “Mijn theorie is dat het
beeldje en de bol afkomstig zijn uit Atlantis.”
“Atltantis?” vroeg
Robert ongelovig. “Dat heeft toch nooit bestaan!”
“Misschien toch wel,” zei Jacob met een mysterieuze klank in zijn stem.
Hij stopte de bol weer in het zakje en hing het om zijn nek. “Ik heb
zelfs aanwijzingen, dat het nog steeds bestaat. De komende dagen hebben
we genoeg tijd om er verder over te praten. Nu ga ik slapen.” Jacob
stond op en hij borstelde zijn tanden boven het teiltje. Hij ging met
het teiltje in zijn handen naar buiten. Robert hoorde luid geklater.
Weer binnen kleedde Jacob zich uit tot zijn ondergoed en ging in zijn
slaapzak liggen. “Je moet het chemisch toilet zo min mogelijk
gebruiken, pissen doe je maar buiten,” zei hij tegen Robert. “En
vergeet niet de lamp uit te doen,” Hij draaide zich om in zijn
slaapzak. Robert haalde zijn tandenborstel uit de koffer en ging met
een mok water naar het achterdek. Het zwarte wateroppervlak was
spiegelglad. Het was aardedonker, op de gloed van de gaslamp na, die
door de kajuitingang naar buiten scheen. Terug in de kajuit deed hij
met enige moeite het deurtje van de kajuit dicht. Bij gebrek aan een
slaapzak ging hij met zijn kleren en zijn jas aan op de bank liggen.
Hij draaide de lamp uit. De gloeikous doofde en hij zag geen hand meer
voor zijn ogen. Jacob ademde regelmatig, met zo nu en dan een snurk.
Robert lag op zijn rug en dacht na over de situatie waarin hij verzeild
was geraakt. Hij lag in een drijvende gevangeniscel naast de man, die
hij pas gisteravond voor het eerst had ontmoet, die hem zojuist
deelgenoot had gemaakt van zijn grootste geheimen, die zijn
waardevolste bezittingen had laten zien. Als hij daar spijt van kreeg,
waar zou hij dan toe in staat zijn? Dat Jacob geen geheim agent was,
maar voor dezelfde illegale internetbank werkte, daar was Robert nu wel
van overtuigd geraakt. Maar misschien had Jacob wel de opdracht om hem
het zwijgen op te leggen en zijn lichaam ergens in het water te gooien.
Robert voelde Jacob’s sterke handen in gedachten om zijn keel en een
radeloze angst maakte zich van hem meester. Robert zou geen partij voor
hem zijn. Zijn enige kans was om hem een stap voor te zijn terwijl hij
nog sliep. Robert lag als verlamd, niet in staat tot het verrichten van
een noodzakelijke gruweldaad jegens de man die hem in vertrouwen had
ingewijd in zijn bizarre fantasiewereld. Aan de andere kant, Jacob had
rustig en zelfverzekerd gesproken en de Vikingsieraden en het gouden
beeldje waren echt. Robert bleef liggen met zijn ogen open, alert op
iedere beweging van Jacob, die sliep als een blok. Buiten klonken
plonsgeluiden, schrille kreten van waterhoenders, gesnater van eenden.
Uiteindelijk dommelde Robert in een onrustige slaap vol dromen van
watermonsters die het schip deden zinken.
Robert werd wakker van het oorverdovende gezang van vogels. In het
zwakke ochtendlicht zag hij dat de slaapzak van Jacob leeg was en dat
het deurtje van de kajuit open stond. Robert stak zijn hoofd uit de
kajuit en op dat moment kwam de zon op vanachter het wilgenstruweel op
de dijk. Felle stralen schenen over de plas. Jacob zat op het achterdek
van het kleine bootje met een mok in zijn hand en hij at een cracker.
“Goedemorgen,” zei Jacob. “Er is heet water in de ketel, je kunt
oploskoffie maken. De crackers heb ik hier al.”
Robert goot heet water in de overgebleven mok, gooide er twee eetlepels
oploskoffie bij en ging bij Jacob op het dek zitten. Het was nog koud,
maar de zon werd steeds krachtiger.
“Waar gaan we vandaag naartoe?” vroeg Robert.
“Ik wil een boot bekijken, ter vervanging van dit schuitje. Voor de
goudsmokkel was dit een ideaal bootje. Niemand verwacht dat er aan
boord van deze roestige schuit iets van waarde verborgen is. Maar de
goudsmokkel is voorbij en deze badkuip heeft zijn dienst gedaan.”
“Waarom werd het goud eigenlijk per boot vervoerd? Met een auto is toch
veel sneller.”
“Haast is nergens voor nodig. Goud bederft niet. Met de auto is gewoon
te link met al die controles langs de weg en dan heb je nog dat gedoe
met nummerplaten. Mijn bootje was volledig anoniem en nog nooit
gecontroleerd. Trouwens, een boot is ook een ideaal onderduikadres. Je
hebt altijd een dak boven je hoofd en je kunt gaan en staan waar je
wilt zonder dat iemand lastige vragen stelt.”
“Heb je veel goud vervoerd?”
“Voor miljoenen,” zei Jacob. “In het begin nog wel tussen klanten
onderling, maar later alleen nog maar van klanten naar het centrale
depot.”
“Dus jij weet waar dat is?”
“Zo ongeveer. Het is een oude mijnschacht, die vol water staat. Ik weet
niet de exacte locatie. Het is ergens in het grensgebied met België.
Maar al zou ik de precieze plek weten, aan die kennis heb ik weinig
zonder een dozijn zware graafmachines. Na mijn laatste transport heeft
de baas de mijnschacht in laten storten. Voorlopig kan niemand meer bij
het goud.”
“Maar is een bank er juist niet op gebaseerd dat men op ieder moment
zijn tegoed weer kan opvragen?” vroeg Robert.
“Dat is zo bij legale banken. Overigens is dat ook maar een illusie.
Die legale banken zijn allemaal feitelijk failliet en worden alleen nog
maar door de overheid overeind gehouden. Die legale banken kunnen dus
niets anders dan braaf de overheid inzage geven in alle transacties.
Daar houden onze klanten niet zo van. En als de overheid het wil, dan
kunnen ze ieder moment een bank failliet laten gaan en dan kan je ook
naar je geld fluiten. Bovendien laat de overheid er momenteel op volle
toeren geld bij drukken om de staatschuld makkelijker af te lossen.
Daar wordt het geld ook niet meer waard van. Onze baas heeft precies
evenveel certificaten uitgegeven als dat er goud in het centrale depot
ligt. En daar komt vanaf nu geen certificaat meer bij. Namaak van de
certificaten is uitgesloten dankzij jouw onkraakbare beveiligingscodes.
Onze klanten betalen elkaar via het internet met de digitale
certificaten alsof het echt goud is, maar dan zonder het risico om
betrapt te worden door de overheid. Het zal je genoegen doen om te
horen, dat de certificaten zo gewild zijn dat ze nu al meer waard zijn
dan de hoeveelheid goud die ze vertegenwoordigen. Het laatste wat de
klanten willen is het inwisselen van hun certificaten en dan weer het
risico lopen gepakt te worden.”
“Dus je denkt dat niemand om zijn goud komt?” vroeg Robert.
“Daar gaat de baas in ieder geval van uit,” antwoordde Jacob.
“Weten de klanten waar het depot is?” vroeg Robert.
“Uiteraard niet. Ook klanten kunnen door de geheime dienst onder druk
gezet worden om de plek te verraden en er zijn genoeg klanten die zelf
de verleiding niet zouden kunnen weerstaan.”
“Maar dan nemen de eigenaren van de certificaten er dus genoegen mee
dat hun goud ergens op een voor hun onbekende plaats opgeborgen is en
ze kunnen het ook niet controleren,” zei Robert. “Zij moeten wel heel
veel vertrouwen hebben dat het allemaal klopt.”
“Vertrouwen is alles,”
zei Jacob.
“Ook in het illegale circuit?” vroeg Robert.
“Juist in het illegale circuit. Je kan dan moeilijk met een probleempje
naar de rechter gaan. Maar ja, er zitten wel lui tussen, die je geen
loer moet draaien. Dan zal hun wraak vreselijk zijn. Het is dus zaak
dat we uit handen blijven van de geheime dienst. Een gevangenisstraf is
op zich al geen lolletje, maar als onze klanten het idee hebben dat wij
ze verlinkt hebben, dan kunnen die de gevangenis tot een ware hel
maken. Overigens zullen sommige klanten als ze mij weer eens toevallig
tegenkomen ook geen middel schuwen om de bewaarplaats van het goud van
mij los te peuteren.”
“Ja, dan is het wel verstandig om op een sneller schip over te
stappen!” zei Robert lachend. “Die lui hebben vast allemaal een
speedboot!”
“Ik denk zelf meer aan een zeilboot,” zei Jacob. “Midden op de oceaan
kun je geen brandstof tanken. Ik zoek een speciaal type, ongeveer
twaalf meter lang met een stuurhutje en twee masten, de voormast met
een gaffelzeil en de achtermast met een kleiner torenzeil. En een
boegspriet waarop meerdere voorzeilen kunnen.”
“Klinkt erg romantisch, zo van schip ahoy, hijs de zeilen, we
vertrekken!” spotte Robert, die geen enkel verstand van boten had. “En
met jouw zeilschip wil je op zoek naar Atlantis?”
“Precies!” zei Jacob. “Ik heb vanmiddag een afspraak om een boot te
bekijken, die niet meer de jongste is, maar zich wel al op lange reizen
heeft bewezen. Het is nog een paar uur varen, dus laten we vertrekken.”
Jacob stond op om het anker te lichten. Ze voeren over de plas terug
naar de rivier. Op de rivier verbaasde Robert zich weer over de
nietigheid van Jacob’s bootje, dat hevig schommelde op de golven van de
grote vrachtschepen die hen met driedubbele snelheid voorbij snelden.
Bij een grote energiecentrale voeren ze naar de ingang van een kanaal.
Na een saaie tocht over het kanaal kwamen ze op een slingerende en niet
zo druk bevaren rivier, die ze stroomafwaarts volgden. Met de stroom
mee had het motorbootje een flinke vaart. Ze waren ruim op tijd voor de
afspraak met de eigenaar van het zeiljacht, een wat gezette man van in
de zestig. De boot lag nog op de wal. Jacob inspecteerde de boot
grondig van de binnenkant, de buitenkant, de onderkant en de bovenkant.
De boot werd te water gelaten voor een proefvaart over de uitgegraven
plassen langs de dode rivierarm, waaraan de jachthaven lag. Jacob had
alleen maar oog voor het zeiljacht en de hele middag door waren er
uitgelezen kansen voor Robert om er van door te gaan, maar Jacob had de
kajuit van het motorbootje afgesloten en hij kon niet bij zijn koffer.
Laat op de avond werden Jacob en de eigenaar het eens over de prijs. De
man nam het oude motorbootje van Jacob over en Jacob betaalde een flink
bedrag aan contanten bij. “Er moet nog een hoop opgeknapt worden aan
dat vletje,” zei de oud-eigenaar van het zeiljacht. “Maar het is
perfect om samen met mijn vrouw naar een rustig plekje op de plas te
varen.”
In het donker hielp Robert Jacob met het overbrengen van de spullen
naar het zeiljacht, dat naast het roestige motorbootje aan de steiger
lag. Het zeiljacht was van binnen ruim en luxueus. Vanuit de kleine
stuurhut ging een paar treden omlaag naar de kajuit met een volledig
uitgeruste kombuis en een u-vormige bank met kussens van blauw pluche
rond een smalle tafel met mahonie fineer. Aan de andere kant van het
gangpad was een comfortabele zeekooi. Een ovale deur gaf toegang tot
een halletje met een wasruimte en een heus toilet. Aan de andere kant
van het halletje was eenzelfde ovale deur met daarachter een lage
voorkajuit met twee slaapplaatsen. In het achterschip was achter een
kort blauw gordijn een lage achterkajuit met nog eens twee
slaapplaatsen. Het was al laat toen ze de opgewarmde goulash uit blik
oplepelden. Na het eten zei Jacob, “Jij mag de voorkajuit nemen, daar
heb je alle ruimte voor jezelf. Ik slaap hier wel in de zeekooi.”
Robert bedacht zich dat zijn koffer nog in de stuurhut stond. Als hij
vanavond nog van boord wilde gaan, dan was dit de laatste kans. De
lange dag in de buitenlucht en het warme eten hadden hem slaperig
gemaakt. Hij kon beter nog deze nacht aan boord blijven en de volgende
ochtend vroeg vertrekken, voordat Jacob wakker werd. Robert haalde zijn
koffer uit de stuurhut en hij installeerde zich in de voorkajuit. Hij
zag dat Jacob hier de doos met tijdschriften had neergezet. Robert
pakte het bovenste tijdschrift uit de doos. Het jaartal op de voorkant
was van meer dan twintig jaar geleden. Bij het licht van het kleine
elektrische lampje aan het plafond bladerde hij langs de foto’s van
glimlachende vrouwen. Hij stopte bij een foto van een naakte vrouw, die
in een pauwenstoel zat. Naast haar stond een bosje rode tulpen op een
tafeltje. Hij las het Engelstalige onderschrift. ‘Busty Bianca from
Holland is fond of tulips.’ De blik in de bruine ogen van de jonge
vrouw verraadde dat ze zich terdege bewust was van haar eigen
schoonheid. Robert bekeek de foto aandachtig. Zo’n ouderwetse
pauwenstoel had hij onlangs nog ergens gezien, in de slaapkamer van
Bianca. Plotseling rook hij Bianca’s zware parfum. De ervaring was meer
dan een herinnering, het was alsof hij de geur echt rook, alsof hij
weer in haar slaapkamer was. Hij herkende nu op de foto het jongere
gezicht van Bianca, hetzelfde lange kastanjebruine haar. Hij voelde hij
zich gestreeld in zijn mannelijke trots. De nog steeds mooie en
zelfbewuste Bianca, waar jaren geleden duizenden mannen over de hele
wereld naar hadden gesmacht, had hem de nacht ervoor bemind. Even
fantaseerde hij dat zij naast hem lag, dat zij zoenden, dat zijn handen
haar over haar hele lichaam streelden. Toen bedacht hij zich dat hij
haar nooit meer
zou zien. Een gevoel van weemoed bekroop hem. Hij legde
het tijdschrift terug en klikte het lampje uit. Hij ging liggen en werd
binnen enkele seconden overmand door de slaap.
Robert droomde dat Bianca twintig was, net zo oud als op de foto in het
tijdschrift en even oud als hijzelf. Hij huurde een kamer bij haar. Het
was zondagochtend en het was druk op straat. Mensen in stijve, sombere
kleren liepen naar de kerk. Robert en Bianca waren binnen en lagen
naakt op de vloer van de huiskamer. Luidruchtig bedreven zij de liefde.
“Harder, harder,” riep Bianca. Robert gilde het uit. Alle ramen stonden
open maar niemand buiten kon het horen, want in de kamer stond een
stofzuiger aan. De stofzuiger maakte een hels kabaal, een vreemd laag
brommend en tegelijkertijd pruttelend geluid. Robert werd wakker van
het lawaai van de motor en het borrelen van het water langs de boeg van
het schip. Hij keek door de kleine patrijspoort van de voorkajuit naar
buiten. Ze voeren al weer stroomafwaarts verder op de rivier, die
rustig door een dromerig landschap kronkelde. Het was halverwege de
ochtend. Hij had een gat in de dag geslapen. In de kombuis stond een
thermoskan koffie klaar. Hij nam een mok mee het trapje op naar de
stuurhut. Jacob stond opgewekt aan het roer. Hij begroette Robert
uitbundig.
“Waar gaan we naar toe?” vroeg Robert.
“Naar zee,” antwoordde Jacob opgewekt.
“Zijn we dadelijk op zee?” vroeg Robert geschrokken.
“Op zijn vroegst overmorgen,” antwoordde Jacob. Robert was
gerustgesteld. Hij kon nog van boord.
Het was al snel tijd voor de lunch, die ze in de stuurhut aten, terwijl
Jacob één hand aan het grote stuurwiel hield. Hij praatte enthousiast
over zijn nieuwe boot.
“Het is een ideaal schip voor op het noorden van Atlantische
Oceaan. In deze stuurhut sta je beschut en als het plotseling gaat
stormen, en dat gebeurt nog al eens in die contreien, dan kun je snel
het grootzeil strijken en verder zeilen met de fok en het achterzeil.
Dankzij de stalen romp is het schip minder kwetsbaar voor ijsschotsen.”
“Ken jij het daar?”
“Ik ben veel mee geweest als betaalde matroos op luxe zeiljachten
richting de Noorse fjorden en IJsland. Daar kwam een einde aan toen de
vrouwen van de eigenaren ook mee gingen.”
“Kon je niet goed opschieten met die vrouwen?”
“Daar kon ik juist uitstekend mee opschieten. En die vrouwen ook heel
goed met mij. Dat vonden die eigenaren niet fijn.”
“Hoeveel vrouwen heb jij wel niet veroverd?”
“Hoeveel? Dat is tocht niet belangrijk! Iedere vrouw is weer anders,
iedere vrouw is uniek. Dat is wat mij fascineert. Als zeeman ben ik nu
eenmaal nooit lang op dezelfde plek en kan ik mij niet binden, dus
blijft het bij een vluchtige kennismaking. Ik noem het ook liever geen
veroveringen, maar ontmoetingen. Meestal is het trouwens de vrouw die
de man verovert, en niet andersom.” Jacob daalde af in de kelders van
zijn geheugen. De herinneringen die hij daar vond, maakten hem
breedspraking. “Eén keer had ik mijn zinnen gezet op een jonge vrouw
die mij nog niet had opgemerkt, dat zou je een verovering kunnen
noemen. Zij heette Gisela. Haar mooie gezicht kan ik mij nog goed
herinneren. Onze ontmoeting zal ik nooit vergeten. Het was aan de
andere kant van de oceaan in een zuidelijke havenstad. Ik voer toen op
een vrachtschip. Het lag al weken in de haven te wachten op lading. Uit
verveling slenterde ik iedere dag door de winkelstraten van de stad.
Voor een exclusieve boetiek met damesmode zag ik een kleine, elegante
vrouw de kleren in een rek op straat ordenen. Ze was zo mooi! Dag na
dag begluurde ik haar onopgemerkt vanuit een café aan de overkant van
de straat. Overdag droeg ze iedere dag weer andere kleren uit de
boetiek, die haar fantastisch stonden. ‘s Avonds als ze de boetiek
afsloot en naar huis ging, dan had ze steeds dezelfde versleten kleren
aan. Ze was een soort omgekeerde Assepoester. Overdag op haar werk
stralend mooi en gelukkig, ’s avonds in haar vrije tijd onopvallend en
ook een beetje droevig. Toen trok ik de stoute schoenen aan en ben de
boetiek binnengegaan. Ik vroeg haar hoe ze heette en ze noemde mij haar
naam. Gisela! Nooit zal ik die naam vergeten! Ze vroeg waar ik vandaan
kwam. Ik vertelde dat ik uit Holland kwam en ik moest haar uitleggen
waar dat lag. Als smoes, om wat met haar te kunnen kletsen, verzon ik
dat ik op zoek was naar een jurkje dat ik mee wilde nemen als cadeautje
voor mijn vriendin in Holland. De mooie Gisela vroeg mij naar de maat
van mijn vriendin. Ik zei dat ik dat niet wist, maar dat zij precies
even lang was en hetzelfde figuur had als mijn vriendin. Ze liep met
mij mee langs de rekken en liet mij allerlei jurkjes zien. Ik zei haar,
dat ik geen idee had hoe het mijn vriendin zou staan. Ik vroeg haar of
zij de jurkjes wilde aantrekken zodat ik mij een beeld kon vormen.
Lachend zei ze, dat ze dat wel wilde. Steeds nam ze een jurkje mee naar
de paskamer en kwam weer naar buiten en liep als een mannequin voor mij
op en neer op de maat van de Zuid Amerikaanse dansmuziek die uit kleine
speakers in het plafond klonk. Haar kleine borstjes staken naar voren
en ze draaide met haar mooie ronde billen. Ze bekeek zichzelf met ieder
nieuw jurkje aan in de spiegel, van voren en van achteren, waarbij ze
haar slanke hals draaide. Al gauw had ik door wat haar favoriete jurkje
was. Het stond haar oogverblindend. Het korte, rode jurkje viel net
over haar prachtige billen en het was van achteren uitgesneden tot
halverwege haar rug. Van voren sloot het jurkje hoog, maar het liet
haar fijne schouders bloot. Ik liet haar daarna nog veel meer jurkjes
passen. Het was een heerlijke middag Er waren geen andere klanten.
Gisela genoot zichtbaar van het geven van de modeshow en voor mij was
het ook geen straf om naar haar prachtige, soepele lichaam te kijken.
Uiteindelijk kocht ik het jurkje, waar ze zelf het meest van hield. De
volgende dag ging ik tegen sluitingstijd terug naar de boetiek met
het jurkje in de papieren draagtas, waar Gisela het de vorige dag in
had
gedaan. Ik spelde Gisela op de mouw dat ik de vorige avond bericht had
gehad van mijn vriendin. Die ging mij verlaten voor een andere man. Ze
was al zwanger van die man en ze hadden trouwplannen. Gisela wilde mij
het geld voor het jurkje teruggeven. Ik zei dat ik het jurkje niet voor
geld wilde ruilen. Misschien wilde zij het jurkje als cadeau van mij
accepteren, omdat het haar zo goed stond. En misschien wilde zij het
nog één keer voor mij aantrekken. Ze haalde het kledingrek naar binnen,
deed de winkeldeur op slot en sloot de zonwering. Ze liep met het
jurkje naar de paskamer. Even later had ze het rode jurkje aan. Ze
danste voor mij op het snelle ritme van de dansmuziek in de boetiek. Ze
draaide rond haar eigen as en het jurkje waaierde op. Ze droeg er niets
onder. Ze kwam naar mij toe, legde haar handen op mijn schouders en we
dansten door de winkel. Toen we beiden moe waren van de dans, nam ik
haar mee naar een eettentje. Ze droeg het rode jurkje en iedereen keek
naar ons. Die nacht werd het vrachtschip geladen en ik voer de volgende
ochtend vroeg uit. Ik ben nooit meer in die haven teruggeweest.”
Jacob keek een tijdje zwijgend door de ramen van de stuurhut voor zich
uit over de rivier. Toen zei hij “Robert, vertel jij eens een
avontuur.”
“Mijn leven is eigenlijk nogal saai geweest. Totdat ik Bianca
ontmoette. Nou ja, de eerste twee maanden dat ik bij haar woonde,
gebeurde er ook niets. Dat gebeurde pas de laatste nacht, toen we
wisten dat we elkaar daarna nooit meer zouden zien.”
“Zo gaat dat meestal,” zei Jacob. “Pas als we weten dat er geen morgen
meer is, durven we echt te leven.”
Door een ander, veel korter en een stuk westelijker gelegen kanaal dan
de vorige dag, voeren ze naar het naar noorden en kwamen op de drukke,
brede rivier, die ze stroomafwaarts volgden, richting zee. De
laagstaande zon in het westen scheen hen recht in het gezicht en deed
het wateroppervlak van de rivier schitteren alsof het bezaaid was met
miljoenen edelstenen. Robert herkende twee hoge bruggen achter elkaar
en daarachter een stadje met een markante stompe kerktoren.
“Hier zijn we eergisteren ook geweest,” zei hij. “We hebben een rondje
gevaren!”
“Dat had ik je toch beloofd,” zei Jacob met een glimlach. “Over ruim
een uur ga ik aanleggen. Ik wil liever niet in het donker in het
drukbevaren water verder stroomafwaarts terecht komen. In feite begint
daar al het havengebied. Er staat daar ook een getijdenstroom. Morgen
vaar ik verder naar zee. Je moet nu beslissen of je verder met mij mee
gaat, of dat je van boord wilt. Waar ik dadelijk aanleg, daar kan je de
trein pakken.” Het verraste Robert, dat Jacob zijn mogelijke vertrek
van boord zo nuchter ter sprake bracht. Hij had zich dus voor niets
zorgen gemaakt. Jacob had hem vast al veel eerder aan land gezet, als
hij er gewoon om gevraagd had.
“De afgelopen drie dagen zijn mij ontzettend meegevallen,” zei Robert.
“Vooral als je bedenkt dat ik vroeger een fobie had voor boten. Daar
ben ik nu wel van af. Ik heb geleerd dat een schip als een soort
drijvend huis kan zijn. Maar de zee op…?”
“Je moet alleen meegaan als je het echt wilt. Het zal zwaar zijn en
gevaarlijk. En nat en koud. Als je besluit om mee te gaan, kopen we
morgen een goed zeilpak voor je en wat je nog meer aan uitrusting nodig
hebt.”
“Ik moet er nog even over nadenken,” zei Robert om de boodschap uit te
stellen. Het daaropvolgende uur spraken ze weinig. In de schemering
draaide Jacob de zeilboot een ruime havenkolk in en hij legde het
zeiljacht vast aan de steiger van een jachthaven. Jacob keek Robert
verwachtingsvol aan.
“Heb je al een besluit genomen?”
“Ik geloof niet dat ik als zeeman geboren ben,” zei Robert. “Als je het
niet erg vindt, dan ga ik nu direct. Dan kom ik nog een eind op weg met
de trein. Ik ben namelijk nog steeds op de vlucht. Toch?”
“Dat is het beste, altijd in beweging blijven. Bewegende doelen
zijn moeilijker te raken. Je kunt het beste onderduiken in de
anonimiteit van een wereldstad.”
Robert ging benedendeks om zijn spullen te pakken. In de voorkajuit
keek hij naar de doos met tijdschriften. Het blad met de foto van
Bianca lag bovenop. Even dacht hij eraan om haar foto er uit te
scheuren en in zijn koffer te stoppen, als aandenken aan Bianca. Hij
schudde zijn hoofd. Voorbij is voorbij. Op het dek gaf hij Jacob een
hand.
“Je was een prima maatje aan boord,” zei Jacob.
“Veel succes met
de zoektocht naar Atlantis,” zei Robert.
“Ik zal een ansichtkaartje sturen als ik er ben. Het ga je goed,
jongen. En denk erom, altijd in beweging blijven, zorg dat de geheime
dienst je niet te pakken krijgt. Wacht maar, ik til je koffer wel.”
Jacob pakte snel de koffer van het dek en stapte als eerste van boord
de steiger op en liep vooruit over de steiger naar de wal. Robert kwam
er achter aan met de zwarte hoed op zijn hoofd, zelfverzekerder dan
twee dagen ervoor toen hij min of meer per ongeluk bij Jacob aan boord
was gestapt. Hij vond de hulp van Jacob dan ook overdreven. Op de wal
duwde Jacob de koffer tegen Robert’s borst, zodat hij de koffer met
twee handen moest beet pakken. Snel stopte Jacob iets in één van de
zakken van zijn vliegeniersjack en hij gaf Robert bij wijze van laatste
groet een vriendschappelijke klap op zijn schouder. “Morgenochtend
vertrek ik om negen uur. Als je jezelf bedenkt, moet je op tijd zijn.”
“Ay ay kapitein,” zei Robert luchtig, maar diep van binnen voelde hij
de pijn van het afscheid. Jacob had zich al omgedraaid en liep over de
steiger terug naar het zeiljacht. Robert keek bij een lantaarn wat
Jacob in zijn jaszak had gestopt. Het was een handvol condooms in
zilverkleurige verpakking. Hij liep de jachthaven uit en hij zag bij
het licht van straatlantaarns dat hij in een soort parkje was met een
gracht en een met gras begroeide aarden wal. Hij liep door een poort in
de aarden wal en kwam in een straat met oude huizen. Nu pas herkende
hij het oude vestingstadje waar hij twee dagen daarvoor Jacob voor het
eerst had ontmoet en bij hem aan boord was gegaan. Ze hadden een rondje
gevaren, precies zoals Jacob het had gezegd. Hij was weer terug bij
zijn vertrekpunt, in de vestingstad waar hij twee maanden lang een
kamer had gehuurd. Hij was terug in de plaats waar Bianca woonde. Even
liep hij in de richting van het station, toen stond hij stil en
aarzelde. Hij dacht aan het leven dat voor hem lag, anoniem
ondergedoken in de eenzaamheid van een miljoenenstad, Parijs, Londen of
Berlijn. Hij veranderde van richting. Mechanisch liep hij door de
smalle straten naar haar huis. Naarmate hij dichterbij kwam begon hij
te twijfelen. Misschien was ze niet thuis. Misschien had ze alweer een
andere huurder, minder verlegen dan hijzelf. In haar woonkamer brandde
licht. Er is geen morgen, dacht hij. Ik bel nú aan of ik draai mij nú
om en ga naar het station. Er is geen morgen. Hij belde aan. Bianca
deed de deur open. “Ha cowboy, kom binnen,” zei ze verrast. Ze droeg
een gebloemde korte jurk met diep decolleté. “Wat ben je mooi,” zei
Robert. “Blijf je daar nog lang staan?” vroeg ze lachend. Ze trok
Robert naar binnen en sloot de deur. Ze deed zijn bril af en keek diep
in zijn bruine ogen. Hij rook haar parfum en voelde zijn schroom
verdwijnen. Ze gaf hem een zoen op de mond en kuste hem in de nek. Ze
trok een guitig vies gezicht. “Bah, cowboy, wat ruik jij sterk, zeker
een lange rit achter de rug?”
“Ik heb de laatste twee nachten in mijn
kleren geslapen,” zei Robert verontschuldigend.
“Dan gaan we jou eerst
eens even onder de douche stoppen en daarna onder de wol. Kom maar mee
naar boven!”
Na het vertrek van Robert warmde Jacob twee blikjes ragout
op in de kombuis van zijn zeiljacht. Met een biertje erbij at hij
tevreden zijn maaltijd. Hij was nu al gehecht geraakt aan het warme,
met veel mahoniehout afgetimmerde interieur van zijn boot. Boven de
tafel hing een ouderwets olielampje en aan de wand hingen een barometer
en een scheepsklokje, allebei in een ronde behuizing van glimmend
gepoetst koper. Jacob bestudeerde de waterkaarten en de
getijdentabellen om de koers voor de volgende dagen uit te zetten. Hij
wilde voor het slapen gaan nog even de benen strekken en hij maakte een
wandelingetje langs het water. Naast de jachthaven lag een woonboot.
Toen hij er langs liep, stopte er een klein autootje vlak voor hem. De
koplampen schenen Jacob recht in de ogen en verblindden hem even. De
autolichten werden gedoofd en in de gloed van de buitenlantaarn van de
woonark zag hij twee vrouwen uitstappen. Ze waren gekleed in grijze
trainingspakken met capuchons en grote geborduurde opschriften aan de
voor- en achterkant. Langs zijkant van hun broeken liep een roze en
zwart gestreepte bies. Eén vrouw pakte een sporttas uit de kofferbak.
De andere vrouw sprak Jacob aan.
“Dag zeeman, lig je hier in de haven?”
“Mijn zeiljachtje ligt in de jachthaven.”
“Waar gaat de tocht naar
toe?”
“Ik heb mijn bootje net. Ik moet het nog uittesten, dus voorlopig blijf
ik op de Noordzee.”
“En daarna?”
“De oceaan over.”
“Heb je trek in een bakkie koffie of een borrel?”
De andere vrouw was met de sporttas over haar schouder al de loopplank
over gelopen en had de voordeur van de woonboot geopend. “Komen jullie
nog?” vroeg ze ongeduldig. “Kom mee,” zei de vrouw die vlak bij Jacob
stond en ze greep hem bij een arm. Hij liep achter de vrouw aan de
woonboot binnen. In het halletje moest Jacob zijn schoenen uittrekken.
De woonark zag er van binnen meer uit als een modern appartementje in
een flatgebouw dan als een boot. In de woonkamer stond een bankstel,
dat bekleed was met wit leer. Op de vloer lag een hoogpolig tapijt in
een lichtgrijze tint. Aan de muur hing een platte tv van enorme omvang.
Jacob maakte het zich gemakkelijk op de bank.
“Wat wil je drinken?” vroeg de vrouw die hem buiten had aangesproken.
Jacob schatte haar begin veertig. Ze had kortgeknipt haar en een
sportief gezicht met een brutaal neusje.
“Als het evenveel moeite is, doe dan maar een borreltje.”
Jacob kreeg een hoog borrelglas, tot de rand toe gevuld met jenever. De
vrouwen dronken bronwater direct uit het plastic flesje.
“Ik ben Miranda,” zei de vrouw die tot nu toe als enige met Jacob
gesproken had.
“En ik ben Wendy,” zei de andere vrouw, die klein van stuk was en
tenger gebouwd.
“Hallo Miranda en Wendy, ik heet Jacob.”
Wendy klikte met de afstandsbediening de tv aan. Er verscheen een
groot, brandend haardvuur op het beeldscherm.
“Dus je vertrekt morgen al, zeeman,” vroeg Miranda.
“Morgenochtend om negen uur. Ik wacht tot het tij gunstig is.”
“Wij moeten morgenochtend om zes uur naar ons werk. We zijn al lang
weg, voordat jij vertrekt. Wendy werkt in de verpleging en ik ben
lasser. We komen net van fitness, en daarna ontspannen we altijd nog
even bij wat muziek.”
“Hou je van klassieke muziek?” vroeg Wendy die op de grond voor een
geluidsinstallatie zat. “We wilden naar een strijkduet luisteren en als
je zin hebt maken we er een strijktrio van.”
Jacob nipte rustig aan zijn borrelglaasje en zei “Ik speel wel de
tweede viool.”
Wendy drukte op een schakelaar en er klonk opzwepende muziek. Ze trok
haar trainingspak uit en ging op het zachte, dikke tapijt liggen.
Miranda was ondertussen ook al naakt. Haar lichaam was net zo gespierd
en gebruind als dat van haar vriendin. Miranda kroop op handen en
voeten naar Wendy toe. Jacob luisterde aandacht naar de muziek en viel
met zijn strijkstok op het juiste moment in. Na vele da capo’s
bereikten ze fortissimo en unisono de finale. Hierna kreeg Jacob nog
één borreltje, dat hij staande in één teug opdronk, en hij werd zonder
veel omhaal de deur uitgewerkt. Tevreden liep hij terug naar de
jachthaven. Zijn zoektocht naar Atlantis begon onder een gunstig
gesternte.
Jacob stond met zonsopgang op om een paar kleine klusjes aan boord te
doen. Hij spoelde de watertank van de zeilboot schoon en vulde deze met
vers drinkwater. Liggend op de voorplecht verwijderde hij de oude naam
van de boot. Het zeiljacht was nu naamloos, net zo als zijn oude
motorbootje dat was geweest. Dit vond Jacob toch wel wat kaal voor zijn
mooie boot. Hij nam zich voor rustig na te denken over een nieuwe naam.
Hij maakte een kop koffie en ging op het dek zitten in de warme
ochtendzon met zijn blik gericht op het toegangshek van de jachthaven.
Als hij Robert goed had leren kennen de voorafgaande dagen en als zijn
mensenkennis hem niet in de steek liet, dan kon Robert ieder moment
door het hek van de jachthaven komen lopen, met zijn oude koffer in
zijn hand en zijn zwarte hoed op het hoofd. Robert was gisteravond
natuurlijk niet naar het station gelopen, maar had zich regelrecht in
Bianca’s armen geworpen, zo dacht Jacob. Vanochtend zou Robert
misschien eerst nog op weg willen gaan naar het station, maar in plaats
daarvan zou hij naar de jachthaven komen, uit angst voor de anonieme
eenzaamheid van een miljoenenstad en uit behoefte om met iemand te
kunnen praten over zijn hartstochtelijke nacht met Bianca. En bij wie
kon Robert hiervoor beter terecht dan bij hem? Jacob tuurde naar het
hek van de jachthaven. Zijn verwachting werd ruimschoots overtroffen.
Om tien voor negen stopte een taxi bij het toegangshek. De klep van de
kofferbak werd van binnenuit bediend en ging geruisloos open. De
taxichauffeur stapte uit en haalde een oude koffer uit de kofferbak.
Het voorportier naast de bestuurder werd geopend. Er stapte een jonge
man uit met een zwarte, breedgerande hoed op. De jonge man opende het
achterportier. Een beeldschone vrouw stapte uit, gekleed in een jurk
met bloemenpatroon en een elegante zonnehoed op. De taxichauffeur had
ondertussen zes andere koffers en tassen uitgeladen. De jonge man en de
vrouw pakten vanaf de achterbank van de taxi een kartonnen doos en drie
boodschappentassen, die uitpuilden van de etenswaar. Jacob liep over de
steiger op een drafje naar hen toe. Ondertussen betaalde de jongeman de
taxichauffeur, die daarna weer instapte en wegreed. “Bianca en Robert,
wat fijn om jullie te zien!” riep Jacob enthousiast.
Hij kuste Bianca op beide wangen, drukte Robert stevig de hand en pakte
met iedere knuist twee tassen beet.
“Die zijn licht,” zei hij verbaasd.
“Er zitten dekbedden en hoofdkussens in,” zei Bianca. “Robert vertelde
dat je naar het koude noorden gaat.”
“Robert, aan één hoofdkussen heb je toch wel genoeg?” zei Jacob
lachend.
“Ik wel, maar Bianca wil ook graag een kussen,” antwoordde Robert.
“Gaat Bianca ook mee?”
“Als het mag,” zei Bianca.
“Natuurlijk! Fantastisch! Ik had er stilletjes op gerekend dat Robert
weer op zou komen dagen, maar dat hij jou meeneemt, overtreft mijn
stoutste dromen.”
“Nou, eigenlijk is het andersom,” zei Robert. “Bianca heeft mij
meegenomen. Het was haar idee om samen met jou verder te varen.”
“Ik ben heel benieuwd naar jullie verhaal,” zei Jacob. “Maar kom eerst
aan boord, dan vertrekken we snel, voordat jullie je bedenken.”
Ze liepen twee keer op en neer om de bagage en de etenswaren aan boord
van het zeiljacht te brengen en ze zetten alles beneden in de kajuit
neer. Robert en Bianca maakten de landvasten los, terwijl Jacob de
motor startte. Bianca was opvallend handig in het losmaken en oprollen
van de touwen. Jacob stuurde de zeilboot de rivier op. Ze voeren met
een flinke stroom mee in de richting van de drukbevaren wirwar van
rivieren, zijrivieren en kanalen rond het uitgestrekte havengebied. Met
zijn drieën stonden ze in de kleine stuurhut en keken naar het drukke
scheepvaartverkeer. De zon scheen op het wateroppervlak en op de
oevers, die er steeds meer uitzagen als één langgerekte scheepswerf.
“Mooi schip is dit,” zei Bianca. “Ik mis alleen een naam op de boeg.”
“Ik heb de oude naam er vanochtend af gehaald. Om sporen uit te
wissen.”
“Heb je al een nieuwe naam?” vroeg Robert.
“Ik had mij voorgenomen er vandaag over na te denken,” zei Jacob. “Maar
dat hoeft niet meer, ik heb er al één gevonden. Tenminste als de dame
in kwestie het goed vindt.” Hij keek Bianca aan. “Wat zou je er van
vinden als jouw naam voortaan op de boeg van dit bescheiden scheepje
prijkt.”
“Ik voel mij zeer vereerd, tenminste, als ik niet voordurend als
boegbeeld boven de voorplecht hoef te hangen. Nou ja, behalve dan als
ik met de voorzeilen in de weer moet.”
“Hoor ik, dat jij een ervaren zeilster bent?” vroeg Jacob hoopvol.
“Er is een tijd geweest, dat ik een graag geziene gast aan boord van
zeiljachten was,” zei Bianca. “Rondje Groot Brittannië, en zo.”
“Het ziet er naar uit dat ik van ons de minste vaaruren heb,” zei
Robert. “En ik dacht Bianca vanochtend nog op andere gedachten te
kunnen brengen en voor mijn plan te kunnen winnen door te zeggen dat
het leven aan boord veel te zwaar zou zijn. Als het aan mij had
gelegen, dan was ik bij Bianca ondergedoken. Vat het niet persoonlijk
op, Jacob. Ik vond het vervelend om jou in de steek te laten, maar ik
zag er nu eenmaal huizenhoog tegen op om de zee op te gaan. En dat doe
ik trouwens nog steeds.”
“Bij mij onderduiken is veel te link,” zei Bianca. “Er belde
eergisteren al een norse man in een halflange zwarte leren jas bij mij
aan. Hij vroeg of ik een huurder had, hoe die er uitzag, wat ie deed
enzovoorts. Tegelijkertijd nam er iemand vanuit een geparkeerde auto
foto’s van mij. Ze zijn jou allang op het spoor. Ik heb natuurlijk
zoveel mogelijk ontwijkend geantwoord.”
“We hadden ook samen met de trein kunnen vluchten,“ zei Robert. “Jij
had de bestemming uit mogen kiezen.”
“De stations hangen vol met camera’s,” zei Bianca.
“Wie zegt dat ze mijn signalement hebben? Ze weten waarschijnlijk
alleen maar jouw adres via mijn internetverbindingen.”
“Jouw signalement hebben ze misschien nog niet, maar ze hadden
ondertussen wel foto‘s van mij gemaakt. Zodra ik in een internationale
trein stap in het gezelschap van een jongeman, dan weet de geheime
dienst genoeg. Als je met de trein had willen vluchten, dan had je dat
zonder mij moeten doen. En dat wilde je niet. En ik trouwens ook niet.
We mogen blij zijn dat we hier aan boord welkom zijn.”
“Meer dan
welkom,” zei Jacob. “Heeft Robert jou al verteld over het reisdoel?”
“Dat gaf bij mij de doorslag,” zei Bianca. “Had ik dat niet geweten,
dan had ik Robert vanochtend in zijn eentje naar de trein gestuurd.
Zodra Robert mij vertelde dat je op zoek gaat naar Atlantis, wilde ik
mee met de expeditie.“
“Daarna was ze niet meer te houden,” zei Robert.
“In Atlantis ligt de bron van de eeuwige jeugd!” zei Bianca.
“Zo gaat de legende,” zei Jacob.
“Atlantis is één en al legende,” zei Robert.
“Ik denk dat ik je de komende weken van het tegendeel kan overtuigen,”
zei Jacob.
“Als we Atlantis kunnen vinden, dan vinden we ook vast en zeker de bron
van de eeuwige jeugd,” zei Bianca. Ze keek Robert aan. “Jij en ik zijn
dan weer even oud.”
“Ik hou van jou zoals je nu bent,” zei Robert.
“Vertel dat nog maar een keer over twintig jaar,” zei Bianca. “Zeg
Jacob, welke route naar zee nemen we?”
“De zuidelijke route,” antwoordde Jacob. “Het is wel langer, maar we
hebben de tijd en zo mijden we het havengebied zelf. Daar wemelt het
van de waterpolitie.”
Aan het einde van de ochtend voeren ze de drukke scheepvaartroute af en
een rustig getijdenriviertje op, dat in zuidwestelijke richting
kronkelde en uitkwam op een brede, afgedamde zeearm. Onder volle zeilen
voeren ze over het ruime water. Nog voor de avond legden ze aan in één
van de jachthavens van een ingeslapen stadje vol vergane glorie uit de
tijd dat het brede water nog in open verbinding met de zee stond en het
stadje een belangrijke marinehaven was. Vlak voorsluitingstijd gingen
ze een nabijgelegen winkel voor scheepsbenodigdheden binnen. Ze zochten
er zeilpakken, reddingsvesten en bootschoenen uit voor Bianca en
Robert. Ook kocht Jacob een rubberboot met een buitenboordmotortje en
natuurlijk plakletters, die hij direct na terugkomst bij de zeilboot op
de boeg plakte, waarna Bianca de naar haar genoemde boot mocht dopen.
Gekleed in een spijkerbroek en een strakke, rode coltrui, stond zij in
het warme licht van de avondzon op de voorplecht en goot een fles rode
wijn leeg als plengoffer voor de zeegoden onder applaus van Jacob en
Robert. Hierna bereidden ze een rijke maaltijd uit de overdadige
voorraden aan boord. Na de afwas wilde Jacob, dat Bianca en Robert het
zeiljacht voor zichzelf hadden. Hij ging ergens een biertje op de wal
drinken. Ze probeerden hem over te halen om aan boord te blijven, het
was per slot van rekening zijn jacht, maar Jacob was onvermurwbaar. Hij
zei, dat zij hun privacy harder nodig hadden dan hij. Rond middernacht
zou hij weer terug zijn. Na het vertrek van Jacob gaven Bianca en
Robert hun bagage een plek in de voorkajuit. Ze kwamen de doos met
tijdschriften tegen en Robert liet Bianca haar foto zien. Ze moest er
om lachen. “Wat was ik nog jong,” zei ze. “Ik dacht toen dat de hele
wereld aan mijn voeten lag en dat dit mijn hele leven zo zou blijven.”
Ze richtten de voorkajuit met de dekbedden en kussens in als een knus
liefdesnestje. Naakt lagen zij onder de warme dekbedden. Ze voerden
elkaar bonbons met likeurvulling.
Jacob was er ondertussen achtergekomen, dat met het vertrek van de
marine uit deze havenplaats ook alle vertier was verdwenen. Na een
tocht langs een aantal onuitnodigende cafés, ging hij aan de bar zitten
van een eettentje. De eigenaar van het restaurant vertelde hem dat de
keuken al gesloten was. Jacob zei dat hij alleen een biertje wilde en
de eigenaar tapte het glas voor hem vol. Vlakbij Jacob zat een verliefd
stelletje na te tafelen met koffie. Wat verder weg, maar nog ruim
binnen gehoorsafstand van Jacob, zat een luidruchtig gezelschap van
drie vrouwen van ongeveer zijn leeftijd. Zij waren overduidelijk van
plan om die avond de bloemetjes met bossen tegelijk buiten te zetten.
Lege wijnflessen stonden op hun tafel. Toen ze nog een fles wijn wilden
bestellen, gaf de eigenaar van de eettent de vrouwen te verstaan, dat
het restaurant binnen niet al te lange tijd ging sluiten. Eén van de
vrouwen riep, dat ze de fles dan wel in de auto leeg zouden drinken. De
eigenaar bracht de fles wijn en direct de rekening erbij. Het verliefde
stelletje was al vertrokken. De vrouwen dronken snel nog een glas wijn,
legden het geld op tafel en gingen naar de uitgang. Jacob rekende zijn
biertje af en volgde de drie vrouwen. Buiten zag hij hen op een luxe
auto af zwalken. Een van de vrouwen droeg de ontkurkte en halflege fles
in haar hand. Met gemak haalde hij hen in, voordat de vrouwen in de
auto waren gestapt.
“Goede avond dames, heeft u niet wat veel op om achter het stuur te
kruipen?”
“Ik hoef niet te rijden, meneer de agent,” zei één van de vrouwen,
gierend van de lach.
“Ik ook niet, maar zij wel,” zei een andere vrouw en ze wees op de
derde vrouw, die de fles wijn in haar hand had.
“En ikke, ik…, ben nog helemaal nuchter,” zei deze vrouw.
“Probeert u dan maar eens over dit stoeprandje te lopen.”
“Geen probleem, oom agent.”
Het lukte de vrouw niet eens om de
stoeprand te vinden.
“Ik zou maar niet gaan rijden, als ik u was.”
“Maar hoe komen we dan thuis?”
“Ik wil uw wel in uw auto naar uw huis rijden.”
“Sinds wanneer spelen politieagenten voor privéchauffeur,” lalde één
van de vrouwen.
“Het is geen politieagent,” zei een andere vrouw. “Hij heeft wel een
pet op, maar hij is helemaal geen politieagent. Kijk maar eens goed,
het is die zeeman die aan de bar zat in het restaurant.”
“Oei, zeeman,” zei de vrouw met de fles wijn en ze kroop uitdagend
tegen hem op. “Rij ons maar even naar huis.” Ze gaf hem de
autosleutels. De andere vrouwen joelden instemmend. Jacob opende galant
de autodeuren voor de vrouwen en nam zelf plaats op de bestuurderstoel.
Met veel moeite probeerde hij wijs te worden uit de vele
onsamenhangende en tegenstrijdige aanwijzingen die de drie vrouwen door
elkaar heen gaven over de te volgen route. Onderweg dronken de drie
vrouwen beurtelings uit de wijnfles.
“Jij krijgt niet, jij moet rijden,” zei de vrouw die voorin naast Jacob
zat. “Ik ben streng, heel ssstreng.” De twee andere vrouwen schaterden
het uit.
“Hoe heten jullie?” vroeg Jacob.
“Hik heet Desiréé,” zei de vrouw naast hem.
“En hik Linda,” zei de vrouw achter hem.
“En, slok slok, hik Mathilde,” zei de vrouw die op dat moment de fles
wijn beet had.
“Jullie hebben wat te vieren?”
“Wij vieren dat Desirée een jaar geleden gescheiden is,” zei Linda.
“En dat ze haar ex zo fantastisch een poot heeft uitgedraaid,” voegde
Mathilde er aan toe.
“Wij logeren bij Desiréé, zij heeft een jacuzzi in de tuin,” zei Linda.
“Wat houd jij het ssstuur ssstevig vast, zeeman” zei Desirée en de
vrouwen gierden het uit van het lachen.
“Ik heb jullie nog niet verteld, dat ik geen geldig rijbewijs heb,” zei
Jacob.
“Hij heeft geen rijbewijs!” brulde Linda.
“Op zee kan je ook geen auto rijden, dan zink je,” schreeuwde Mathilde.
“Ik wil de wijn, waar is de wijn? Hier met de wijn!”
“Ik heb jaren geleden wel een rijbewijs gehaald in een ver land,” zei
Jacob. “Dat is hier niet geldig. En weten jullie waarom niet? Ze rijden
daar links.”
“Lihihihihinks, hij kan alleen maar lihinks rijden,” hinnikte Linda.
“Weet je wat, zeebonk,” zei Desirée. “We gaan jou bij mij thuis eens
een rijlesje leren, hoe je rechts moet rijden.”
“Rijles, rijles,” gilden de andere twee vrouwen uit.
Jacob was een villawijk in gereden. De huizen stonden hier ver van
elkaar en de tuinen werden gescheiden door hoge, altijd groene hagen.
“Hier is het,” gilde Desirée. “Hier de oprijlaan in.”
Jacob reed over een oprijlaan naar een rietgedekte villa. Hij hielp de
vrouwen met uitstappen. Mathilde kon niet meer op haar eigen benen
staan en Jacob moest haar zowat naar binnen dragen.
“Eerst in de jacuzzi,” riep Desirée. “Het water is perfect op
temperatuur.”
“Is het wel verstandig om nu nog te gaan zwemmen?” vroeg Jacob oprecht
bezorgd.
“Ben je ook al lid van de reddingsbrigade, kapitein?” zei Desirée. De
andere vrouwen schaterden van het lachen. “Het is geen zwembad, zeeman,
het is een jacuzzi, een klein bubbelbadje, waar we net met zijn vieren
in kunnen. Je gaat toch mee?” Jacob stemde in, deels uit bezorgdheid
over het welzijn van de vrouwen, deels vanwege het vooruitzicht van het
warme bubbelbad. In de woonkamer trokken de vrouwen zonder omhaal hun
kleren uit. Jacob volgde hun voorbeeld. Desirée opende de schuifpui
naar de tuin en de vrouwen liepen naakt over het terras naar het ronde
bubbelbad, dat in een prieeltje stond. Warme waterdamp werd
sprookjesachtig verlicht door gekleurde lampen op de bodem van het bad.
De vrouwen gingen één voor één langs een trappetje het bad in en
maakten plaats voor Jacob die het water in stapte met alleen zijn
marinepet op zijn hoofd en het zakje met de zirkoniumbol als een amulet
om zijn hals. Het water was net iets warmer dan lichaamstemperatuur en
Jacob voelde hoe al zijn spieren zich ontspanden door de prikkeling van
de bubbeltjes en de stroming in het warme water.
“We zijn de champagne vergeten!” riep Mathilde. Desirée kroop over
Jacob heen naar het trappetje en liep druipend over het terras naar de
woonkamer. Ze kwam even later terug met een fles champagne en vier
glazen. Ze gaf de glazen aan Linda en de fles aan Jacob en klom weer
het bubbelbad in. De champagnefles voelde ijskoud in Jacob’s hand.
Linda gaf Desirée en Mathilde een glas en hield er zelf één in iedere
hand. Jacob draaide het ijzerdraadje om de hals van de fles los. Met
een luide knal schoot de kurk omhoog door de klimplanten bovenop het
prieeltje naar de met sterren bezaaide hemel. De wijn schuimde uit de
fles. Snel vulde Jacob de glazen. Linda gaf hem zijn glas en ze
proostten.
“Lang leve de echtscheiding van Desirée!” riep Mathilde.
“Ik ga nooit meer trouwen!” riep Desirée.
“Behalve als ie net zo rijk is als je ex,” zei Linda.
“Dan bedenk ik mij geen twee keer en trouw ik direct, wie het ook is,”
zei Desirée.
“Dus ook met jouw ex?” vroeg Jacob.
“Die is niet rijk genoeg meer, die is sinds de echtscheiding nog maar
half zo rijk als toen ik met hem trouwde!” De vrouwen brulden van het
lachen.
Jacob leunde ontspannen achterover.
“Bubbelwijn in het bubbelbad,” gierde Linda.”Kunnen we lekker
borrelen.”
“Weet je wat pas borrelen is?” vroeg Mathilde en ze liet
onderwater een flinke dosis darmgas ontsnappen. De vrouwen gierden het
weer uit.
“Moet je kijken, wat een gevaarte!” riep Desirée plotseling en ze wees
naar Jacob.
“O mijn hemel, o mijn hemel, een atoomonderzeeër!” riep Mathilde.
“Tijd voor de rijles!” riep Desirée en ze gaf Jacob een por dat hij het
bubbelbad uit moest. Jacob hielp de vrouwen, die langs het laddertje
uit de jacuzzi klauterden met in één hand hun champagneglas. Desirée
pakte uit een kastje naast het bubbelbad voor iedereen een dikke
badjas, die hen warm hield en tegelijkertijd de waterdruppels van hun
lichaam absorbeerde. De vrouwen gingen door de openstaande schuifdeur
de woonkamer in. Jacob bleef aarzelend op het terras staan. Mathilde
zwaaide met haar lege glas en riep “Ik sta droog!” Linda vulde
Mathilde’s glas. Mathilde dronk het in één teug leeg en riep “Ik zal
die zeeman eens leren hoe hij rechts moet houden, kom maar op met je
versnellingspookje.” De vrouwen brulden van het lachen. “Wat blijf je
daar nu buiten staan?” riep Desirée tegen Jacob. “Het feestje is hier
binnen!”
“Jullie zijn dronken,” antwoordde Jacob vanaf het terras.
“Wat heeft dat er nu weer mee te maken?” riep Linda.
“Ik wil geen misbruik maken van de situatie,” antwoordde Jacob.
“Een echte heer!” riep Desirée. “Een heer in het verkeer!”
“Ja, maar wel een heer die niet rechts kan houden!” gilde Linda.
“Die een potje rijles moet krijgen!” riep Mathilde.
“We mogen hem niet zo plagen,” zei Desirée. Ze sprak nu rustig en haar
stem klonk geruststellend. “Als hij geen zin heeft in rijles, dan hoeft
het niet. We dwingen hem nergens toe. In ieder geval ontzettend bedankt
dat je ons naar huis hebt gebracht. Kom maar binnen, kerel, dan kun je
jouw kleren pakken. Je kunt hier een taxi bellen.”
Opgelucht stapte Jacob van het terras door de openstaande schuifdeur de
kamer binnen. Meteen werd hij door drie gillende vrouwen besprongen. De
worsteling die hierop volgde was hevig en langdurig. Het was duidelijk
dat Jacob niet tegen deze overmacht was opgewassen. Meer dan uur na het
begin van het handgemeen lukte het hem om zich uit de kluwen te
bevrijden. Hij opende de schuifpui, rende over het terras en sprong met
de badjas aan en zijn pet op in het bubbelbad. Desirée kwam achter hem
aan, ging het trappetje af en vleide zich in het warme water tegen hem
aan. Mathilde en Linda lagen uitgeteld in de woonkamer.
Ruim na middernacht werden Robert en Bianca gewekt door luid geroep.
Het was Jacob, die voor het gesloten toegangshek van de jachthaven
stond. Robert trok snel wat kleren aan. Hij ging van boord en liep over
de steiger naar het hek. Hij drukte op een knop, die zo was afgeschermd
dat het onmogelijk was de knop van buiten het hek te bedienen. Het
elektrische slot klikte en Jacob kon het toegangshek open duwen.
“Dank je, ik was even bang, dat ik niet meer binnen zou komen,” zei
Jacob. “Ik had al spijt dat ik de taxi weg had laten rijden voordat ik
gecontroleerd had of het hek nog open was. Anders had ie me nog naar
een hotel kunnen brengen. Ik had weinig zin om vanaf de kade verderop
het koude water in te springen en naar de boot te zwemmen.”
“Leuke avond gehad?” vroeg Robert.
“Zeker, maar ik ben blij dat we naar zee gaan. Eindelijk rust.”
Nog voor zonsopgang voeren zij de jachthaven uit het brede water op,
richting de dam in de zeearm. Na kort oponthoud in de sluis zeilden ze
de Noordzee op. Forse golven botsten schuin van voren tegen de boeg.
Het buiswater spoelde de laatste restanten wijn van de voorplecht af en
kletste tegen de ruiten van de stuurhut. Na enige tijd draaide Jacob
naar een noordelijke koers en lag het schip rustiger. Ze passeerden een
kunstmatig schiereiland vol met havens en industrie. Op enige afstand
van de kust voeren ze verder naar het noorden langs havenmondingen,
voor anker liggende supertankers, windmolenparken en boorplatforms. En
steeds zagen ze in de verte de bleekgele duinenrij. Een schitterende
zonsondergang vulde de lucht met strepen oranje en grijzroze. Het licht
van een vuurtoren flitste op. Diep in de nacht voeren zij de haven
binnen van het meest westelijke waddeneiland.
Bianca en Robert liepen met volle boodschappentassen over de kade. Een
jonge vrouw met rood, krullend haar en een jonge man met blauwe ogen
stonden hand in hand en keken vertwijfeld uit over de haven. Ze maakten
een verloren, hulpeloze indruk. Op de grond lagen twee grote rugzakken.
“Kunnen wij jullie ergens mee helpen?” vroeg Bianca.
“Wij zoeken het expeditieschip,” antwoordde de jonge vrouw.
“We zoeken
Jacob,” voegde de jonge man er aan toe.
“Dan zijn jullie Tristan en Isolde,” zei Robert. “Jacob heeft al over
jullie verteld. Ik ben Robert.”
“En ik ben Bianca. Welkom bij de club.”
“Jullie zijn te laat om nog invloed uit te oefenen op het eten aan
boord,” zei Robert. “We hebben net de voorraden aangevuld.”
“Eigenlijk zijn we een dag te vroeg,” zei Tristan.
“We waren klaar met onze voorbereidingen voor de expeditie en we waren
nieuwsgierig naar het schip,” zei Isolde.
“Hebben jullie je voorbereid op de tocht?” vroeg Robert lachend. “Weten
jullie dan waar we naar toe gaan?”
“Niet echt,” antwoordde Tristan. “Jacob had het in zijn email over het
hoge noorden. Weten jullie meer?”
“Dat kan Jacob jullie het beste zelf vertellen,” zei Bianca. “Het is
goed, dat jullie er al zijn. Jacob is ongeduldig. Hij heeft haast om te
vertrekken. Kom met ons mee.”
Met hun rugzakken aan één band over de schouder liepen Tristan en
Isolde ietwat onzeker achter Bianca en Robert aan. Toen Bianca en
Robert de steiger naar het zeiljacht opgingen, bleven Tristan en Isolde
verbaasd staan.
“Is dat het expeditieschip?” vroeg Tristan. “Is dat niet te klein voor
een expeditie naar het hoge noorden?”
Bianca lachte. “Wat had je dan verwacht. Een ijsbreker? Welkom aan
boord van de Bianca. Zo heet het jacht, net als ik.”
“De naam is de beste garantie,” zei Robert. “Als jullie het jacht klein
vinden, dan hadden jullie de vorige boot van Jacob moeten zien. Noem
het maar niet klein waar hij bij is. Hij is er nogal trots op.”
Weifelend gingen Tristan en Isolde aan boord.
“Jullie hebben het gevonden!” riep Jacob enthousiast in de kajuit van
het zeiljacht, toen hij Tristan en Isolde de treden omlaag zag komen.
“We hadden een ander schip verwacht…” zei Tristan.
Hij werd onderbroken
door Robert, die snel zei “De Bianca overtreft hun verwachtingen!”
“Ja, het is een fantastische boot,” zei Jacob. “Perfect voor ons
reisdoel.”
“We gaan toch naar het hoge noorden?” vroeg Isolde.
“Inderdaad, eerst naar Noorwegen,” zei Jacob. “En daarna…” Hij
pauzeerde even. “Fijn, dat jullie er al zijn, dan kunnen we
vertrekken.”
“Eerst willen we weten waar we nu echt naar toe gaan,” zei Isolde.
“Weten jullie wat?” zei Jacob vriendelijk. “We varen naar een plek hier
vlakbij, waar we rustig kunnen praten zonder luistervinken.”
Een uur later ging de Bianca voor anker niet ver van een slikplaat, die
langzaam vanaf de randen door het opkomende tij overspoeld werd. Op het
gekrijs van vogels en het spel van de wind in de masten na was het
stil. Overal om hen heen zagen ze het vlakke, grauwe, lege water en
modderige sliklaten onder een grijs wolkendek. “Palaver in de kajuit,”
zei Jacob. “Met koffie en voor wie het wil iets sterkers!” Met zijn
vijven zaten ze in de blauwe, pluchen rondzit met koppen koffie,
borrelglaasjes en zoute pinda’s voor zich op tafel.
“Bianca en Robert kennen het reisdoel al,” zei Jacob. “We gaan naar
Atlantis.”
“Atlantis!” riep Isolde verbaasd. “Dat bestaat toch helemaal niet!”
“Dat probeer ik Jacob en Bianca ook al steeds te vertellen,” zei
Robert.
“Niemand hoeft tegen zijn zin mee,” zei Jacob. “Als iemand dadelijk van
boord wil, voordat we verder varen naar Noorwegen, dan is dat geen
probleem. Tristan, heb je de tekening bij je, die je van jouw droom
gemaakt hebt?”
Tristan vouwde de tekening van de Demiurg open op tafel.
“Bewijsstuk nummer één,” zei Jacob.
“Ik ken die griezel!” riep Robert.
“Heb je ook gedroomd van de
Demiurg?” vroeg Tristan.
“Nee, maar nu je zijn naam noemt, weet ik weer waar ik hem eerder heb
gezien,” antwoordde Robert.
Jacob pakte het gouden beeldje, legde het naast de tekening op tafel en
zei “Bewijsstuk nummer twee.”
Tristan en Isolde bekeken het beeldje aandachtig. Jacob wees hen op de
Fenicische letters op de voet van het beeldje en vertelde hen dat de
tekens de naam ‘Demiurg ’ vormden.
“Al stond zijn naam niet op het beeldje, dan nog was het duidelijk dat
het de engerd op de tekening is,” zei Bianca. “Als twee druppels
water!”
Tristan vertelde over zijn dromen van de Demiurg.
“Ik heb het gouden beeldje gevonden in een Vikinggraf in Noorwegen,”
zei Jacob. “Samen met bewijsstuk nummer drie.” Hij haalde het leren
zakje onder zijn kleren vandaan, opende het en liet de zirkonium bol
zien. Niemand mocht de bol van hem aanraken. Hij vertelde over de
eigenschappen van het metaal zirkonium en waarom het zo bijzonder was,
dat hij de bol van zirkonium in een Vikinggraf had gevonden. Hij borg
de bol weer op onder zijn kleren en liet de Vikingsieraden zien, de
gouden mantelspeld met ineengevlochten dierenfiguren en de zilveren
amulet in de vorm van de hamer van Thor. De sieraden gingen van hand
tot hand.
“Zijn dat ook bewijsstukken?” vroeg Isolde.
“Nee, maar ik heb ze wel in hetzelfde Vikinggraf gevonden.”
“Eerlijk gezegd, zie ik het verband met Atlantis nog niet,” zei Robert.
“Er is nog steeds geen enkel bewijs dat Atlantis ooit bestaan heeft,
laat staan dat het nog steeds bestaat.”
“Tijd voor bewijsstuk nummer vier!” zei Jacob.“Kennen jullie het
verhaal van de oude gouden koker, waarvoor op een veiling in Londen
honderd miljoen pond is betaald?”
Iedereen schudde ontkennend het hoofd. “De koker was in het noorden van
de Atlantische Oceaan terecht gekomen in het net van een vissersboot,”
ging Jacob verder. “De koker was glad gepolijst, zonder inscripties en
waterdicht verzegeld. Er zaten perkamenten vellen in met daarop een
onbekend schrift. Het veilinghuis heeft de ouderdom ervan met de
modernste wetenschappelijke technieken laten bepalen. Drieduizend jaar
oud. Als snel ontstond het gerucht dat de gouden koker afkomstig is uit
Atlantis, hoewel het veilinghuis dat nooit met zoveel woorden heeft
gezegd.”
“Atlantis!” zei Bianca enthousiast.
“Is het onbekende schrift ontcijferd?” vroeg Robert kritisch aan Jacob.
“De verkoper, de rederij van de vissersboot, wilde de gouden koker zo
snel mogelijk laten veilen en wilde niet wachten op het tijdrovende
kraken van de code op de perkamenten vellen. Het hoogste bod van
honderd miljoen pond is uitgebracht door een professionele bieder in
opdracht van een anonieme opdrachtgever. Niemand heeft kunnen
achterhalen, wie die anonieme koper is. Het veilinghuis blijft discreet
en de professionele bieder is voor het laatst gezien toen hij na de
veiling met de gouden koker in een klaarstaande, geblindeerde auto
stapte. Daarna ontbreekt ieder spoor van hem. Ook de gouden koker lijkt
van de aardbodem verdwenen.”
“Als het schrift niet is ontcijferd en niemand weet waar de koker nu
is, dan is het hele verhaal over Atlantis nog steeds niet meer dan een
gerucht,” zei Robert teleurgesteld.
“Het verhaal is niet af,” zei Jacob. “In het laboratorium, waar de
oudheid van het perkament is vastgesteld, is stiekem een foto gemaakt
van één van de vellen. De foto is terecht gekomen bij een expert in
oude talen. Het schrift op de gekopieerde vel bleek Fenicisch.”
“Net als op het beeldje!” riep Tristan opgewonden.
“Precies, net als op het beeldje,” zei Jacob. “Het schrift was
Fenicisch, maar de taal was het Homerische Oud-grieks, dat iedere
gymnasiast kan lezen. De expert in oude talen was zo teleurgesteld, dat
hij het geheel als een vervalsing bestempelde. Hij deed de inhoud van
de tekst af als een smakeloze grap. Hij heeft een vertaling op internet
gezet.”
“Een vervalsing!” riep Robert triomfantelijk. “Dan is het ook duidelijk
waarom er haast was met de veiling en er niet eerst uitgebreid
onderzoek naar het schrift is gedaan!”
“Honderd miljoen pond voor een vervalsing,” zei Bianca. “Daar was de
koper zeker niet blij mee!”
“Dat is het vreemde van het verhaal,” zei Jacob. “Je zou inderdaad
verwachten, dat de koper boos terug zou gaan naar het veilinghuis. Dat
is niet gebeurd. Daarom denk ik dat het geen vervalsing is. Ik heb de
vertaling van de tekst van het internet uitgeprint.” Jacob pakte een
stapeltje printerpapier en zei “Luister maar eens goed!”
“Luister en huiver,” grapte Robert.
“Sstt,” zei Bianca.
Jacob begon.
“Apollo is het licht, de zon, de maan en de sterren. De Demiurg is de
duisternis. Aanbid Apollo, de Schepper van de Kosmische Schoonheid.
Bestrijdt de Demiurg. Hij wil Apollo verduisteren. De Demiurg is
gitzwarte zelfzucht bekleed met flinterdun bladgoud. Hij kwam uit de
zee, overdekt met schubben. De Demiurg is het kwaad dat handelt. Apollo
handelt niet, hij kijkt toe en geeft zonder te nemen. In Zijn oneindige
Kosmische Schoonheid is er geen onderscheid tussen goed en kwaad, is
het leven kortstondige schoonheid. De belofte van de Demiurg is
onsterfelijkheid, waarmee hij de lafhartigen tot daden beweegt die de
valse naam van dapperheid dragen. Ware moed is vreemd aan wie zich
onkwetsbaar waant. Wat de Demiurg geeft, neemt hij eerst van anderen
af. Demiurg geeft één de macht over velen. De koning zal heersen over
allen in Atlantis. Zij zullen de koning vrezen. De koning zal knielen
voor de Demiurg en zijn dienaar zijn. Een krijger zal komen over de zee
en Atlantis bevrijden. De krijger zal de koning en zijn leger verslaan.
De krijger zal de Demiurg ketenen. De krijger zal vertrekken en nooit
wederkeren. De Demiurg zal zijn kooi openbreken. De Demiurg zal de
koning en zijn leger weer tot leven wekken. Heersen zal de koning over
Atlantis en zijn dochter zal hij geven als bruid aan de Demiurg. Dan
zal de duisternis vallen over Atlantis. Dan zal de Demiurg voorgoed
Apollo verduisteren.
Luister niet naar de Demiurg, weersta zijn verlokkingen. De
onsterfelijkheid die hij geeft komt met oneindige vrees. Heb ware moed!
Ware moed is volharding zonder hoop op beloning. Dans! Dans met
gracieuze bewegingen in het licht van de zon, van de maan en de
sterren. Dans op muziek vol zoete klanken en harmonieuze akkoorden.
Dans op het ritme van de Kosmische Schoonheid. Dans met de dieren van
het veld onder de wolkenpracht aan de hemel. Dans over de bergen en
door de dalen van Atlantis. Rust in de nacht naast het ruisende riet.
Ontwaak in het eerste licht van Apollo. Wees dankbaar voor iedere
ademhaling, de zuivere lucht van de zee en de bergen. Laat iedere
gedachte, ieder woord een lofzang zijn op Apollo. O Apollo, eeuwig
licht voorbij kwaad en goed. Uw zon op mijn gezicht, in mijn hart
nieuwe moed.”
Jacob zweeg even en zei “Dit is natuurlijk maar een gedeelte van de
teksten die in de koker zaten. Wat op de andere perkamenten vellen
staat, weet alleen diegene, die de koker op de veiling gekocht heeft.”
“En die heeft er honderd miljoen pond voor over, dat niemand anders er
achter komt,” zei Bianca.
“Het ziet er naar uit, dat wij niet de enigen zijn die op zoek zijn
naar Atlantis,” zei Robert.
“Dus je bent nu wel overtuigd?” vroeg Jacob.
“Nog niet dat Atlantis bestaat, maar wel dat het waard is om er naar te
zoeken,” antwoordde Robert.
“Minstens honderd miljoen pond om precies
te zijn,” lachte Bianca.
“Maar waarom eerst naar Noorwegen?” vroeg
Isolde.
Jacob antwoordde “Ik wil het Vikinggraf nog een keer bekijken, of er
nog een aanwijzing te vinden is, iets wat ik indertijd over het hoofd
heb gezien, toen ik alleen nog maar op een schat uit was en niet dacht
aan Atlantis.”
Tristan en Isolde smoesden bijna onhoorbaar met elkaar en zeiden toen
“Wij varen mee, in ieder geval naar Noorwegen.”
“De achterkajuit is voor jullie,” zei Jacob.
Tristan en Isolde brachten hun spullen naar de aan hen toegewezen
slaapplek en gingen daarna bovendeks, waar Jacob, Bianca en Robert al
bezig waren om de boot zeilkaar te maken. De slikplaat was helemaal
overspoeld, maar het tij was al weer gekeerd en het zeiljacht was
honderd en tachtig graden gedraaid aan de ankerketting. Het anker werd
gelicht. Met het tij mee voeren ze tussen het eiland en het vasteland
door naar zee. Motregen hinderde het zicht. Het begon te schemeren.
Langs westkust van het eiland koerste het zeiljacht naar het noorden.
Het schip bewoog regelmatig over de zwarte golven met zo nu en dan een
venijnige klap. Robert voelde de beweging in zijn maag. Het gevoel
verplaatste zich langzaam naar zijn hoofd. Hij probeerde zich te
concentreren op vage kustlijn rechts van het schip, op de ijle
duinenrij, die langzaam kleiner werd, op het laatste licht van een
vuurtoren in de verte. “Wat zie je wit,” zei Bianca. “Je kunt beter
even
gaan liggen.” Robert ging naar de voorkajuit. Liggend op zijn rug
voelde hij zich goed genoeg om zijn maag te bedwingen en te slecht om
op te staan. Hij luisterde naar het geluid van de golven tegen de boeg.
Slechts enkele millimeters staal scheidden hem van het water, dat met
geweld tegen de romp van het zeiljacht beukte. Iedere klap dreunde diep
in zijn hoofd door. Even later hoorde hij Tristan en Isolde omlaag
komen en in hun achterkajuit kruipen. Ook zij hielden het rollen,
schudden en stampen van het schip niet meer vol. Halverwege de nacht
werd Robert wakker. Hij merkte dat de zee iets kalmer was geworden.
Voorzichtig ging hij de voorkajuit uit en door de kajuit omhoog naar de
kleine stuurhut. Hij kon meteen Bianca aflossen, die slaperig Jacob
gezelschap hield bij het stuurwiel. Bovendeks voelde Robert zich beter,
vooral als hij van Jacob mocht sturen. In het eerste grauwe
ochtendlicht kwam Bianca weer in de stuurhut. Robert ging naar beneden
om koffie te maken. In de kajuit kwam de misselijkheid in volle
hevigheid terug en hij moest gaan liggen. Langzaam, uur na uur, kon hij
de zee beter verdragen. Bianca en hij hielden afwisselend met Jacob de
wacht aan het stuurwiel. Tristan en Isolde bleven ziek in hun
achterkajuit. Niets wilden ze eten. Alleen wat drinken namen ze aan.
Het zeiljacht voer gestaag naar het noorden. Na drie en een half etmaal
op volle zee zagen Bianca en Robert tijdens hun wacht de Noorse kust
als een dun streepje onder een strakblauwe ochtendlucht. Het zien van
land, hoe ver weg ook, gaf Robert een gevoel van grote opluchting. Ze
riepen Jacob, die in zijn zeekooi uitrustte van de hondenwacht. Hij
kwam omhoog de stuurhut in en begroette Bianca en Robert uitbundig.
“Blijven we deze noordelijke koers volgen?” vroeg Bianca, die aan het
stuurwiel stond.
“Nee,” antwoordde Jacob. “We varen de fjord binnen.”
“Goed plan,” zei Robert opgelucht. “We hebben wel een paar dagen rust
verdiend.”
“Of we veel tijd hebben om uit te rusten, dat weet ik niet,” zei Jacob.
“Ik wil hier niet te lang blijven. Hooguit twee dagen, niet langer dan
nodig is om het Vikinggraf te bekijken.”
Jacob nam het roer over en hij stuurde de boeg naar de kust. Ze riepen
Tristan en Isolde, die voorzichtig uit de achterkajuit kropen en
bovendeks kwamen voor het uitzicht. Voor de wind zeilden ze langs
kleine eilanden en daarna een fjord binnen. De wind mengde de zilte
zeelucht met de kruidige geur van bergweiden. De blauwe lucht was
helder als kristal. In de fjord stond weinig golfslag. Even was het
borrelen van het water langs de romp het enige geluid, maar deze rust
was van korte duur. Het schip passeerde een grote zwerm visdiefjes.
Duizenden slanke, witte, zwaluwachtige vogels doken luidruchtig naar
vis. Er tussendoor zigzagden kleine jagers, bruine vogels die er in
vlucht uit zagen als een kruising tussen een kleine meeuw en een valk.
Vlakbij het zeilschip kwam een visdiefje met een visje in zijn bek uit
het water omhoog na een succesvolle duikvlucht. Direct schoot er een
kleine jager op af. Agressief draaide en wende de kleine jager achter
het visdiefje aan. Na een korte achtervolging liet het visdiefje zijn
vangst uit de snavel vallen. Voordat het glinsterende en spartelende
visje het wateroppervlak bereikte, werd het door de kleine jager
opgevangen. Steile rotswanden omzoomden aan weerszijden het brede
water. Om de paar honderd meter stortte een hoge waterval bijna
loodrecht omlaag. Op de plekken waar de steile wanden van de fjord
werden onderbroken door een zijdal, stonden tegen de helling houten
vakantiewoningen met hoge aanlegsteigers ervoor. Luxe, snelle
motorjachten lagen aangemeerd. “Dit is een rijk land, dankzij de olie,”
zei Jacob. Rond het middaguur streken zij de zeilen en gingen zij bij
een smal zijdal voor anker. Een kleine waterval kletterde op een
strandje vol keien. In de verte zagen ze de groen geschilderde houten
huisjes van een vissersdorp.
Ze aten hun middagmaal benedendeks in de kajuit. Voor het eerst sinds
dagen konden Tristan en Isolde weer vast voedsel verdragen.
Uitgehongerd vielen ze op het eten aan.
“Heb je nog van de Demiurg
gedroomd?” vroeg Jacob hoopvol aan Tristan.
“Nee, gelukkig niet, ik voelde mij al beroerd genoeg.”
“Jammer,” zei Jacob. “Jammer, dat je je zo beroerd voelde en
jammer,
dat je geen nieuwe aanwijzingen voor onze tocht hebt gedroomd. Laten we
dadelijk aan land gaan en zien of het Vikinggraf nog iets oplevert.”
“Moet er iemand aan boord blijven?” vroeg Bianca.
“Nee hoor,” antwoordde Jacob. “Jullie kunnen allmaal mee. We doen de
boel hier op slot en vanaf de kant kunnen we het schip steeds in de
gaten houden.”
Ze brachten het pakket met de opgevouwen rubberboot op het dek en
bliezen het bootje met een handpomp stevig op. Met behulp van de giek
van de achtermast lieten ze het bootje te water en via de zwemtrap
stapte Jacob er in. Robert gaf het buitenboordmotortje aan. Jacob
schroefde het vast op het plankje aan de achterkant. Eén voor één
stapten Bianca, Robert, Isolde en Tristan over in het bootje en gingen
op de stevig opgeblazen rand zitten. Robert stak zijn hand in het
water. Het was ijskoud. Na een paar keer trekken aan het startkoord
sloeg het buitenboordmotortje aan. Ze voeren recht op het strandje met
de waterval af. Om de schroef van het motortje niet te beschadigen,
klapten ze het motortje omhoog en peddelden zij de laatste meters naar
het strandje. Met blote voeten en opgerolde broekspijpen waadden ze
door het koude water en ze droegen de rubberboot over de glibberige
keien een flink eind voorbij de hoogwaterlijn. Robert was dolgelukkig
dat hij weer vaste grond onder zijn voeten had. Hij liep over de ronde
keien van het strandje naar de waterval. Op de plek waar het water op
de rotsen viel, was een diepe poel uitgeslepen. Het bruisen van het
water klonk oorverdovend. Vanuit de poel stroomde het water over het
strandje naar de fjord. Ze klauterden over een ongemakkelijk pad naar
de bovenkant van de waterval, ongeveer tien meter boven het strandje.
Hier was het lawaai van het vallende water een stuk minder luidruchtig
dan beneden. De waterval werd gevoed door een beek die uitkwam op een
plateau met een klein en ondiep natuurlijk stuwmeertje dat liep tot aan
de rand van de afgrond waar het water tegen werd gehouden door een
richel. Het water stroomde door een gat in de richel en viel loodrecht
omlaag. Ze liepen langs het ondiepe water tot aan de richel. Onder hen
lag de rubberboot op het strandje. Op de fjord spiegelde de zeilboot
vaag in het rimpelige water onder een wolkenloze, blauwe hemel. Ze
volgden een smal paadje omhoog langs de bedding van de beek. Het paadje
maakte een bocht naar links. Voor hen stroomde het beekje van onder een
bruggetje tegemoet. Ze klommen langs de oever van het beekje het
bruggetje op en stapten op een breder pad, dat ze naar het vissersdorp
omlaag zagen kronkelen. Weer klonk het geluid van vallend water, minder
luid dan bij de waterval, meer afwisselend, lieflijk, bijna melodieus.
Het beekje klaterde hier omlaag over een steile trap van opeenvolgende
watervalletjes, stuk voor stuk één tot twee meter hoog. Rechts van deze
cascade was een grasveldje met een bankje. Vanaf het bankje hadden ze
een weids uitzicht over de fjord. Ze zagen het vissersdorp en hun
zeilboot, die bewegingloos op het water dreef. Jacob wees op een
rechtopstaande steen, die achteraan het grasveldje stond, bijna tegen
de rotswand aan. Ze liepen naar de steen toe. Er waren runen in gekerfd
en ervoor stond een informatiebord met een tekst in het Noors. Achter
de steen was in de rotsen een kleine opening, die was afgesloten met
een hekwerk.
“Hier is het Vikinggraf,” zei Jacob. “Zo te zien hebben
beroepsarcheologen het na mij ook gevonden. We kunnen er niet meer in.
Die steen met runen is nieuw voor mij, die moet ik over het hoofd
hebben gezien. Jammer, die steen was geld waard geweest.”
“We kunnen de steen alsnog meenemen,” zei Robert.
“Dit is vast en zeker een waardeloze kopie. Ik ben wel benieuwd wat de
runen betekenen en wat er op het informatiebordje staat. Verder dan
‘goedendag’ gaat mijn Noors helaas niet. Kennen jullie toevallig
Noors?” Ze moesten hem teleurstellen. Behalve de steen was er bij het
graf niets te zien. Ze daalden weer af naar het strandje en voeren
terug naar het zeiljacht. Ze maakten de rubberboot met een touw vast
aan het zeiljacht en lieten het kleine bootje op het water dobberen. Ze
zaten op het dek in de warme middagzon. Jacob haalde een verrekijker
uit de stuurhut en hij wees op de helling boven hen de plek aan van het
Vikinggraf. Met de verrekijker konden ze duidelijk het bankje
onderscheiden en een gedeelte van de cascade. Er klonk in de verte
gezang, dat langzaam dichterbij kwam. Het heldere geluid droeg ver over
het water. Jacob nam de verrekijker en speurde het wateroppervlak af.
Een sloep met roeiers kwam uit een zijarm van de fjord en voer hun
richting op. Jacob bleef door de verrekijker aandachtig naar de sloep
turen. Pas toen de sloep zo dichtbij was, dat ook zonder verrekijker
duidelijk de gezichten van de vrouwen aan boord van de sloep te
onderscheiden waren, liet Jacob de verrekijker zakken. In het lange,
blonde haar droegen de vrouwen kransen van witte bloemen. Zij roeiden
op de maat van Noorse liederen. De sloep passeerde op enkele meters
afstand. Jacob, die over de reling hing, wilde in het Noors ‘goedendag’
naar de roeisters roepen. Hij vergiste zich en in plaats van in het
Noors riep hij zijn groet in het IJslands. De vrouwen lieten de bladen
van de roeispanen op het water drijven en de sloep bleef stil liggen.
Eén van de roeisters riep iets in het Noors terug. De vrouwen in de
boot lachten.
“Sorry, ik spreek geen Noors,” riep Jacob in het Engels.
“Dat hadden we al gehoord,” antwoordde de roeister in perfect Engels.
“Ik vroeg jou net in het Noors of je een oude Viking bent of dat je de
weg kwijt bent en denkt dat je in IJsland bent?”
“Allebei. Ik ben een oude Viking en ik ben de weg kwijt. Zou je mij
kunnen helpen? Ik laat mij graag de weg wijzen door een mooie vrouw,”
antwoordde Jacob. “Kom alsjeblieft hier aan boord.”
“We hebben nu geen tijd,” zei de roeister. “Deze sloep moet voor het
donker weer terug zijn.” Ze wees in de richting van het vissersdorp.
“Vanavond mag je langs komen, dan wijs ik je de weg wel. Kom maar naar
het rode huisje aan de haven. Als je het tenminste kunt vinden!” De
vrouwen in de boot joelden van plezier, terwijl ze aan de roeispanen
trokken en de sloep weer in beweging kwam. Hun heldere gezang was nog
lange tijd hoorbaar.
Robert en Bianca kookten een uitgebreide avondmaaltijd, waarvan
iedereen zich naar hartelust bediende. Na de afwas en de koffie zei
Jacob, dat hij een eindje ging varen in de rubberboot. In de schemering
zagen ze hem op volle snelheid recht op het vissersdorp af gaan, met
één hand aan de hendel van de buitenboordmotor en met de andere hand op
zijn blauwe marinepet. Het rubberbootje liet een wit spoor achter op
het spiegelgladde, donkere water.
Jacob maakte het rubberbootje vast aan een steiger in het
vissersplaatsje. Hij liep naar het enige huisje langs de kade dat rood
geschilderd was. Alle andere houten huisjes waren groen. Hij bonkte met
zijn vuist op de deur. Een struise, blonde vrouw gekleed in een strakke
tricot deed de deur op een kier.
“Hier ben ik, Frida,” zei Jacob. “Mag ik binnen komen?”
“Daar moet ik nog even over nadenken,” zei Frida en ze opende de deur.
“Dan wacht ik binnen jouw antwoord af,” zei Jacob en hij stapte over de
drempel van de kleine woning, de huiskamer in.
“Dat is lang geleden,” zei Frida.
“Dat valt wel mee. We hebben elkaar vanmiddag nog gezien.”
“Ik bedoel daarvoor.”
“O, bedoel je zo,” zei Jacob. “Ik herkende je meteen in de roeiboot. Ik
was even bang dat je mij niet meer herkende.”
“Ik wist ook niet of ik je wel wilde herkennen, nadat je drie jaar
geleden zonder fatsoenlijk afscheid te nemen was vertrokken.”
“Het spijt mij,” zei Jacob. “Ik had haast.”
“O,” zei Frida. “Ik heb mij, nadat jij met de noorderzon vertrokken
was, prima geamuseerd. Bij onderhoud aan de onverharde weg de bergen in
is een Vikinggraf ontdekt. Daarna werd het dorp overspoeld met knappe,
jonge archeologiestudenten van de universiteit van Oslo.”
Frida ging op een dun matje liggen en zei “Eerst mijn yoga oefeningen
afmaken.” Ze legde haar lichaam in de meest verbazingwekkende knopen.
Jacob zat op een stoel en keek aandachtig toe hoe ze zich op haar rug
liggend dubbel vouwde met haar bekken boven haar hoofd. Hij zag haar
vrouwelijke vormen zich duidelijk aftekenen in de strakke tricot.
Zijn blikken, die bijna tastbaar over haar lichaam gleden, gaven haar
een prettig gevoel. Na de laatste oefening zei ze “Nu ga ik naar de
sauna, ga je mee?” Ze stond op en kleedde zich uit. Jacob volgde haar
voorbeeld. Nu was het de beurt aan Frida om aandachtig toe te kijken.
Zelfs zijn pet zette hij af en hij legde deze omgekeerd op zijn
stapeltje kleren. In de omgekeerde pet deed hij het leren zakje met de
zirkonium bol. Ze liepen naakt door de tuin naar de kleine sauna, die
al op temperatuur was. Ze gingen op een handdoek op het houten bankje
zitten. Jacob vertelde haar over zijn vondst van de Vikingschat, zijn
overhaaste vertrek uit Noorwegen en zijn avonturen daarna. Frida
vertelde hem over de studenten uit Oslo. In de frisse avondlucht liepen
ze weer door de tuin naar het huisje. Binnen gingen ze direct naar haar
slaapkamer. Ze beminden elkaar zoals geliefden doen na een lange,
onvrijwillige scheiding. Uitgeput vielen ze in slaap. Ze werden gewekt
door de eerste zonnestralen, die door het kleine, vierkante
slaapkamerraam naar binnen vielen.
“Hou je van me?” vroeg Frida.
“Dat heb ik nog nooit tegen een vrouw gezegd,” antwoordde Jacob.
“En je hebt het ook nog nooit tegen mij gezegd,” zei Frida. “Je vergeet
vast ook deze keer weer om afscheid te nemen.”
“Inderdaad, ik hoop weg te gaan zonder afscheid,” zei Jacob. “Ik wil
graag dat je met mij meegaat!”
“Aan boord van jouw zeiljacht?”
“Ja, ik heb de beste slaapplaats voor jou bewaard.”
“Ach, misschien is het een goed idee,” zei Frida. “Het begint weer saai
te worden in het dorp. De studenten zijn uitgekeken op het Vikinggraf
en alleen voor mij komen ze niet. Zal ik met jou meegaan? Het hangt er
vanaf.”
“Waar vanaf?” vroeg Jacob hoopvol.
“Of die knappe jongen met de zwarte cowboyhoed aan boord van jouw
zeiljacht er van dichtbij net zo mooi uitziet als op een afstandje.”
In de kajuit van het zeiljacht zaten Bianca, Robert, Tristan en Isolde
aan het ontbijt. Hun ongerustheid over de langdurige afwezigheid van
Jacob had al bijna het punt bereikt dat ze het anker wilden lichten om
naar het vissersdorp te varen. Toen hoorden ze het gezoem van het
buitenboordmotortje. Ze vlogen de treden op naar de stuurhut. Ze zagen
de rubberboot met grote snelheid op hen afkomen. Jacob zat achterin bij
de buitenboordmotor en voorin zat een vrouw, die zij ook zonder een
krans van bloemen in het blonde haar herkenden als de roeister die de
vorige dag vanuit de sloep kwinkslagen met Jacob had gewisseld. Jacob
bond het bootje aan de zwemtrap en hij hielp de vrouw aan boord.
“Dit is Frida,” zei hij. “Ik heb haar hier drie jaar geleden
ontmoet.”
“Vaar je met ons mee?” vroeg Isolde aan Frida.
“Ja, kom met ons mee,”
zei Bianca. “Jacob is zo eenzaam in de stuurhut tijdens zijn wacht.”
“En ook na de wacht in mijn kooi,” zei Jacob.
“Laat eerst die schuit maar eens zien,” zei Frida.
Ze daalden de treden af naar de kajuit.
“De tafel kan omlaag en met de kussens er op wordt het dan samen met de
bank een royaal tweepersoonsbed,” zei Jacob trots tegen Frida.
“Dat heb je ons nooit verteld,” zei Robert.
“De voorkajuit is anders ruim genoeg,” zei Jacob.
“Maar veel lager,” zei Robert. “Niet bepaald geschikt voor een
gevarieerd liefdesleven.”
“Ach, we behelpen ons er mee,” zei Bianca lachend.
“De sfeer aan boord bevalt me wel,” zei Frida met een schuine blik naar
Jacob.
“Frida kan ons vertellen wat er op het informatiebord bij het
Vikinggraf staat,” zei Jacob.
“Laten we direct gaan,” zei Robert enthousiast. “Ik heb behoefte aan
wandeling. En het is heerlijk weer. Het lijkt wel zomer.”
“Laten we eten meenemen voor een picknick,” zei Bianca.
“Het kan in mijn rugzak,” zei Tristan.
Met een goed gevulde rugzak stapten ze alle zes in de rubberboot. Het
was krap, maar het paste en de rubberboot bleef drijven. Ze voeren naar
het strandje. Met z’n zessen tilden ze het bootje hoog op de keien. De
zon stond aan een wolkenloze hemel en er woei geen zuchtje wind. Het
zweet parelde langs hun voorhoofden tijdens de klim naar het bankje bij
de cascade. Daar aangekomen, nam Isolde de rugzak van Tristan’s
schouders en legde twee flessen witte wijn ter koeling in het snel
stromende water van de beek.
“Belangrijke dingen eerst,” zei ze. “Anders hebben we lauwe
Gewürztraminer bij de lunch.”
Ze liepen over het grasveld naar de afgesloten ingang van het
Vikinggraf.
“Wat staat er op het informatiebordje?” vroeg Jacob aan Frida.
“Dat het graf drie jaar geleden is gevonden en onderzocht door een team
van de universiteit van Oslo. Dat het geen schatten bevatte omdat het
waarschijnlijk in de achttiende eeuw geplunderd is door Hollandse
walvisvaarders.”
“Hollandse walvisvaarders uit de achttiende eeuw!” lachte Jacob. “Waar
een paar waardeloze oude Goudse pijpenkoppen al niet goed voor zijn.
Wat staat er nog meer?”
”Dat de botten zijn overgebracht naar het museum in Oslo.”
“Zie je
wel,” zei Jacob. “Dat is pas grafschennis. Die wetenschappers hebben
nergens respect voor. Staat er ook iets over de runensteen?”
“Dat het een exacte kopie is en dat het origineel nu in het museum in
Oslo
staat. Dat er in runen de naam Knútr Haraldrson op staat en daaronder
een afbeelding van de Midgardslang. Dat deze slang een symbool is voor
de reis van de overledene naar het hiernamaals.”
“Kun jij runen lezen,” vroeg Jacob aan Frida.
“Ja,” antwoordde Frida en ze bekeek de steen aandachtig. “Er staat de
naam Knútr Haraldrson en daaronder een afbeelding van de Midgardslang.”
“Is dat alles?” vroeg Jacob.
“Dat is alles,” antwoordde Frida.
“Ja, er staat een slang op de steen, eentje die in zijn eigen staart
bijt,” zei Bianca, die de steen nu ook van dichtbij bekeek.
“Wat is dat voor slang, die Midgardslang?” vroeg Isolde.
“In de Noorse mythologie was Midgard de naam voor de wereld die door de
sterfelijke mensen werd bewoond,” zei Frida. “Er waren andere werelden,
waar de goden woonden en weer andere met reuzen en dwergen, maar daar
konden de mensen niet komen, omdat de oceaan rond Midgard bewaakt werd
door een reusachtige en uiterst bloeddorstige slang. De slang was zo
groot, dat hij de hele wereld omcirkelde en toch nog in zijn eigen
staart kon bijten. Dit was de Midgardslang. Het was zelfs voor de goden
onmogelijk om de slang te verslaan.”
“Dus eigenlijk staat er niets meer op de steen, dan dat hier een zekere
Knútr Haraldrson begraven ligt,” zei Tristan.
“Het lijkt er wel op,” zei Frida.
“Daar komen we niet veel verder mee,” zei Robert.
“Laten we maar aan de picknick beginnen en van het uitzicht genieten,”
zei Jacob. “Dan zijn we in ieder geval niet voor niets hier naar toe
gekomen.”
Ze liepen terug naar het bankje. Robert haalde een fles wijn uit de
beek en Bianca goochelde zes wijnglazen uit de rugzak. De
teleurstelling over de runensteen was snel vergeten. De witte wijn was
precies op de juiste temperatuur en combineerde perfect met de
meegebrachte worstjes, kaasjes en noten. De voorjaarszon scheen alsof
het midzomer was. De lucht was helder en het uitzicht over de fjord
overweldigend. Jacob haalde de tweede fles wijn uit de beek en schonk
de glazen opnieuw in. Frida, Bianca en Tristan en Isolde plukten
madeliefjes op het grasveldje en knoopten er kransen van die ze op het
hoofd zetten. Ondanks luid protest kregen Jacob en Robert ook een krans
van madeliefjes, Jacob rond zijn marinepet en Robert om zijn zwarte
cowboyhoed. De vrolijkheid en onbezorgdheid bereikten dankzij de koele
wijn, de warme zon, de heldere atmosfeer en het overrompelende uitzicht
grote hoogten, toen Robert plotsklaps heel serieus zei “Misschien bevat
de steen toch een aanwijzing.”
“Hoe bedoel je?” vroeg Jacob, vanuit een aangename beschonkenheid in
één keer weer volledig nuchter.
“Het is misschien niets. Het schoot mij zo maar te binnen, terwijl ik
er helemaal niet speciaal over nadacht. Eigenlijk geloof ik ook niet in
al die onzin.”
“Vertel nu maar wat die aanwijzing volgens jou is,” zei Jacob
ongeduldig.
“Stel nu, dat het opschrift op de steen er niet over gaat dat de
overledene na zijn dood naar andere werelden zal reizen, maar dat die
steen de belangrijkste gebeurtenis uit het leven van die Knútr
Haraldrson vertelt, dat die Knútr tijdens zijn leven voorbij de
Midgardslang is gevaren en weer is teruggekomen.”
“Dat is geniaal!” riep Jacob enthousiast. “Wat denk jij ervan, Frida?”
“Ik denk dat het heel goed mogelijk is. Soms staat er op dit soort
grafstenen een hele korte levensbeschrijving. Waar de overledene naar
toe is gereisd en waar hij heeft gevochten. Die Knútr Haraldrson moet
een belangrijke persoon zijn geweest met zo een graf en een runensteen.
Daarom is het vreemd dat er niets over zijn leven op de steen staat.
Aan de andere kant, als hij inderdaad voorbij de Midgardslang is
gevaren, of dat tenminste beweerde, dan was dat voor zijn tijdgenoten
zeer ongeloofwaardig, bijna heiligschennis, zodat het ook weer niet
uitgebreid genoemd kon worden.”
“Is die Knútr naar Amerika gevaren?” vroeg Tristan. “Of Groenland?”
“Dat kan,” zei Frida. “Het staat nu wel zo ongeveer vast dat er
Noormannen in Noord Amerika zijn geweest. Op Groenland hadden ze
dankzij het toen mildere klimaat lange tijd een kolonie. Maar volgens
mij hadden ze daarbij nooit het idee, dat ze Midgard verlaten hadden.”
“Waarom niet?” vroeg Bianca.
“Omdat ze daar nog steeds dood gingen en waarschijnlijk bij bosjes
tegelijk,” zei Frida. “Midgard is het rijk der stervelingen. Voor
sterfelijke mensen is het onmogelijk om Midgard te verlaten. Voor een
Noorman was er natuurlijk één aanwijzing, dat hij niet langer meer in
Midgard was.”
“Wat voor aanwijzing was dat?” vroeg Bianca.
“Dat hij niet ouder werd,” zei Frida. “Knútr Haraldrson heeft een
wereld ontdekt waarin hij en zijn metgezellen voor altijd jong bleven.
Om de één of andere reden is Knútr Haraldrson teruggekeerd naar
Midgard, waar hij weer sterfelijk was.”
“Die steen is de beste aanwijzing die we ons maar kunnen wensen,” zei
Jacob. “Ik ga direct terug naar de boot om op de kaarten te kijken wat
voor Knútr Haraldrson een logische koers kan zijn geweest toen hij er
op uit voer voor zijn ontdekkingsreis.”
“Ik ben bang dat we binnenkort weer dagen achter elkaar op zee zullen
zijn,” zei Robert.
“Dat ziet er wel naar uit,” zei Jacob.
“Kunnen we hier niet nog een uurtje of zo blijven?” vroeg Robert
smekend aan Jacob. “Ik geniet zo van de vaste grond onder mijn voeten.
Wie wil hier nog meer blijven?”
“Ik wil je hier wel gezelschap houden, Robert” zei Bianca.
“Tristan en ik willen graag ook nog even rustig samen zijn,” zei
Isolde.
“Om te besluiten of we verder meevaren,” zei Tristan.
“Jacob, ik ga met je mee naar de boot,” zei Frida.
“Goed, dan gaan Frida en ik nu alvast naar de boot,” zei Jacob. “Over
twee uur pik ik jullie met de rubberboot op van het strandje bij de
waterval.”
Tristan en Isolde liepen verder de onverharde weg omhoog, de bergen in
om in afzondering te overleggen. Jacob en Frida daalden af naar het
strandje en voeren met de rubberboot terug naar het zeiljacht. Jacob
dook in de kajuit in een stapel zeekaarten. Na vijf minuten kwam hij
weer boven. “Pal west,” was zijn conclusie. “Onze koers wordt pal
west.” Daarna droegen hij en Frida kussens uit de kajuit naar het
voordek en strekten zich er behaaglijk op uit. Frida had de verrekijker
uit de stuurhut bij zich en zo nu en dan tuurde ze er door naar het
bankje boven op de helling, waar Bianca en Robert samen waren
achtergebleven. Ze zag door de verrekijker hoe Robert en Bianca elkaar
in een innige omhelzing vasthielden. Zelfs met een verrekijker was de
afstand te groot voor Frida om alles scherp te zien, maar wat ze niet
duidelijk kon zien, dat kon ze met haar fantasie verder invullen. Zo
had zij het juiste vermoeden, dat Robert langzaam de ritssluiting van
het rode vest van Bianca opende en zijn hand naar binnen stak en langs
het met kant afgezette randje van haar bustehouder liet glijden. Bianca
trok haar vest uit en Robert kuste haar blote buik rond haar navel. Met
twee handen maakte Bianca zijn broek los. Ze haakte de sluiting van
haar bh op haar rug los en opende de rits van haar spijkerbroek. Ze
zette Robert’s cowboyhoed af en hielp hem zijn T-shirt over zijn hoofd
uit te trekken. Robert omhelsde haar woest en ze rolden van het bankje
af. De grond van het grasveldje voelde droog en zacht. Het gras rook
kruidig. Vanaf de zeilboot zag Frida door de verrekijker de gespierde
billen van Robert op en naar gaan. Frida ging met het puntje van haar
tong langs haar lippen en zei “Jacob, ik heb een besluit genomen, ik ga
met jullie mee.” Ze legde de verrekijker weg, trok haar trui uit en
ging achterover liggen op de kussens.
“Dat is goed nieuws,” zei Jacob. “Dat moeten we vieren.”
“Ga je gang,” zei Frida. “Dan fantaseer ik, dat jij Robert bent.”
Jacob
kuste haar.“Sorry, ik heb niet zoveel fantasie,” zei hij. “Voor mij
blijf jij Frida.”
“Geen bezwaar,” zei Frida en ze trok Jacob tegen zich aan.
Ondertussen waren Bianca en Robert op het bergweitje van positie
gewisseld. Robert lag op zijn rug op het gras en Bianca kroop bovenop
hem. Al snel raakten zij buiten zinnen en ze merkten niets van de twee
wandelaars die van hoger op de helling langs de weg omlaag richting het
vissersdorp liepen. De wandelaars, een jonge man en een jonge vrouw,
waren die ochtend vroeg vertrokken vanuit hun pension in het
vissersdorp. Het was een kakelvers stel, nogal doorsnee, niet mooi,
maar ook niet lelijk. In hun degelijke wandelkleding zagen ze er
sportief, maar niet erg verleidelijk uit. Ze hadden elkaar een paar
weken ervoor leren kennen via een speciale internetsite voor verlegen
mensen. Ze hadden veel met elkaar gemeen. In hun profiel voor de
website hadden ze allebei geschreven, dat ze vriendschap belangrijker
vonden dan lichamelijk contact. Bij hun eerste afspraakje en nu tijdens
hun eerste vakantie samen bleek het met die vriendschap wel goed te
zitten, maar hoe het met het lichamelijk contact zat, daar waren ze nog
niet achter gekomen. Geen van beiden had het nog ter sprake durven
brengen. Ze hadden inderdaad veel met elkaar gemeen. Bovendien
beschikte hun kamer in het pension in het vissersdorp over twee
eenpersoons bedden, die twee meter uit elkaar stonden. Nu werden ze op
hun terugweg naar het pension plotseling geconfronteerd met een
betoverend schouwspel, het uitzicht over de fjord, de cascade, het
bergweitje, waar de naakte liefdesgodin Bianca met een krans van
madeliefjes in het haar de naakte liefdesgod Robert bereed. De twee
wandelaars bleven staan en zagen de extatische blik op het gezicht van
Bianca. Ze zagen haar volle boezem, die met iedere beweging van haar op
en neer deinde. De wandelaars keken naar Robert´s heupen, die in
tegengestelde richting bewogen, zo, dat zijn lendenen die van Bianca
halverwege in de lucht ontmoetten. Heel even maar keken de wandelaars
naar dit alles, hoogstens vijf minuten. En terwijl Bianca en Robert een
luidruchtig hoogtepunt bereikten, zoenden de jonge vrouw en de jonge
man elkaar kort op de mond. Ze renden langs het grasveldje, langs het
bankje, langs de cascade, over het bruggetje, het pad omlaag naar het
vissersdorp, naar hun pension, naar hun kamer, waar ze de bedden tegen
elkaar schoven. De andere gasten in het pension, drie vrijgezelle
dames, dronken in de zitkamer van het pension hun thee. Ze hoorden
gebonk en gestommel, ze zagen de kalk van het plafond omlaag komen en
ze wisten niet beter dan dat de pensionhouder aan het klussen was. Of
was het toch dat jonge stel? Ach nee, die waren zo netjes en zo
degelijk, die waren vast nog aan het wandelen.
Op het voordek van het zeiljacht met de naam Bianca waren Frida en
Jacob ondertussen ook in hogere sferen geraakt, maar hun extase was nog
niet zo volkomen, dat ze niet merkten dat er langzaam een cruiseschip
voorbijvoer. Was het zo een hypermodern, hoog opgebouwd, megagroot
cruiseschip met tweeduizend passagiers en een duizendkoppige bemanning
geweest, dan had er een scheepsramp gedreigd. Gelukkig was het de
Professor Nansen, een omgebouwde voormalige postboot met voldoende
ballast in de kiel. Toen de honderd en zeventig bejaarde passagiers en
de dertig ook niet meer zo jonge bemanningsleden zich allen naar de
reling aan bakboord snelden, daartoe over de geluidsinstallatie
aangespoord door de eerste stuurman, helde het schip nauwelijks
merkbaar en er was geen enkel gevaar dat de Professor Nansen op de
Bianca zou kapseizen. Reikhalzend keken tweehonderd bejaarden naar het
liefdesspel van Frida en Jacob, velen met een camera in de aanslag.
Frida steunde geheel naakt met haar handen en voeten op het voordek.
Jacob knielde achter haar, met als enige kledingstuk zijn sleetse
blauwe marinepet, die hij bij wijze van groet optilde en vrolijk naar
de passanten zwaaide. Daarna zette hij de pet weer op, greep Frida met
beide handen bij haar heupen en ging verder waar hij mee bezig was.
Rustig maar krachtig stootte hij zijn heupen naar voren. Traag zwaaide
de omlaag hangende boezem van Frida op en neer. Langzaam dreef de
Professor Nansen voorbij, zo langzaam, dat het schip bijna stuurloos
werd. Onder de aanmoediging van luid gejoel afkomstig uit tweehonderd
kelen volbrachten Frida en Jacob de daad.
Op het afgesproken tijdstip haalde Jacob met de rubberboot Bianca,
Robert, Tristan en Isolde op van het strandje. “We zagen van bovenaf,
dat er een nogal luidruchtig cruiseschip door de fjord voer, vlak langs
het zeiljacht, is het niet?” zei Robert boven het lawaai van het
buitenboordmotortje uit. “Ja, de stemming aan boord van dat schip was
prima. Frida en ik waren net op het voordek aan het zonnen,” antwoordde
Jacob. “Ik heb overigens de koers voor onze verdere reis bepaald. We
varen recht naar het westen. Maar eerst gaan we met het zeiljacht naar
het vissersdorp om wat spullen van Frida op te halen.” Hij wendde zich
tot Tristan en Isolde. “Als jullie van boord willen, wat ik niet hoop,
dan kan dat daar.”
“Wij blijven aan boord,” zei Tristan.
“Daar ben ik ben blij om,” zei Jacob. Ook Bianca en Robert
feliciteerden Tristan en Isolde met hun besluit. Aangekomen bij het
zeiljacht, klommen ze aan boord. Zij hesen de rubberboot uit het water
en lieten deze op het voordek leeglopen en drogen. Het anker werd
gelicht en na een kwartier lagen ze aan de kade in het rustige haventje
van het vissersdorp. Frida en Jacob gingen naar het kleine, rode
huisje. Bianca, Robert en Tristan en Isolde bleven aan boord. Het lukte
Robert om zijn laptop verbinding te laten maken met het internet. Toen
Frida en Jacob met vijf tassen terugkwamen, zei Robert “Ik heb hier
internetverbinding en ik heb goed en slecht nieuws, wat willen jullie
als eerste horen?”
“Begin maar met het slechte nieuws,” zei Jacob. “Dan bewaren we het
lekkerste voor het laatst.”
“Goed,” zei Robert. “Dan eerst het slechte nieuws. Er is een
internationaal opsporingsverzoek voor het zeiljacht de Bianca
uitgevaardigd. Er stonden foto’s van ons schip bij.”
“Waren er nog signalementen van de opvarenden?” vroeg Jacob.
“Alleen van Bianca,” antwoordde Robert.
“Ze zijn ons op het spoor,” zei Jacob. “Dit verandert overigens niets
aan ons plan. We vertrekken direct en houden een westelijke koers aan.
Wat is het goede nieuws?”
“En dan nu het goede nieuws,” zei Robert. “Frida en Jacob zijn
wereldberoemd. Kijk eens naar deze filmpjes van jullie zonnebad op het
voordek. De filmpjes staan nog maar pas op het internet en zijn al
duizenden malen bekeken. Voor de week om is, zullen ze door miljoenen
mensen bekeken worden.”
Op het scherm van de laptop verscheen een
veelvoud aan bewegend beeldmateriaal van Frida en Jacob op het voordek
van het zeiljacht. Verbluffende close-up scènes werden afgewisseld met
weidse panorama’s van de fjord waarin Frida en Jacob als miniaturen op
het zeiljacht figureerden. In de gesproken commentaren bij de filmpjes
werd een aantal malen de namen genoemd van de fjord en het vissersdorp,
dat in de breedbeeld opnames ook duidelijk op de achtergrond te
herkennen was. Ze moesten er hartelijk om lachen, vooral om het
fragment waarin Jacob vriendelijk met zijn pet zwaaide om daarna
onverstoorbaar en onverdroten de draad weer op te pakken.
“Komen ze ons hierdoor niet sneller op het spoor?” vroeg Bianca.
“Misschien wel,” zei Jacob. “Het zeiljacht staat er duidelijk
herkenbaar op. Maar ach, de medewerkers van de geheime diensten hebben
vast wel wat beters te doen dan naar dit soort filmpjes te kijken.”
“Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn,” zei Robert.
“Het is een afscheidscadeautje aan het vissersdorp, waar ik al die
jaren zo fijn gewoond heb,” zei Frida.
“Hoezo afscheidcadeautje?” vroeg Jacob.
Frida lachte en zei “Deze fjord zal de komende zomer een populaire
vakantiebestemming zijn!”
Ze maakten de landvasten los en zeilden terug naar zee. Bij het
passeren van één van de vele watervallen klonk het geruis van het
neervallende water. Daarna heerste er weer stilte. Bij de monding van
de fjord weken de steile berghellingen uiteen. Voor hen lagen de
eilandjes en daarachter het onmetelijke wateroppervlak van de oceaan.
Een bloedrode zon zakte langzaam in een donkere wolkenband die dreigend
boven de westelijke horizon hing. De boeg kliefde door de deining.
De avond van de volgende dag draaide de wind naar het
oosten en nam in kracht toe. De golven werden hoger. De barometer bleef
dalen. Jacob luidde de scheepsbel om iedereen bij zich in de stuurhut
te roepen. Frida, Bianca en Robert kwamen bovendeks. Tristan en Isolde
bleven in hun kajuit, al weer te ziek om op hun benen te staan. De
stuurhut was donker, enkel op het bedieningspaneel schenen gekleurde
lichtpuntjes. Overal om hen heen was slechts de diepe duisternis van
een bewolkte, maanloze nacht op de oceaan. “Er komt zwaar weer aan,”
zei Jacob. “De vraag is nu of we voor de wind gaan lenzen of dat we het
schip bijleggen met de boeg in de golven. Zelf ben ik voor lenzen. De
wind is pal oost en zo kunnen we goed opschieten op onze westelijke
koers.”
“Jij bent de schipper,” zei Frida.
“Zo is het, de kapitein beslist,” zei Bianca.
“Dan houden we onze koers aan,” zei Jacob vastberaden.
“Wat is veiliger, voor de wind varen of met de boeg in de golven
blijven liggen?” vroeg Robert.
“Met de boeg in de golven blijven liggen,” zei Bianca. “Voor de wind
lenzen kan gevaarlijk zijn vanwege achterop komende golven.”
Robert, die al bleek zag vanwege de bewegingen van het schip, trok nog
witter weg. Met alleen nog maar een stormfok werd het zeiljacht
voortgestuwd door de harde wind. Metershoge golven joegen achter hen
aan, haalden hen steeds net niet in. Robert werd zeeziek, maar durfde
niet in zijn kooi te gaan liggen en bleef bij de anderen in de
stuurhut. Die toonden geen angst. “Dit schip is gemaakt om te lenzen!”
riep Jacob enthousiast terwijl hij zijn handen om het stuurwiel klemde
en bijstuurde voor een kruisgolf, zodat deze net op tijd werd
opgevangen door het achtersteven. Schuimend water spoelde voortdurend
over het dek. Angstig keek Robert naar de stormfok, die gegeseld werd
door de wind en op scheuren stond. Luidkeels riep Robert de hemelse
machten om bijstand. Toen de golven rustiger werden, de wind afnam en
de barometer weer steeg, was de enige schade aan boord het gekwetste
gevoel van eigenwaarde van Robert. Jacob schepte er nog urenlang
genoegen in om Robert’s gejammer na te doen. Frida kon daarbij haar
lachen niet inhouden. Bianca had medelijden met Robert en zei “Ook hun
zal het lachen nog wel vergaan tijdens deze reis.” Robert vond deze
woorden eerder onheilspellend dan troostrijk.
Tristan en Isolde bleven ook de volgende dagen in hun achterkajuit. Het
zeiljacht was voor hen gevangenis en martelkamer tegelijk. Ze waren te
zeeziek voor welke taak dan ook waarmee zij zich maar enigszins nuttig
hadden kunnen maken aan boord. Een boek lezen was voor hen onmogelijk.
Robert voelde zich redelijk, maar beleefde weinig plezier aan de
zeereis. De lucht was onveranderlijk grauw en de oceaan leeg. Eenmaal
passeerden ze een klein eiland, niet meer dan een rots in de oceaan.
Duizenden vogels zwermden rond de eenzame spits, waarop hoge golven met
bulderend geraas stuk sloegen. Alken, zeekoeten, jan-van-genten,
papagaaiduikers en meeuwen vulden de lucht met een oorverdovend
gekrijs. De rots was vuilwit van de uitwerpselen en er hing een
doordringende geur van rotte vis. Geen enkel richeltje op de steile
kliffen was onbezet. Overal zagen ze zwarte en witte stipjes.
Jan-van-genten stortten zich met hun vervaarlijke snavel vooruit van
grote hoogte in het water. De rots verdween uit zicht. Daarna heerste
weer de eindeloze eentonigheid van de oceaan. Verspreid over de
onmetelijke lucht verplaatsten zich hoosbuien, waarvan het onmogelijk
was om de afstand te schatten, totdat ze plotseling boven het schip hun
lading uitwierpen en het dek blank stond van de regen. Lichter dan een
kleurloos vaalgrijs werd de lucht niet. Over de scheepsradio hoorde
Jacob een bericht, dat even de sleur doorbrak en opwinding veroorzaakte
aan boord, maar dat geen aanleiding gaf tot vreugde. Het cruiseschip
Professor Nanssen was verdwenen op volle zee met tweehonderd opvarenden
aan boord. De zee werd ruwer. De deining nam toe en stond loodrecht op
de windrichting. Door onverwachte kruiszeeën werden de bewegingen van
het schip onvoorspelbaar. Steeds vaker spoelde donkergroen zeewater
over het voordek. De barometer gaf een stand aan zo laag als Jacob nog
nooit eerder had gezien. Toen luidde Jacob de scheepsbel en iedereen
verzamelde zich in de stuurhut. Zelfs Tristan en Isolde kropen uit hun
achterkajuit en kwamen bovendeks. Krakend klonk over de scheepsradio
een commanderende stem, die steeds weer herhaalde dat de opvarenden van
het zeiljacht Bianca onder arrest stonden op basis van een
internationaal opsporingsbevel en dat zij zich zonder verzet moesten
overgeven. Jacob wees op een stipje aan de horizon dat snel dichterbij
kwam. Frida pakte de verrekijker en zei “Een marineschip.”
“Wat moeten we doen?” vroeg Bianca vertwijfeld. “Achter ons de marine
en voor ons een zware storm.”
“Zeg maar een orkaan,” zei Jacob.
“Als we ons laten arresteren, dan zitten we tijdens de orkaan aan boord
van het marineschip,” zei Robert.
“Ja, is dat niet veiliger?” vroeg Tristan.
“Ik vertrouw dit zeiljacht meer dan welk marineschip ook,” zei Jacob.
“En het is met deze zee levensgevaarlijk om op het marineschip over te
stappen.”
“Waarvoor zoeken ze ons eigenlijk?" vroeg Frida. "Voor het plunderen
van het Vikinggraf?”
“Nee, daarvoor zoeken ze vast een stelletje Hollandse walvisvaarders
uit de achttiende eeuw,” zei Jacob. “Er staat veel meer op het spel. Ik
heb goud vervoerd voor een illegale internetbank. Ik weet waar het goud
ligt opgeborgen. Het gaat om vele tientallen miljoenen.”
“Dus die illegale internetbanken bestaan echt,” zei Frida. “Ik dacht
altijd dat het oprollen van die zogenaamde illegale internetbanken een
verzinsel was van de overheid, een dekmantel om bepaalde groepen mensen
hun geld afhandig te maken.”
“Daar hebben machthebbers al eeuwenlang een hele goede dekmantel voor,
dat heet belasting,” zei Jacob. “De illegale internetbanken dienen
juist om de belasting te ontduiken en voor criminele transacties.”
“We kunnen alles ontkennen en er komt toch eerst een rechtszaak,” zei
Bianca. “We zijn onschuldig tot het tegendeel bewezen is.”
“Kom nou, ze maken draadjes vast aan je hersenen en ze komen alles te
weten wat je denkt en wat je ooit gedacht hebt,” zei Robert.
“Ook de bergplaats van het goud?” vroeg Jacob.
“Juist de bergplaats van het goud,” zei Robert. “Dat is het enige waar
ze in geïnteresseerd zijn.”
“Zouden ze het goud nog niet gevonden hebben?” vroeg Frida.
“Ik denk het niet,” antwoordde Jacob. “Anders zouden ze niet zoveel
moeite doen om ons midden in een storm te arresteren. Ze zijn zeker
bang dat we verzuipen en het geheim van de bergplaats met ons meenemen
naar de bodem van de oceaan.”
“Hoe hebben ze ons hier gevonden?” vroeg Bianca.
“Goede vraag,” zei Robert. “Heeft dit schip GPS-navigatie?”
“Ja, hier” antwoordde Jacob en hij wees naar een kastje boven het
bedieningspaneel. “Dat zat er al in toen ik het schip kocht. Ik kijk er
bijna nooit op.”
Robert bekeek GPS-ontvanger en zei "Dit is er één die niet alleen een
signaal ontvangt, maar ook een signaal uitzendt. Iedereen die de code
van het apparaat kent, kan precies de positie van het schip bepalen. De
geheime dienst moet die code van de vorige eigenaar hebben gekregen.
Het is stom van mij dat ik daar niet eerder aan heb gedacht."
"Beter laat dan nooit," zei Jacob en hij schakelde de stroomtoevoer
naar het GPS-apparaatje uit. "Als we weten te ontsnappen, dan zullen ze
ons niet zo makkelijk meer vinden."
Het grijze oorlogsschip was nu duidelijk met het blote oog te zien. De
dwingende stem kraakte nog steeds over de scheepsradio. Er klonken
schoten en een salvo kogels landde honderd meter voor de boeg van het
zeilschip.
“Het beste bewijs dat ze het goud nog niet gevonden hebben,” zei
Robert. “Anders hadden ze ons al met een raket naar de kelder geholpen
lang voordat we hen ook maar hadden kunnen zien.”
Jacob hield onverstoorbaar het zeiljacht op koers over het schuimende
en woelige oppervlak van de oceaan. Een tweede salvo kogels boorde zich
in de golven, nu vijftig meter voor de boeg. Tristan en Isolde grepen
elkaar geschrokken vast. Jacob pakte met één hand de microfoon van de
scheepsradio en begon te razen, te vloeken en te tieren. Hij verwenste
alle oorlogsbodems van de marine naar de hel en maakte de gezagvoerder
van het marineschip uit voor een laffe augurk die het al in zijn broek
deed bij de gedachte aan een eerlijk man tot man gevecht en die zeker
een medaille dacht te krijgen voor het beschieten van een onbewapend
plezierjacht. Met meer krachttermen dan gewone woorden deelde hij mee
dat hij niet van plan was bij te draaien nu de wind zo gunstig was. De
stem over de radio klonk nu minder gebiedend en begon hen te
waarschuwen, dat ze recht op een orkaan afvoeren. Hierop lachte Jacob
hard in de microfoon en hij schreeuwde dat zijzelf dan ook maar op
moesten passen met hun hoop schroot. “Nu heb je ze beledigd,” zei Frida
en ze wees naar het oorlogsschip. Een speedboot met zwaarbewapende
mariniers kwam met hoge snelheid op hen af over de hoge golven. “Ze
gaan ons enteren,” zei Frida met de verrekijker voor haar ogen. Zover
kwam het niet. De speedboot stuurde verkeerd op een golf af, die recht
boven het hoofd van de soldaten brak. Frida juichte “Omgeslagen, de
helden, ik zie ze dobberen! Hun automatisch opgeblazen reddingsvesten
zijn knaloranje. Het zijn net kleuters die nog moeten leren zwemmen.”
Het oorlogsschip pikte de drenkelingen op. Hierna werd er geen poging
meer gedaan om het zeiljacht te enteren. Het oorlogsschip volgde hen op
enkele honderden meters afstand, recht de orkaan in.
“Eens kijken wie het meeste lef heeft,” zei Jacob.
“En welke schip het beste blijft drijven,” stamelde Robert.
De achtervolging duurde uren. Tristan bracht Isolde, die huilde, terug
naar de achterkajuit en bleef bij haar. Ze hielden elkaar vast en
vreesden het ergste. De golven werden hoger en hoger, de dalen tussen
de golven werden dieper en dieper. Het oorlogsschip konden ze alleen
nog maar zien als beide schepen zich tegelijkertijd op de top van een
golf bevonden. De afstand tussen de schepen werd groter en het
oorlogsschip wijzigde de koers.
“Ze geven op, de lafaards,” riep Jacob.“Ze hopen nog om de orkaan heen
te kunnen varen.”
“En wij?” vroeg Robert, die half staand en half zittend zich aan een
stang in de stuurhut vastklemde.
“Wij krijgen de volle laag, voor ons is het onmogelijk om nog aan de
orkaan te ontsnappen,” antwoordde Bianca.
De lucht werd donkerder dan de donkerste nacht. Het zeiljacht dook in
een diep golfdal. Even leek het alsof de wind was weggevallen. De
stormfok en het gereefde zeil van de achtermast hingen slap. Jacob
zette de motor aan. Het schip kroop omhoog naar de top van de golf.
Hier botsten het zeiljacht tegen een massieve muur van wind en water.
Het staal van de stuurhut bonkte alsof er sloopkogels tegenaan beukten.
Voor de ruiten hing een voortdurend bewegend, maar ondoorzichtig
gordijn van water. Overal was water, pikzwart water dat op de ruiten
van de verlichte stuurhut kapot sloeg tot groen schuim. Robert hield
zijn ogen stijf gesloten. Tijdens de korte momenten dat hij zijn ogen
durfde te openen, zag hij hoe Bianca en Frida elkaar vasthielden. Hij
las de doodsangst van hun gezichten. Jacob had zijn handen geklemd om
het stuurwiel en maakte met zijn mond geluidloze bewegingen alsof hij
luidkeels vloekte. Geen stemgeluid was te verstaan boven het
oorverdovende gebulder van de wind en het gebeuk van het water op het
staal. Het schip maakte slagzij en verdween geheel onder de golven.
Water spoot door ventilatieopeningen naar binnen. De stuurhut vulde
zich vanaf de wand met kolkend water. Het was onmogelijk om zich
staande te houden. Ze gleden omlaag, tegen de wand van de stuurhut.
Voordat ze zich ergens aan vast konden grijpen, richtte het schip zich
langzaam weer op. Ze rolden terug naar de vloer en lagen op een hoop
over elkaar heen in het water, happend naar lucht. Het licht in de
stuurhut knipperde en doofde. Even zag Robert nog de kleine groene en
rode lichtjes op het bedieningspaneel, toen was er alleen nog maar
duisternis, diepe duisternis te midden van het gebulder van de wind en
het bonken en het schokken van het schip. Weer maakte het schip
slagzij. De beweging was nu vele malen heftiger en bezat een enorme,
plotselinge kracht. Het zeiljacht leek rond haar as te draaien, op haar
kop te blijven drijven. Robert’s handen gleden van de stang waaraan hij
zich op de tast had vast geklampt en hij viel omlaag naar het dak van
de stuurhut. Zijn hoofd raakte als eerste het staal. Nog voordat hij de
klap voelde, stopten zijn zintuigen. Hij verloor ieder
waarnemingsvermogen.
Verbaasd opende Robert zijn ogen. Hij lag op de vloer van de stuurhut
en hij zag hoe Bianca zich over hem heen boog. “Robert komt bij,” riep
ze. Jacob en Frida kwamen om hem heen staan.
Robert ging zitten en hij voelde hoe zijn natte kleren om hem heen
plakten.
“Je hebt een lelijke wond op je hoofd,” zei Bianca. “Ik heb het al
verbonden.”
Robert bracht zijn hand naar zijn hoofd. Er zat een verband op de
plaats waar normaal zijn cowboyhoed op stond.
“Waar is mijn hoed?”
“We hebben net een zware orkaan overleefd en het eerste wat
hij vraagt
is waar zijn hoed is,” zei Jacob lachend.
“Hier is je hoed,” zei Bianca en ze gaf Robert zijn drijfnatte
cowboyhoed. “Ik zou de hoed voorlopig maar niet opzetten, anders wordt
het verband nat.”
“En bovendien past de hoed vast niet meer,” zei Jacob. “Jouw hoofd is
door het verband een paar maten groter geworden.”
“Hoe lang ben ik bewusteloos geweest?” vroeg Robert.
“We
zijn allemaal minstens tien uur buiten kennis geweest, maar jij nog
een paar uur langer,” zei Jacob. “Op de piek van de orkaan moeten we
allemaal ons bewustzijn verloren hebben, waarschijnlijk toen het schip
voor de tweede keer kapseisde. De dames en ik zijn al weer wat uurtjes
bij kennis. Je hebt het opruimen van puinhopen in de kajuit gemist.
Terwijl jij nog wat langer uitrustte kregen wij een lamme arm van de
handpomp. Liters water hebben we overboord gezwengeld. Alle elektrische
systemen en apparaten zijn defect. Ook de motor doet het niet meer. Het
meest vreemde is dat het kompas naar iedere willekeurige richting wijst
behalve naar het noorden. Alle kwartsklokken aan boord zijn kapot. Het
scheepsklokje is mechanisch, dat loopt nog. Daarom weet ik ongeveer
hoeveel tijd er is verstreken sinds het begin van de orkaan.”
“Er is verbluffend weinig schade aan het schip,” zei Bianca. “De
stormfok en het zeil van de achtermast zijn aan flarden. Dat is alles
en het is geen probleem dankzij de reservezeilen.”
“Het is een wonder dat we de orkaan overleefd hebben,” zei Jacob. “Er
heeft urenlang niemand aan het roer gestaan.”
“Waar zijn Tristan en Isolde?” vroeg Robert. Jacob lachte en wees door
het raam van de stuurhut naar de boeg van het schip. Robert stond
voorzichtig op en keek naar buiten. Zijn ogen knipperden even van het
felle zonlicht, dat weerkaatste op de witte voorzeilen. Tristan en
Isolde zaten met de armen om elkaars schouder geslagen op het voordek,
alsof ze nooit zeeziek waren geweest, alsof ze nooit een orkaan hadden
meegemaakt. Het wateroppervlak golfde kalm en er was geen wolkje aan de
lucht. Robert kreeg een onwerkelijk gevoel.
“Is dit het beruchte oog
van de orkaan?” vroeg hij. “Is dit maar een tijdelijke kalmte?”
“Dat dachten we eerst ook,” zei Bianca. “Maar het is urenlang heerlijk
weer. Er staat een licht briesje en we zeilen al weer meer dan een uur
voor de wind.”
“Waar gaan we naar toe?” vroeg Robert.
“Verder naar het westen,”
antwoordde Jacob. “Naar Atlantis.”
“Hoe weten je de richting?” riep Robert verbaasd. “Het kompas is toch
kapot!”
“We volgen de dalende zon,” zei Jacob. “Maar daar is ook iets vreemds
mee. De zon lijkt van rechts naar links langs de hemel te bewegen.”
“Je wilt toch niet zeggen dat we op het zuidelijk halfrond zijn?” vroeg
Robert verbaasd.
“Misschien. We zijn de orkaan binnengevaren op ongeveer zestig graden
noorderbreedte. Aan de stand van de zon te oordelen, lijkt het er op
dat we tijdens de orkaan van het noordelijk halfrond verplaatst zijn
naar het zuidelijk halfrond, zo ergens tussen de vijftig en zestig
graden zuiderbreedte.”
“Maar dat is een afstand van duizenden kilometers,” zei Robert.
“Ja, ongeveer van de Faeröer naar het eiland Zuid-Georgië, dat niet ver
van de Zuidpool ligt,” zei Jacob. “Wat normaal een zeiltocht is van
maanden, hebben wij in minder dan een etmaal gedaan. Dat is onmogelijk.
Ik denk eerder dat we tijdens de orkaan in een andere wereld terecht
zijn gekomen.”
“We zijn de Midgardslang voorbij gevaren,” zei Frida. “De orkaan werd
veroorzaakt door de Midgardslang, die ons tegen wilde houden.”
“Dat is voor mij minstens zo absurd, nee nog absurder!” zei Robert.
“Dan geloof ik nog liever dat we ergens bij de Zuidpool zijn. Stel dat
we nog steeds in onze oude vertrouwde wereld zijn, van mijn part in de
buurt van Zuid-Georgië, waar varen we dan naartoe?”
“Recht op de kust van Vuurland af, het zuidelijkste puntje van
Patagonië, niet ver van Kaap Hoorn,” antwoordde Jacob. “Bij deze
snelheid nog ongeveer twee tot drie weken varen. En of we nu in, zoals
jij het noemt ,‘onze oude vertrouwde wereld’ zijn of voorbij de
Midgardslang, het is in beide gevallen hard nodig dat we binnen
enkele weken de wal aandoen. Onze voorraden zijn niet onbeperkt.”
Vijf dagen voeren zij zonder land te zien. Ondanks dat het zeiljacht
soms danste op de deining, hadden Tristan en Isolde geen last van
zeeziekte. Zij voelden zich fit en de eetlust liet hen geen moment in
de steek. De hoofdwond van Robert genas binnen enkele dagen zonder
litteken. Zijn bril had hij niet meer nodig. Hij zag scherp zonder.
Bianca en Frida lieten beurtelings aan hem merken hoe blij ze waren,
dat hij het uilenmontuur niet meer op zijn neus droeg. Het klimaat was
zeer aangenaam en stabiel, veel te aangenaam en te stabiel voor de
wateren tussen het barre eiland Zuid-Georgië en het onherbergzame
Vuurland. Overdag was het vijfentwintig graden en ‘s nacht daalde de
temperatuur niet onder de twintig. Aan de heldere, nachtelijke hemel
schitterden ontelbare sterren in onbekende constellaties. De maan
vertoonde zijn vertrouwde gezichten, maar haar baan aan de hemel liep
van rechts naar links, net als die van de zon. Iedereen aan boord was
in
opperbest humeur. Zelfs Robert wende langzaam aan het idee dat zij in
een andere, misschien wel betere wereld terecht waren gekomen. Alleen
Tristan werd steeds stiller. Hij droomde weer van de droomkoningin,
maar dat vertelde hij aan niemand, ook niet aan Isolde.
Op de zesde dag na de orkaan zagen ze een smalle, donkere strook aan de
horizon. Er boven had het blauw van de lucht een lichte, roze
weerschijn. De volgende dag voeren ze langs een woeste rotskust. Overal
sloegen metershoge golven met donderend geweld en bruisend schuim stuk
op loodrechte kliffen. Langs de bovenrand van de rotsen groeide een
weelderige vegetatie. Lange lianen vol met fel gekleurde bloemen hingen
omlaag tot vlak boven de brekende golven. Ze volgden drie dagen lang
deze ongenaakbare kust. Op de tiende dag na de orkaan verbrokkelde de
kustlijn in ontelbare eilandjes, omspoeld door het water van een brede
zeearm. Jacob durfde de zeearm niet in te varen. Hij vreesde ondiepten
en verraderlijke stromingen tussen de eilandjes. Langs de monding van
de zeearm zeilden ze op volle zee de eilandjes voorbij, totdat ze vijf
dagen later de andere oever van de zeearm zagen, waarna de rotskust
weer ononderbroken verder ging. Drie dagen zeilden ze langs de
kustlijn. Steeds zagen ze de steile kliffen en de woeste branding.
Nergens vonden ze een plek om aan land te gaan. Jacob luidde de
scheepsbel voor beraad in de stuurhut. De voorraden aan boord slonken
gestaag. Met iedere dag dat ze verder voeren, duurde de terugreis naar
de zeearm een dag langer. Jacob herinnerde zich een doorgang tussen de
eilandjes, die hem wat meer vertrouwen had ingeboezemd. Allen stemden
in met het besluit om de steven te wenden en terug te varen naar de
zeearm.
Drie weken na de orkaan stuurde Jacob het zeiljacht voorzichtig
een doorgang tussen twee eilandjes in, waar het water minder schuimde
en kolkte dan elders in de monding van de zeearm. Bianca stond op de
voorplecht. Zij wierp steeds opnieuw het lood en riep de peiling naar
de stuurhut. Achter de eilandjes lagen weer andere eilanden, die stuk
voor stuk groter werden naarmate ze de zeearm verder invoeren. Enkele
uren voor zonsondergang streken zij de zeilen en gingen in de luwte
tussen twee eilanden voor anker. De rubberboot werd opgepompt en te
water gelaten. Bianca en Robert peddelden naar het strand. Net als de
scheepsmotor was ook het buitenboordmotortje defect. Onwennig gingen ze
aan land. Ze liepen over het brede strand landinwaarts het eiland op.
Waar het strand ophield, begon een ondoordringbare jungle. Uit de
takken van huizenhoge bomen hingen lianen omlaag, dicht bezet met gele,
oranje, rode, paarse en roze bloemen en vruchten en bessen in
evenzoveel kleuren. Om de bloemen zwermden kleine vogeltjes, niet
groter dan een pink en met een glanzend verenkleed in alle kleuren van
de regenboog. Sommige bloemen hadden de vorm van een diepe beker met
een gewelfde rand, waarop de vogeltjes zaten terwijl ze met hun lange
tong de nectar van de bodem van de beker oplikten. Er waren ook
bloemen, waar een klein bolvormig middelpunt omringd werd door een
krans van fel gekleurde kroonblaadjes. De vogeltjes zweefden vlak voor
deze bloemen met snel bewegende vleugeltjes als kolibries stil in de
lucht om de overdadige nectar uit het bolronde centrum op te likken.
Iedere bloem had zijn eigen zware, bijna bedwelmende geur. Ze liepen
verder over het strand langs de rand van het oerwoud. Na vijfhonderd
meter vonden ze een beekje dat vanuit het oerwoud slingerend het strand
af stroomde. Het water was helder en smaakte zoet. Bianca en Robert
waren enthousiast over hun vondst van drinkwater en ze zwaaiden naar
het zeiljacht. Ze zagen drie drakeschepen vanachter een ander eiland te
voorschijn glijden. Regelmatig bewogen de lange riemen in het water. De
laagstaande zon scheen op de drakekoppen, die langzaam op het zeiljacht
af slopen. Luid roepen renden Bianca en Robert terug naar de
rubberboot. Hiermee trokken ze de aandacht van Jacob, Frida, Tristan en
Isolde, maar bereikten ze het tegenovergestelde van wat ze wilden. De
op het zeiljacht achtergebleven bemanning tuurde met ingehouden adem
naar het strand. Ze dachten aan gevaar op het eiland en ze verwachtten
ieder moment, dat bloeddorstige roofdieren uit het oerwoud sprongen om
Bianca en Robert als avondmaal te verscheuren. Geheel in beslag genomen
door het bloedstollende beeld van de wanhopige vlucht van Bianca en
Robert over het strand, keken zij niet om en zo zagen zij niet het
werkelijke gevaar dat voor hen allen op de loer lag. Pas toen Bianca en
Robert bij de rubberboot en binnen gehoorsafstand waren, begrepen de
wachtposten in de stuurhut de aanwijzing en draaiden zij zich om.
Terwijl Bianca en Robert in hoog tempo naar het zeiljacht
terugpeddelden, zag Jacob met zijn scherpe veldheersblik hoe zij
ingesloten werden door de drie drakenschepen. Het was toen al te laat
om het anker te lichten en de zeilen te hijsen en ook al was er wel
tijd geweest om het anker te lichten en de zeilen te hijsen, dan had
het hun niet geholpen, want de wind was gaan liggen. De zwarte,
vierkante zeilen van de door krachtige spieren geroeide drakeschepen
hingen slap tegen de mast. Er was geen ontkomen meer aan. Zij zaten als
ratten in de val. Zij zagen de woeste, bebaarde gezichten van de
Vikingen achter ronde, met ijzer beslagen schilden. Het dieporanje
zonlicht weerkaatste op halfronde helmen en schitterde op dubbele
strijdbijlen en op het naakte staal van vlijmscherpe zwaarden. Bogen
waren gespannen, pijlen gericht op de stuurhut en op Bianca en
Robert, die langs de zwemtrap aan boord van het zeiljacht klauterden.
Isolde schreeuwde van schrik. Tristan sloeg zijn armen beschermend om
haar heen. Frida stond aan de grond genageld en staarde verbaasd naar
de Vikingen. Jacob dook de treden af omlaag in de kajuit.
Na enkele tellen kwam Jacob weer boven in de stuurhut. Hij ging het dek
op en spreidde zijn armen in de lucht. In iedere hand hield hij een
Vikingsierraad omhoog, in zijn linker hand de gouden mantelspeld, in
zijn rechter hand de zilveren hamer van Thor. Het goud en het zilver
blonken in het licht van de ondergaande zon. Drie keer riep hij
luidkeels “Knútr Haraldrson!” De Vikingen zwaaiden niet langer met hun
bijlen. Zwaarden werden veilig in de schede opgeborgen. De pijlen, die
kort ervoor nog dreigend op het zeiljacht waren gericht, gingen omlaag.
De bogen werden ontspannen. Luid gejuich ging op van de drie
drakeboten. “Knútr Haraldrson! Knútr Haraldrson!” Vanuit ieder
drakeschip werd het uiteinde van een lang touw naar Jacob gegooid, die
hij één voor één vastmaakte aan een kikker op de voorplecht. Jacob
lichtte het anker. De Noormannen zetten zich weer aan de riemen. De
drie drakeboten kwamen in beweging, de drie touwen werden strak
getrokken, het zeiljacht meegesleept. De rubberboot, die was
vastgebonden aan de zwemtrap, dobberde er achteraan. In de schemering
voer het konvooi door een doolhof van eilandjes. Op de achterplecht van
ieder drakeschip stond een zanger, een skald, die uit volle borst zong.
Eerst zongen de drie skalden om het hardst en door elkaar heen ieder
hun eigen compositie, maar naar enig geharrewar en geruzie over het
water heen werden de drie zangers het eens over het refrein, dat ze
eenstemmig zongen, waarna om de beurt één van de skalden een nieuw
couplet voordroeg. Frida kon tot haar verbazing de tekst verstaan en ze
vertelde de inhoud van het lied aan haar reisgenoten in de stuurhut.
Het was het verhaal van Knútr Haraldrson. Met tien langschepen vertrok
hij, op zoek naar onontdekte kusten om een nieuwe kolonie te stichten.
Honderd sterke jonge mannen voeren er mee en honderd mooie jonge
vrouwen. Midden op de wijde zee werden ze aangevallen door de
Midgardslang. Knútr Haraldrson stond voor op de boeg. Met één hand
hield hij zich vast aan de in hout uitgesneden drakenkop, zijn andere
hand klemde hij om het handvat van zijn formidabele strijdbijl. Terwijl
de golven over hem heen sloegen, slingerde hij de strijdbijl klap na
klap in het schuim van de zee. Wat geen god gelukt was, dat lukte Knútr
Haraldrson, Hij versloeg de Midgardslang. Weg vluchtte de Midgardslang.
Behouden bereikten zij het nieuwe land, dat bevolkt werd door een week
en verwijfd ras. Knútr Haraldrson voer de brede zeearm op en overal
waar hij en zijn strijders aan land gingen, behaalden zij de
overwinning. Overal werd de strijdbijl van Knútr Haraldrson gevreesd.
In paniek vluchten de slappelingen en lafaards voor hem uit,
struikelend over hun kostbare, lange gewaden. Voor het kasteel van de
koning vond een veldslag plaats. De skalden bezongen langdradig en vol
beeldspraak het roemrijke gevecht. Frida kon even op adem komen van het
vertalen. De skalden zongen over de bloedrode dauw van de slachting en
de oogst van de raven. De bijl van Knútr Haraldrson maaide door de
gelederen van de tegenstanders als een sikkel door het rijpe graan. Na
vele coupletten lagen de koning en al zijn soldaten neergeslagen op de
grond. De Vikingen trokken het kasteel binnen. Op de binnenplaats stond
een reusachtige man, bedekt met gouden schubben. Na een woest en
heldhaftig gevecht van man tegen man overwon Knútr Haraldrson de reus.
Knútr Haraldrson kon de reus, die onkwetsbaar was, niet doden en hij
zette de gouden reus gevangen in een kooi op de binnenplaats van het
kasteel. Daarna plunderden de Vikingen het kasteel. Met de heerlijke
spijzen en dranken die zij in de keuken en de voorraadkelders vonden,
richtten zij een groot overwinningsfeest aan in de koningszaal van het
kasteel. In het grauwe licht van de dageraad ontwaakten de Vikingen uit
hun overwinningsroes. De kooi op de binnenplaats was opengebroken en de
gouden reus verdwenen. Een groot leger bestormde het kasteel om het op
de Vikingen te heroveren. De gouden reus was een tovenaar. Hij had de
gevallen koning en zijn soldaten tot leven gewekt. Hij had de rottende,
door raven aangevreten lichaam veranderd in onoverwinnelijke,
onsterfelijke skeletsoldaten. Knútr Haraldrson probeerde de poort van
het kasteel nog te sluiten, maar tevergeefs. Het hierop volgende
gevecht op de binnenplaats werd met weinig woorden bezongen door de
skalden. De moedige Knútr Haraldrson en zijn trouwe medestrijders
konden niet anders dan door een achterpoortje vluchten voor deze
overmacht. Sindsdien werden zij voortdurend opgejaagd door de koning en
zijn skeletsoldaten. Ze trokken zich met hun vrouwen in de langschepen
terug naar de eilanden in de monding van de zeearm, steeds op de
vlucht. Alleen gedroogde vis hadden zij te eten, terwijl ze hunkerden
naar de heerlijke spijzen in het kasteel van de koning. Knútr
Haraldrson kon de gedroogde vis niet meer door zijn keel krijgen. Hij
kon de lucht en de aanblik ervan niet langer meer verdragen. Met zeven
langschepen voer hij weg om versterking te halen. Knútr Haraldrson zal
terugkeren met een grote schare krijgers, zongen de skalden, en hij zal
opnieuw zegevieren. Zo eindigde het lied van Knútr Haraldrson. Hierna
bezongen de skalden de wijsheid van de drie aanvoerders van de drie
drakeschepen, Egill, Sveinn en Gísli. Hoe zij steeds weer de koning en
zijn skeletsoldaten te slim af waren door op tijd te vluchten. Het
konvooi van de drie drakeschepen en het zeiljacht bereikte een baai van
een groot eiland. Op het strand brandden vele vuren en de lucht was
vervuld van de geur van gedroogde vis. De skalden zwegen. Jacob maakte
de touwen los van de voorplecht en liet het anker van het zeiljacht
zakken. De Vikingen sprongen in het donkere, ondiepe water en trokken
hun schepen op het witte strand.
Voordat ze in de rubberboot stapten om naar het strand te peddelen, zei
Jacob tegen zijn reisgenoten dat ze op geen enkele manier aan de
Vikingen mochten laten merken, dat Knútr Haraldrson overleden was.
Zolang de Vikingen dachten dat zij afgezanten waren van Knútr
Haraldrson, waren ze veilig. Op het door vuren verlichte strand aten ze
een maal gedroogde vis mee met de Vikingen. Als drank kregen ze er
water
bij. Gedroogde vis en water was alles wat de Vikingen te eten en te
drinken hadden. Jacob liet Frida in een mengelmoes van Noors en
IJslands, wat de Vikingen het best bleken te verstaan, uitgebreid
bedanken voor de geboden gastvrijheid en op zijn beurt nodigde hij de
drie aanvoerders van de drakeschepen aan boord van het zeiljacht.
Egill, Sveinn en Gísli gaven meteen gehoor aan de uitnodiging en
terwijl de gastheer en zijn reisgenoten in de rubberboot naar hun
zeiljacht terugpeddelden, roeiden de drie gasten in een klein,
overnaads bootje mee. Egill, Sveinn en Gísli klommen in het donker
lenig aan boord zonder gebruik te maken van de zwemtrap en ze volgden
Jacob door de stuurhut de kajuit in. De breedgebouwde, ruwe Vikingen
gingen zitten op de zachte, blauwe, pluche kussens. Frida zat er als
tolk bij. In het licht van het olielampje boven de tafel opende Jacob
de laatste fles wijn aan boord en hij schonk de glazen van zijn gasten
en zichzelf in. Bianca, Robert, Tristan en Isolde zaten op de zeekooi
aan de andere kant van het gangpad en keken met lege handen en dorstige
kelen toe. “Knútr Haraldrson!” riep Jacob en hij nipte aan zijn wijn.
“Knútr Haraldrson!” riepen de drie aanvoerders, maar het klonk niet erg
enthousiast. De Vikingen sloegen hun glazen achterover. Straaltjes rode
wijn sijpelden door hun rossige baarden. Er zat nog net genoeg in de
fles om de glazen van de gasten opnieuw te vullen. Weer leegden Egill,
Sveinn en Gísli in één teug hun glas en zetten het met een krachtig
gebaar weer op tafel. De aanvoerders spraken en Frida vertaalde.
“De boodschappers van Knútr Haraldrson drinken wijn aan boord, terwijl
wij enkel water hebben,” zei Egill.
“We zijn het zat om water te drinken,” zei Sveinn.
“En om gedroogde vis te eten,” zei Gísli.
“We eten al meer dan duizend jaar enkel gedroogde vis met water erbij,”
zei Egill. “Waar blijft Knútr Haraldrson?”
“Ja, wanneer komt hij met zijn beloofde schare krijgers om het kasteel
te veroveren?” vroeg Sveinn.
“Hij is toch niet te oud geworden voor de zeetocht en voor de strijd?”
vroeg Gísli smalend.
Nadat Frida deze laatste opmerking van Gísli
vertaald had, sloeg Jacob met zijn vuist op tafel en ging staan. Hij
riep met gespeelde boosheid “Wie durft er te twijfelen aan de moed van
Knútr Haraldrson?” Frida sloeg ook met haar vuist op tafel, ging staan
en riep vertoornd in het mengelmoesje van IJslands en Noors “Wie durft
er te twijfelen aan de moed van Knútr Haraldrson?”
“Niemand twijfelt er aan de moed van Knútr Haraldrson,” zei Gísli snel.
“Groot en veelvuldig zijn de heldendaden van Knútr Haraldrson,” zei
Sveinn.
“Spoedig zal Knútr Haraldrson komen,” zei Egill. “Schouder aan schouder
zullen wij strijden.”
Zonder verder iets te zeggen stonden de drie Noormanhoofdmannen op en
gingen achter elkaar de kajuit uit naar de stuurhut en het dek op. Ze
sprongen over de zeereling van het zeiljacht en belandden in het
roeibootje. Bedaard roeiden zij terug naar het strand en daar ging
ieder naar zijn tent, naar zijn eigen vrouw.
“Knútr Haraldrson was niet op het stalen schip,” zei Gísli tegen zijn
vrouw Katla.
“We moeten niet langer op hem wachten,” zei Katla. “Jij moet de nieuwe
stamleider worden.”
In een andere tent zei Sveinn tegen zijn vrouw Ragnhildr “Gísli denkt
dat Knútr Haraldrson te oud is geworden voor de zeetocht.”
“Gísli wil zelf stamleider worden,” zei Ragnhildr.
“Dat laat ik nooit
gebeuren,” zei Sveinn.
In weer een andere tent zei Egill tegen zijn vrouw Eyfura “Als Knútr
Haraldrson nog lang weg blijft, dan gaan Sveinn en Gísli vechten om het
leiderschap van de stam.”
“Dan weet je wat je te doen staat,” zei Eyfura.
“Ja, als Sveinn en
Gísli uitgeput zijn van de strijd, dan grijp ik mijn kans,” zei Egill.
“Dan laat ik mijn gezag gelden en word ik de nieuwe stamleider.”
Aan boord van het zeiljacht hadden ze het roeibootje met de drie
aanvoerders vanuit de stuurhut nagekeken. Daarna waren ze teruggegaan
naar de kajuit. Jacob had zijn nog volle glas rond laten gaan, zodat
iedereen een slok kon nemen van de laatste wijn aan boord.
“Het broeit tussen die Egill, Sveinn en Gísli,” zei Frida. “Het bevalt
mij niets.”
“Volgens mij wil ieder van hen zelf de macht grijpen,” zei Jacob. “Ik
ben bang, dat wij als zogenaamde boodschappers van Knútr Haraldrson als
een obstakel gezien worden, dat als eerste uit de weg geruimd moet
worden. Mijn list om ons als zijn gezanten voor te doen, zou
uiteindelijk wel eens tegen ons kunnen werken.”
“We hebben er in ieder geval tijd mee gewonnen,” zei Robert.
“Laten we hier weg gaan,” zei Isolde. “Ik vertrouw die Vikingen voor
geen cent.”
“Ja, waarom varen we niet gewoon weg?” zei Tristan. “Dit moderne
zeiljacht is vast en zeker veel sneller dan die drakeboten.”
“Daar zou ik niet helemaal op vertrouwen,” zei Jacob. “De waterlijn van
de drakeboten is langer dan van dit jacht. Zij kunnen roeien en wij
niet. En onderschat hun zeemanskunst niet. Bovendien kennen zij deze
wirwar van eilandjes als hun broekzak terwijl wij er makkelijk in
kunnen verdwalen.”
“Deze boot kan hoger aan de wind zeilen,” zei Bianca. “Op een koers
scherp aan de wind kunnen we ze gemakkelijk afschudden.”
“Ja, dat is ons enige voordeel,” zei Jacob. “Maar dat voordeel kunnen
we pas benutten op ruim water en daarvoor moeten we eerst deze baai uit
zien te komen. Dat is eigenlijk het grootste probleem, om ongemerkt
deze baai uit te komen. Ik zag daarnet, dat er wachtposten zijn gezet
op de drakeboten. Die houden ons voortdurend in de gaten. Voordat we
het anker gelicht hebben en de zeilen gezet, liggen wij met een pijl
door ons lichaam op het dek.”
“We kunnen de ankerketting stilletjes laten schieten en tegelijkertijd
de rolfok uittrekken,” zei Bianca. “Met voldoende wind uit de juiste
richting kunnen we daarmee snel genoeg de baai uit komen.”
“Onder beschutting van de duisternis heeft dat wel kans van slagen,”
zei Jacob. “Als er een vrijwilliger is om naar de ankerlier te
sluipen.”
Robert stak zijn hand omhoog. “Ik trek wel een dik reddingsvest aan als
harnas tegen de pijlen en donkere kleren erover heen. Wanneer wagen we
het er op?”
“Niet vannacht.” zei Jacob. “Het is windstil. Laten we gaan slapen.
Zolang we de schijn op kunnen houden, dat Knútr Haraldrson in aantocht
is met een groot leger, dan zullen Sveinn, Egill en Gísli ons wel met
rust laten.”
De volgende morgen stak de wind op, maar uit de verkeerde richting. Er
stond een stijve bries pal op de opening van de baai. Op ieder van de
drie drakeschepen, die op het strand getrokken lagen, stond een
grimmige Viking bewapend met pijl en boog. Om hen uit te proberen, liep
Robert nonchalant over het dek van het zeiljacht naar voren. Nog
voordat hij bij de ankerlier was, waren er drie pijlen op hem gericht.
Hij zwaaide vriendelijk naar de boogschutters en dwong zichzelf rustig
terug te lopen naar de stuurhut, terwijl zijn hart klopte in zijn keel.
Wat later peddelde hij met Bianca in de rubberboot naar het strand. Dit
keer werden er geen pijlen op hen gericht. Op het strand kuierden ze
tussen de kookvuren van de Vikingen door. Mannen en vrouwen in ruwe
kleren keken hen wantrouwend aan. Toen ze de vijandige blikken en de
lucht van gedroogde vis niet langer meer konden verdragen, liepen ze
terug naar de rubberboot. Ze peddelden naar het zeiljacht. Jacob stond
op het dek en tuurde aandachtig met de verrekijker naar de vlakke
horizon van het water tussen twee eilanden. Met het blote oog zagen
Bianca en Robert langzaam een lichte stip naderen en groter worden en
uiteenvallen in tien kleine, donkere stippen met daarachter één grote,
witte weerkaatsing van het zonlicht. Jacob luidde de scheepsbel en ook
Frida, Tristan en Isolde kwamen bovendeks. De verrekijker ging van hand
tot hand. Tien sloepen trokken met lange kabels traag een tientallen
meters lang passagiersschip richting de baai. De sloepen werden geroeid
en waren voorzien van geïmproviseerde masten met eenvoudige zeilen
“Het grote schip drijft met de wind mee,” zei Jacob. “Die
sloepen doen
niet meer dan een beetje bijsturen.”
“Ik kan de naam op de boeg lezen,” zei Tristan, die de verrekijker had.
“Nanssen staat er, met wat kleinere letters ervoor.”
“De Professor Nanssen!” riep Robert. “Een oude bekende. Dat is het
kleine cruiseschip dat we in de fjord hebben gezien, met allemaal
bejaarden aan boord, die Jacob en Frida gefilmd hebben.”
Op het strand ontstond beroering. De Vikingen hadden het schip ook
gezien. Ze duwden de drakeboten in het water. Moeizaam roeiden ze de
houten boten tegen de wind in naar de opening van de baai. Daar
aangekomen konden ze niets anders doen, dan ruimte maken voor het veel
grotere, witte schip. dat door de wind de baai in werd gedreven. Het
dreef recht op het zeiljacht af.
“Moeten we niet opzij gaan?” vroeg
Robert bezorgd.
“Geen paniek,” zei Jacob. “Ze komen nooit voorbij die zandbank.” Hij
wees naar een grote vlek op het wateroppervlak, waar golfjes ontstonden
en braken. Precies op de plek die Jacob aangewezen had, liep de
Professor Nanssen aan de grond, tientallen meters van het zeiljacht en
ruim honderd meter van het strand. De Vikingen hielden eerbiedig
afstand van het passagiersschip. Ze telden de oude mannen en vrouwen in
de sloepen en langs de relingen van het grote, witte schip. De Vikingen
zagen dat de oude mannen en vrouwen een overmacht vormden en wachtten
af. Liever verschalkten zij hun prooi met list en bedrog dan in een
gevecht met ongewisse afloop. Ondertussen waren de sloepen met
gestreken zeilen langzij de Professor Nanssen gekomen. Aan touwen
werden in netten wijnvaten vanaf het grote schip omlaag gelaten. De
sloepen, met ieder een vat wijn aan boord, werden naar het strand
geroeid, gevolgd door de drakeschepen. De vaten werden op de schouders
aan land gedragen en gretig door de Vikingvrouwen in ontvangst genomen.
Nog voordat de Vikingmannen de drakeschepen op het strand hadden
getrokken, was het eerste wijnvat aangeslagen en begonnen de vrouwen
alvast met het drinkgelag. Op de terugweg van de sloepen naar de
Professor Nanssen kwam één sloep langzij het zeiljacht. De roerganger
ging staan in de sloep en reikte een brief aan, die Robert onder de
zeereling door aanpakte. Terwijl de roeiers in de sloep met de riemen
afduwden tegen het zeiljacht, riep de roerganger “Vergeet vanavond niet
jullie kleren aan te trekken!” De oude mannen en vrouwen aan de riemen
bulderden van de lach en roeiden de sloep terug naar hun schip. In de
stuurhut opende Robert de envelop, haalde de brief eruit en las de
korte inhoud voor. “Aan de opvarenden van het zeiljacht Bianca, U bent
vanavond uitgenodigd aan boord van de Professor Nanssen voor een gala
om de behouden aankomst in Atlantis te vieren. Passende kleding
gewenst. Weest gegroet, Arnold Richener, kapitein en eigenaar van het
expeditieschip Professor Nanssen.”
“Expeditieschip!” zei Jacob smalend.
“Het heeft niet eens zeilen.”
“Dat van die passende kleding is onderstreept,” zei Robert.
“Mijn kleren passen altijd,” bromde Jacob.
“Wat Frida en jij bij de vorige ontmoeting met de Professor Nanssen aan
hadden, had te weinig om het lijf voor een gala!” zei Bianca en
iedereen lachte, Frida en Jacob om het hardst.
“Ik heb wel zin in een feestje,” zei Frida.
“Ja, wie gaat er met ons mee?” vroeg Bianca.
“Ik,” zei Robert. “Uit nieuwsgierigheid.”
“Ja,” zei Jacob. “Het is een goede gelegenheid om een kijkje te nemen
aan boord van dat expeditieschip en kennis te maken met de kapitein,
met die Arnold Richener.”
“Wij blijven liever hier,” zei Isolde.
“Dan zijn we eindelijk weer eens samen, zonder jullie,” zei Tristan.
“Begrijp het niet verkeerd,” voegde hij er snel aan toe.
“Natuurlijk begrijpen we het wel,” zei Frida. “Niet iedereen is zo
ongegeneerd als Jacob en ik.” Allen lachte.
Die avond kwamen Frida, Bianca, Robert en Jacob in passende kleding aan
dek van het zeiljacht. Frida en Bianca droegen korte strandjurkjes.
Robert en Jacob hadden hun gebruikelijke kleren aan. Ze vonden hun
hoofddeksels, cowboyhoed en marinepet, feestelijk genoeg. Ze stapten in
de rubberboot en peddelden naar het grote passagiersschip. Ontelbare
sterren weerspiegelden in het rimpelloze wateroppervlak. Luide
drinkliederen klonken door de warme, windstille avondlucht vanaf het
strand, waar de vreugdevuren hoog oplaaiden. Naarmate ze dichter bij
het passagiersschip kwamen, hoorden ze duidelijker de tonen en het
opzwepende ritme van dansmuziek. Ze vonden een lange touwladder, die
langs de zijkant van het schip omlaag hing. Ze maakten de rubberboot
vast aan de touwladder en één voor één klommen ze omhoog. Op het geluid
van de dansmuziek afgaand, vonden ze over donkere gangboorden hun weg
naar de ingang van de eetzaal, waaruit het licht van kaarsen en
olielampen naar buiten stroomde. Tafels en stoelen waren aan de kant
geschoven. Op een verhoging bespeelden vijf grijze en zwaar kalende
mannen vol overgave saxofoon, trompet, klarinet, schuiftrompet en
drumstel. Een menigte oude mannen en vrouwen dansten en sprongen op het
snelle ritme alsof zij zojuist hun jeugd hadden hervonden. De mannen
droegen witte smokings, de vrouwen zijden galajurken, die van voren en
van achteren diep ingesneden waren. Er waren meer mannen dan vrouwen op
de dansvloer. Sommige mannen dansten met elkaar. Langs de dansvloer
stonden op tafels flessen champagne in koelers en de hoge glazen
ernaast. Zodra zij in het licht van de danszaal verschenen, werden
Bianca en Frida de dansvloer opgesleurd door grijze, dansgrage mannen.
Een man in een onberispelijk wit kapiteinsuniform en met een witte
kapiteinspet op, kwam naar Jacob toegelopen. Hij schudde Jacob de hand,
stelde zich voor als Arnold Richener en vroeg hem mee te komen naar de
kapiteinshut. Robert bleef alleen achter bij een tafel met champagne.
Hij bediende zichzelf. Met het glas in zijn hand bekeek hij op zijn
gemak de dansers. Hij herkende gerimpelde gezichten, die hij ooit op
het internet had gezien, bekende miljonairs, bejaarde filmsterren en
popmuzikanten, industriëlen en politici, die hun hele leven lang zich
hadden verrijkt.
In de ruime kapiteinshut schonk Arnold Richener twee glazen oude whisky
in. Jacob nam aandachtig alles in zich op. Op een tafel lagen
perkamenten vellen met Fenicische tekens erop. Ernaast zag Jacob een
gouden koker. Arnold Richener reikte Jacob een glas whisky aan en zei
“Op de ontdekking van Atlantis!” Jacob nam het glas zwijgend aan. Hij
zag de sluwheid schitteren in de ogen van de witte kapitein. Jacob wist
dat hij op zijn hoede moest zijn voor deze man, die hij nooit eerder
had ontmoet, die geheel onafhankelijk van hem hetzelfde doel had
nagestreefd, in volstrekte geheimhouding en met volslagen andere,
grootsere middelen, gefinancierd door bejaarde miljonairs in ruil voor
de belofte van eeuwig leven. “De orkaan was een ware belevenis voor de
deelnemers van mijn expeditie,” zei Arnold Richener. “We hadden ons op
zwaar weer voorbereid en het schip heeft zich goed gehouden. Waar we
niet op voorbereid waren, was dat motoren en elektrische systemen
uitvielen. Als ik dat had geweten, dan had ik net als jullie voor een
zeilschip gekozen. Drie weken hebben we rondgedobberd. Mijn opvarenden
voelden zich steeds fitter en oefenden in de sloepen. Juist op het
moment, dat we besloten hadden om dit schip op volle zee te verlaten en
in de sloepen verder te varen, zagen we de kust. Stroming en wind
hadden ons langzaam de goede kant opgedreven. Ook de best
georganiseerde expeditie kan niet zonder een portie geluk.” Arnold
Richener lachte even zelfgenoegzaam en ging verder. “Jullie zijn hier
al wat langer. Kun je mij wat meer vertellen over de huidige politieke
verhoudingen in Atlantis? Is de Demiurg hier nog steeds oppermachtig?”
“Kan zijn,” antwoordde Jacob ontwijkend. “Wij zijn nog niet
landinwaarts
geweest. De Vikingen zijn de enigen die we ontmoet hebben.”
“Die Vikingen, wat zijn dat, piraten of rebellen?” vroeg Arnold
Richener.
“Allebei,” antwoordde Jacob.
“Zolang ik ze wijn geef, houden ze zich wel rustig,” zei Arnold
Richener.
“Wat als de wijn op is?” vroeg Jacob.
“Dan verzinnen ik wel iets anders,” antwoordde Arnold Richener. Hij
stond op en zei “Het bal mag niet te lang zonder de kapitein zijn.”
Jacob begreep de wenk en ging de kapiteinshut uit, die Arnold Richener
achter zich zorgvuldig op slot deed. In de danszaal liet Jacob zich
door Robert een glas champagne inschenken, dat hij snel opdronk. Daarna
liep hij tussen de dansende menigte door naar Bianca en bevrijdde haar
van een opdringerige danspartner. Met zijn arm om haar middel zwierde
Jacob over de dansvloer. Robert zag het aan. Hij sloeg snel een glas
champagne achterover en liep de danszaal uit naar buiten en kwam op een
panoramadek. Hij leunde op de reling. De baai lag in een bleek
maanlicht. Op het strand flakkerden de vuren van de Vikingen. Het
zeiljacht lag stil op het water. Achter zich hoorde hij de stem van
Frida zachtjes zijn naam noemen. Ze had hem naar buiten zien lopen en
was hem het dek op gevolgd. Hij draaide zich om.
“Wil je niet dansen?”
vroeg ze.
“Voor dat gezelschap ben ik nog te jong,” antwoordde Robert.
“Ik voel mij ook steeds jonger worden,” zei Frida. “Mijn huid wordt
strakker en mijn borsten worden steviger. Hier, voel maar!” Ze greep
zijn pols en duwde zijn handpalm tegen haar boezem. Onwillekeurig wreef
Robert over haar borsten. Duidelijk voelde hij door de dunne stof van
haar strandjurkje de vaste rondingen, haar opgerichte tepels. Ze zoende
hem op de mond. Even beantwoordde hij haar kus, daarna duwde hij haar
zachtjes van zich af.
“Het spijt me,” zei hij. “Het lukt mij niet, ik hou van Bianca.”
“Het geeft niet,” zei Frida en ze lachte. “We zijn in Atlantis. Je hebt
nog een eeuwigheid om minder eenkennig te worden!”
Ze liepen terug naar de luide muziek en het geroezemoes in de danszaal.
Robert was wakker geworden met een zwaar gevoel in zijn hoofd van de
champagne. Hij had Bianca, die opstond, een zoen gegeven en zich nog
een keer onder omgedraaid in de voorkajuit van het zeiljacht. Hij werd
opnieuw gewekt door luide knallen. Snel trok hij een broek aan en ging
bovendeks. Iedereen stond er naar het passagiersschip te kijken.
“Wat zijn die knallen?” vroeg Robert.
“Ze schieten op kleiduiven vanaf de Professor Nanssen, en niet
onverdienstelijk.” zei Jacob. “Ze doen het, denk ik, om indruk te maken
op de Vikingen.”
Robert zag een rode schijfje door de blauwe lucht vliegen en kort
daarop uit elkaar spatten. Ongeveer tegelijkertijd hoorde hij de knal.
De schijfjes en de knallen volgden elkaar in hoog tempo op. Robert
telde minstens tien schutters aan boord van de Professor Nanssen.
“We krijgen bezoek,” zei Jacob en hij wees op het roeibootje met Egill,
Sveinn en Gísli dat vanaf het strand op hen af voer. De drie
Vikingaanvoerders klommen aan boord van het zeiljacht.
Egill wees in de richting van de knallen en zei “De oude krijgers
hebben machtige wapens.” Frida vertaalde.
“De oude krijgers zijn wijs en ervaren in de strijd,” zei Jacob, aan
wie het verstandig leek om de bluf van Arnold Richener verder aan te
dikken.
“Wij willen een bondgenootschap sluiten met de aanvoerder van
de oude krijgers, om samen ten strijde te trekken en het land te
veroveren,” zei Gísli.
“Jullie hebben tot de avond de tijd om een
ontmoeting met de aanvoerder van de oude krijgers te regelen,” zei
Sveinn. “Anders steken we jullie schip in de brand, om de oude krijgers
te laten zien, dat wij ook wijs en ervaren zijn in de strijd.”
De drie Vikingen sprongen weer in hun bootje en roeiden terug naar het
strand.
“We zijn lelijk tussen twee vuren terechtgekomen,” zei Frida.
“Voorlopig zit er niets anders op, dan het spel mee te spelen,” zei
Robert.
“Ja, ik peddel zo dadelijk naar het passagiersschip toe en bespreek de
situatie met de kapitein,” zei Jacob. “Ik ben bang dat sinds de
aankomst van de Professor Nanssen ons aanzien als boodschappers van
Knútr Haraldrson een flinke knauw heeft gekregen.”
En dat was precies
wat er gebeurd was. De avond ervoor hadden Egill, Sveinn en Gísli,
verhit door de wijn, de koppen bij elkaar gestoken. Terwijl op het
strand om hen heen de mannen en vrouwen luidruchtig wijn dronken tot ze
erbij neervielen, zochten de drie aanvoerders een rustige plek buiten
het licht van de vuren om hun snode plannen te smeden. Het was hun
duidelijk dat de boodschappers van Knútr Haraldrson bedriegers waren.
Geen vloot van drakeschepen vol strijdlustige Vikingen was er gekomen
maar een vreemd schip met de oude mannen en vrouwen aan boord. Als deze
oude mannen en vrouwen langs de Midgardslang konden varen, waarom had
Knútr Haraldrson dat dan niet eerder gedaan? Of Knútr Haraldrson het te
druk had met andere zaken of dat hij te oud of zelfs dood was, daar
konden ze alleen maar naar raden, maar Egill, Sveinn en Gísli wisten nu
wel zeker dat hij nooit meer zou komen. Ze stonden er met hun kleine
groep alleen voor. En ze waren het zat om nog langer enkel gedroogde
vis
te eten en water erbij te drinken. De wijn smaakte naar meer. Niet
langer meer wilden ze als opgejaagd wild leven. Ze waren trotse,
dappere Vikingen. Er was voor hun maar één uitweg. Ze gingen zich
overgeven aan de Demiurg. Maar ze zouden niet met lege handen komen. Ze
zouden de oude krijgers van het grote witte, stalen schip overhalen om
een bondgenootschap met hen te sluiten om samen ten strijde te trekken
tegen de Demiurg. Ze waren natuurlijk helemaal niet van plan om
daadwerkelijk slag te leveren met de skeletsoldaten. Lang daarvoor
zouden ze hun bondgenoten overleveren aan de Demiurg en de Demiurg zou
hen daarvoor belonen. Dat was het eenvoudige, maar o zo sluwe plan van
Egill, Sveinn en Gísli. Later, in hun eigen tenten, had ieder van hen
met zijn eigen vrouw dit eenvoudige, sluwe plan nog wat verder
uitgewerkt en zich voorgenomen om geen kans voorbij te laten gaan om de
twee anderen aan de Demiurg te verraden. De volgende ochtend hadden de
drie aanvoerders de knallen gehoord en ze hadden gezien hoe bang hun
stamgenoten ervoor waren. Het zou niet lang meer duren of hun eigen
stamgenoten zouden overlopen naar het grote, stalen schip, uit angst
voor de machtige wapens en het grotere aantal van de oude krijgers.
Egill, Sveinn en Gísli wisten dat ze kordaat moesten handelen om hun
gezag binnen de stam te bewaren. Snel waren ze naar het zeiljacht
geroeid. Nadat de drie Vikingaanvoerders kortaangebonden hun ultimatum
hadden gegeven en weer naar het strand terug waren geroeid, peddelde
Jacob in de rubberboot naar de Professor Nanssen om zich van zijn taak
te kwijten. Hij riep omhoog dat hij met de kapitein wilde spreken. Een
touwladder werd neergelaten. Jacob klauterde omhoog. Een oude, maar
fitte passagier bracht hem naar de kapiteinshut. Arnold Richener
ontving hem ditmaal zonder whisky. De tafel was opgeruimd en nergens
zag Jacob de vellen perkament of de gouden koker. Arnold Richener droeg
zijn witte kapiteinsuniform. Gezeten in een comfortabele stoel
luisterde hij aandachtig naar Jacob, die hij liet staan. Hij dacht
enige minuten zwijgend na voordat hij het woord nam. “Het was mijn plan
om met de sloepen landinwaarts te varen. Als de Vikingen met ons mee
willen varen, dan kunnen zij ons mooi de weg wijzen. Mocht het nodig
zijn, dan houden wij ze wel onder de duim met onze jachtgeweren.” Hij
vertelde niet aan Jacob, dat de patronen voor de jachtgeweren bijna op
waren. “De Vikingen willen meer dan meevaren,” zei Jacob. “Zij willen
in
bondgenootschap met jullie het land veroveren.”
Arnold Richener dacht weer na. Hij was niet naar Atlantis gekomen om
oorlog te voeren. Uit de teksten op de vellen perkament had hij
opgemaakt, dat ieder verzet tegen de Demiurg zinloos zou zijn. In
plaats van wapens had hij geschenken aan boord om de Demiurg gunstig te
stemmen. De jachtgeweren dienden enkel voor het vertier van de
passagiers. Arnold Richener wilde de kostbaarheden die voor de Demiurg
bestemd waren, nu niet kwijtraken aan dat ongeregelde stelletje piraten
op het strand. Als de Vikingen zijn schip wilde plunderen, dan was het
maar de vraag of de miljonairs aan boord weerstand zouden bieden. De
bluf van het kleiduif schieten had gewerkt, hij mocht nu geen zwakheid
tonen. Zolang de Vikingen bang voor hem waren, had hij de overhand. Wie
weet kreeg hij de kans om de rebellen te verraden, ze over te leveren
aan de Demiurg. Dat zou zijn aanzien bij deze oppermachtige heerser
zeker geen kwaad doen.
“Een bondgenootschap, prima!” zei Arnold Richener tegen Jacob. “Maar
dan wel met mij als opperbevelhebber! En ik wil die barbaren niet op
mijn schip. Het bondgenootschap wordt gesloten aan boord van jullie
zeiljacht. Als de zon op het hoogste punt staat, zal ik er zijn.”
Arnold Richener was bang dat de Vikingen toch in de verleiding zouden
komen om zich meester te maken van de Professor Nanssen, als zij de
luxe aan boord zagen. Gelaten nam Jacob de bevelen van Arnold Richener
in ontvangst. Hij had zich er mee verzoend om de loopjongen tussen
beide kampen te moeten zijn en hij tikte beleefd bij wijze van groet
tegen zijn versleten marinepet toen Arnold hem met één handgebaar
arrogant de kapiteinshut uit stuurde om de opdracht uit te voeren.
Jacob peddelde terug naar het zeiljacht en pikte Frida op. Samen
peddelden ze naar het strand. Daar vertelde Frida de drie
Vikingaanvoerders over de bereidheid van de kapitein van het grote
stalen schip om een bondgenootschap te sluiten en over het tijdstip van
samenkomst op het zeiljacht. De Vikingleiders gromden, toen ze hoorden
dat Arnold Richener het opperbevelhebberschap opeiste, maar al gauw
besefte ieder van hen dat ze er zo niet onderling om hoefden te
vechten.
De zon stond hoog aan de hemel. Vanaf het strand voer het roeibootje
met Egill, Sveinn en Gísli naar het zeiljacht. Vanaf de Professor
Nanssen kwam een sloep. Arnold Richener stond fier op de achterplecht.
De koperen knopen op zijn witte uniform schitterden in het felle licht.
Bianca en Robert zaten bescheiden op het voordek van het zeiljacht,
waar ze door het half openstaande vluchtluik in de voorkajuit alles
konden horen wat zich in de kajuit afspeelde. Tristan en Isolde hielden
zich op aanraden van Jacob schuil in achterkajuit. Aan de met
mahoniehout gefineerde tafel in de kajuit zworen Egill, Sveinn, Gísli
en Arnold Richener elkaar plechtig trouw in het Oud-Noors, dat Frida
voor de witte kapitein vertaalde. Meteen daarna deelde Arnold Richener
de lakens uit. De Vikingen moesten de volgende morgen hun kamp opbreken
en zich gereed maken voor vertrek. Alle Vikingen moesten meegaan,
mannen
en vrouwen, niemand mocht achterblijven. “En jij gaat mee als tolk,”
zei hij streng tegen Frida. Toen de gezworen bondgenoten het zeiljacht
weer verlaten hadden en buiten gehoorafstand waren, kwamen Bianca en
Robert de kajuit in en kropen Tristan en Isolde uit hun schuilplaats.
“We laten je niet alleen met die griezels meegaan,” zei Bianca tegen
Frida.
“Ja, we houden je gezelschap,” zei Robert.
“Ik wil mijn zeilboot hier niet achterlaten,” zei Jacob.
“Dan varen we toch met zijn allen mee,” zei Bianca. “In deze boot.”
“Niet de Demiurg tegemoet!” zei Tristan vertwijfeld.
“Kunnen Tristan en ik hier niet achterblijven?” vroeg Isolde smekend.
“Als jullie niet mee willen, dan kunnen jullie het beste je aan boord
van de Professor Nanssen verstoppen,” zei Jacob. “Het passagiersschip
ligt muurvast op de zandplaat, dat gaat voorlopig nergens naar toe.
Arnold Richener heeft jullie nog niet gezien en hij zal het niet door
hebben dat jullie niet mee ten strijde trekken. De Vikingen zal het
niet interesseren.”
“Maar hoe komen we ongemerkt aan boord?” vroeg Isolde.
“Daar moeten we inderdaad nog wat op verzinnen,” zei Jacob.
Die avond, meteen na het invallen van de duisternis en nog voordat de
maan opkwam, peddelde Jacob de rubberboot naar de Professor Nanssen.
Tristan en Isolde lagen op de bodem van de rubberboot met een zeil over
zich heen. Jacob peddelde om het passagiersschip heen, naar het boord,
dat de Vikingen vanaf het strand niet konden zien. Hij kraste als een
kraai, floot als een tureluur, riep als een uil en kraaide als een
haan, zonder dat er enige reactie van boven kwam. Van al dat gekras,
gefluit, geroep en gekraai moest Jacob even kuchen. Direct klonk er van
boven een gedempt “Wie is daar?” “De schipper van het zeiljacht,”
fluisterde Jacob. “Ik wil de kapitein spreken.”
Een olielamp werd buiten de reling gehouden en een flauw licht viel
even op het gelaat van Jacob. De lamp werd weer binnenboord gehaald.
Jacob kon nog net op tijd bukken voor de touwladder, die zich afrolde.
Hij maakte de rubberboot aan de touwladder vast en klom omhoog. De
wachtpost op het dek wilde de touwladder weer omhoog halen, maar Jacob
zei snel, dat zijn bootje er aan vastzat en dat hij haast had. Terwijl
de man zich omdraaide om iemand anders te roepen, die Jacob naar de
kapitein kon brengen, gaf Jacob snel een rukje aan de touwladder. Dit
was het teken voor Tristan en Isolde om onder het zeil vandaan te komen
en samen de touwladder in te klimmen. Met slechts enkele sporten tussen
hen in hingen ze vlak onder de reling in de touwladder, totdat Jacob
zich op het dek liet vallen, alsof hij ergens over gestruikeld was. De
wachtpost bukte en hielp Jacob overeind. De man die als begeleider van
Jacob moest dienen kwam op het dek en nam Jacob over. De wachtpost
keerde terug naar zijn plek aan de reling. Tristan en Isolde zaten toen
al op het dek, verscholen achter een dikke buis.
Arnold Richener stond in zijn witte uniform op de brug van het
passagiersschip. Hij was in druk overleg met zijn beide stuurmannen
over de tocht met de sloepen de volgende dag. Kortaf vroeg hij aan
Jacob “Wat is er?”
“Wij willen meevaren,” antwoordde Jacob. “Met het zeiljacht.”
“Prima,” zei Arnold Richener. “Dan wordt dat het admiraalsschip. Ik
vaar met jullie mee.”
“We zullen de achterkajuit in gereedheid brengen,” zei Jacob met
gespeelde onderdanigheid.
“Is de voorkajuit in dat soort boten niet ruimer?” vroeg de witte
kapitein.
“Een bevelhebber van de vloot neemt toch niet genoegen met een plek
voor de mast,” zei Jacob snel. Hij gunde Bianca en Robert de
voorkajuit, die inderdaad ruimer was, maar belangrijker vond hij het
vluchtluik. Deze heimelijke in- en uitgang in de voorkajuit hield hij
liever voor zichzelf en zijn vrienden.
“Je hebt gelijk, de achterkajuit dan maar,” zei Arnold Richener. “Was
dat alles, wat je te bespreken had?”
“Ja,” antwoordde Jacob. Met het Jacob reeds bekende handgebaar gaf de
witte kapitein hem te kennen dat hij weer kon gaan. Hij werd weer terug
geleid naar de touwladder. Beneden in de rubberboot maakt Jacob deze
los. De touwladder werd meteen opgehaald. Tevreden stelde Jacob vast,
dat Tristan en Isolde niet meer onder het zeil zaten. Hij peddelde
zachtjes, met zo min mogelijk gedruis, terug naar het zeiljacht.
Bij eerste ochtendlicht was het Vikingkamp in rep en roer. De
drakeboten werden het water in geduwd, zodat alleen de achterplecht nog
vast lag. De tenten werden afgebroken en de vuren gedoofd. De Vikingen
brachten al hun bezittingen al wadend door het water naar de
drakeboten. Ook aan boord van de Professor Nanssen werden de
voorbereidingen getroffen voor de tocht in de sloepen. In netten werden
tenten, veldkeukens en proviand neergelaten in de sloepen. Arnold
Richener had zijn expeditie met de Professor Nanssen goed georganiseerd
en rekening gehouden met een verblijf op land. Aan het einde van de
ochtend bracht een sloep Arnold Richener aan boord van het zeiljacht.
Rond het middel van zijn witte uniform droeg hij een zwarte riem met
een holster. Hij bracht zijn eigen vlag mee, een blauwe rechthoek met
gele diagonale strepen, die hij bovenin de mast wilde laten wapperen,
als teken dat de bevelhebber van de vloot aan boord was. Jacob had
nooit een vlag gevoerd op zijn boten en vond het kinderachtige
opschepperij. Arnold Richener stond op zijn strepen. Jacob wilde van
geen wijken weten. Aan boord van de Professor Hanssen wilde hij wel
onderdanig doen, maar op zijn eigen boot was hij de baas. Arnold
Richener opende het holster aan zijn riem en legde zijn hand op de kolf
van zijn revolver. Frida zag de woede in Jacob’s ogen. Ze ging snel
tussen hem en de witte kapitein in staan en zei “Zo een embleem is heel
belangrijk om indruk te maken op de Vikingen.” Arnold Richener kreeg
zijn zin. Zelfingenomen keek hij toe hoe Robert de vlag in de mast
omhoog hees. Daarna legde hij met een kalm gebaar weer zijn hand op
zijn revolver en met de andere hand wees hij glimlachend naar de sloep,
die langzij lag. De eerste stuurman van de Professor Nanssen stond met
een jachtgeweer in de aanslag tegen zijn schouder en zei tegen Jacob
“Nu onze kapitein zo gastvrij bij jullie ontvangen is, heet ik graag
twee van jouw opvarenden welkom in deze sloep.” Robert en Bianca
maakten sussende gebaren naar Jacob en stapten gewillig over op de
sloep. De sloep met Bianca en Robert aan boort voer naar de andere
sloepen. “O, voor ik het vergeet,” zei Arnold Richener nonchalant.
“Vannacht vonden we twee verstekelingen aan boord. Die zitten in één
van de sloepen. Zo kunnen we goed op ze passen.” Arnold Richener
lachtte sarcastisch. Jacob pakte de verrekijker. Hij speurde de sloepen
af, tot hij er één zag waarin Tristan en Isolde zaten. Kort daarop voer
de vloot uit. Voorop de drie drakeboten, dan de sloepen en achteraan
het zeiljacht Bianca, dat gesleept werd door drie sloepen. Buiten de
baai stond een lichte bries uit een gunstige richting voor een koers
lang de kust van het eiland. Op alle boten werden de zeilen gehesen. De
Bianca liep sneller dan de drakeboten en de sloepen. Jacob moest zeil
minderen om de Vikingen niet voorbij te varen. Even speelde hij met het
idee om Arnold Richener over boord te gooien en op de vlucht te gaan,
maar de gedachte dat Tristan, Isolde, Robert en Bianca als gijzelaars
in de sloepen zaten, weerhield hem er van. Dankzij de gunstige wind
hadden ook de sloepen een redelijke vaart en snel leidden de
drakeschepen hen door het doolhof van eilanden landinwaarts. Laat in de
middag zagen ze de kust van de zeearm met daarachter de heuvels op het
vaste land. De zeearm was vanaf hier zonder eilanden, maar nog wel zo
breed, dat de andere oever achter de horizon lag. De zon zakte achter
heuvels. Ruim buiten de kust voeren ze in de schemering verder. De wind
nam af en ging liggen. Eén van de drakeboten, die van Sveinn, kwam
langszij het zeiljacht geroeid. Frida moest de woorden van de
Vikingaanvoerder vertalen voor Arnold Richener. Het plan van de
Vikingen was om in het licht van de weldra opkomende maan de hele
nacht door te roeien. De witte kapitein stemde in. Vanuit drie sloepen
werden sleeplijnen vastgemaakt aan het zeiljacht. Lange tijd was alleen
het zachte plonsen van de riemen in het water te horen. Later in de
nacht zongen de skalden in de drakeboten hun liederen om de roeiers
wakker te houden. Langzaam gleden de oevers voorbij, het zilveren
maanlicht weerkaatsend. Jacob stond aan het roer van het zeiljacht,
wakker en alert. Zijn boot aan Arnold Richener toevertrouwen, was het
laatste wat hij wilde. Frida sliep in de voorkajuit, direct onder het
vluchtluik en zo ver mogelijk van Arnold Richener, die in de
achterkajuit lag. Dat stemde Jacob voorlopig gerust. Bianca en Robert
zaten in één van de sloepen, die het zeiljacht sleepten. Met zijn
scherpe ogen zag Jacob in het maanlicht hoe zij op achterste bank van
de sloep zaten, tegen elkaar in slaap gevallen. Ook de sloep waar
Tristan en Isolde aan boord waren, hield hij in de gaten, al kon hij
hen niet zien. Waarschijnlijk lagen ze op de bodem van de sloep te
slapen. Jacob hield het zeiljacht op koers achter de sloepen en wachtte
koelbloedig af wat komen ging.
De volgende ochtend blies er een gunstige wind in de zeilen. De Bianca
voer voorop. Overdag deed Jacob hazenslaapjes in de stuurhut terwijl
Frida het roer van hem overnam. Zo voeren zij drie dagen lang de zeearm
op, zeilend onder de zon en in het maanlicht roeiend. Op de derde dag
zagen ze de heuvels op de andere oever. De zeeram versmalde zich
merkbaar. De avond van de vierde dag wachtte hen een verrassing. De
wind was weer gaan liggen en het wateroppervlak rimpelloos. In de verte
hoorden ze feestmuziek. Bootjes vol muzikanten dreven voor hen op het
water. Op de oever werden in de schemering één voor één vuren
ontstoken. Nog voordat de Vikingen zich klaar hadden kunnen maken voor
de strijd, klonk een luid en vrolijk gejuich. Beeldschone jonge vrouwen
voeren in kleine bootjes, die versierd waren met bloemen, op de
drakeboten af en ook op de sloepen en het zeiljacht. De jonge vrouwen
klommen aan boord met bloemenslingers in hun handen, die ze de Vikingen
en de oude miljonairs in de sloepen omdeden. Op het zeiljacht kreeg
Arnold Richener drie slingers omgehangen, ook die van Jacob en Frida,
die lachend de jonge vrouwen voor de eer bedankten. De jonge vrouwen
gebaarden voortdurend verleidelijk glimlachend naar de kant. Arnold
Richener riep naar de sloepen “Aanleggen, we slaan hier vanavond ons
kamp op!” De sloepen roeiden naar de geïmproviseerde aanlegsteiger,
waar ook de boten met de jonge vrouwen en de muzikanten naar toe
voeren. Argwanend bleven de Vikingen op het water, maar toen zij zagen
hoe de miljonairs uit de sloepen stapten en op de kant onthaald werden
door een feestende menigte en glazen wijn in de hand gedrukt kregen,
toen gingen ook zij naar de aanlegsteiger. Het zeiljacht stak te diep
om aan te leggen. Jacob liet het anker zakken. De witte kapitein
stapte in de rubberboot, in zijn witte uniform met witte kapiteinspet
en met de drie bloemenslingers om zijn schouders. Jacob en Frida
peddelden hem naar de kant. Heerlijke spijzen stonden hoog opgestapeld
op lange tafels. De drie Vikingaanvoerders en Arnold Richener werden
door de feestende menigte naar vier klaarstaande hoge zetels gebracht.
In het licht van de kampvuren ging een lange rij mensen aan hen
voorbij. Allen knielden zij voor hen en legden kostbaarheden voor hen
neer, gouden bekers en drinkhoorns, vuistgrote diamanten, kettingen van
smaragden, zilveren kannen en kandelaars, gouden kisten vol met
fonkelende edelstenen. De stapel werd steeds hoger en glansde in de
warme gloed van de vuren. De ogen van de Vikingaanvoerders rolden bijna
uit de kassen van begeerte. Op een afstand keken Jacob en Frida toe.
Nergens zagen ze Bianca en Robert of Tristan en Isolde in de menigte.
De eerste stuurman liep naar Arnold Richener toe. In het feestgedruis
konden Jacob en Frida niet verstaan wat de witte kapitein met de
stuurman besprak. Wel zagen ze de tevreden glimlach op zijn gezicht .
Hij gebaarde naar Frida om dichterbij te komen. “Vertaal jij even voor
de Vikinghoofdmannen, dat zij morgenochtend de schat onderling mogen
verdelen,” zei hij tegen haar. Nog voordat Frida haar zin in het
Oud-Noors had afgemaakt, stortten Egill, Sveinn en Gísli zich op de
kostbaarheden om deze van dichtbij te bekijken en de waarde ervan vast
te stellen. Arnold Richener stond lachend op en zei gebiedend tegen
Jacob en Frida “We gaan terug naar het admiraalsschip.” Terwijl Frida
en Jacob de witte kapitein naar het zeiljacht peddelden, verstomde de
muziek op de oever. Langzaam aan legden de feestvierders, slaperig
geworden van de wijn, er zich te rusten onder de sterrenhemel in de
warme buitenlucht. De bejaarde miljonairs kozen de mooiste jonge
vrouwen als gezelschap naast zich. De Vikingmannen wilden hetzelfde
doen, maar mochten het niet van de Vikingvrouwen. Egill, Sveinn en
Gísli bleven bij de stapel met kostbaarheden. Ieder van hen drieën
wilde zich de hele schat toe eigenen en had het juiste vermoeden dat de
andere twee hetzelfde van plan waren.
Nog voor zonsopgang luidde Arnold Richener de scheepsbel. Tevreden
wreef Jacob de slaap uit zijn ogen. Dankzij de wijn had hij de vorige
nacht zijn zorgen vergeten en was bij Frida in de voorkajuit gekropen.
Naast hem rekte Frida zich minstens even voldaan uit. Weer klonk de
scheepsbel. “De admiraal roept,” zei Frida lachend en ze draaide zich
nog eens om.
Jacob trok zijn kleren aan en ging naar de stuurhut. Bij de
aanlegsteiger waren de miljonairs bezig om de sloepen weer vaarklaar te
maken. “We varen vandaag naar de stad die verderop ligt,” zei Arnold
Richener.
“Gaan de Vikingen niet mee?” vroeg Jacob, die tot zijn verbazing zag
dat de drakeboten nog aangemeerd lagen.
“Nee,” antwoordde Arnold Richener lachend. “De aanvoerders zijn nog
druk bezig om uit te maken hoe de schat over de drie boten verdeeld
moet worden. Van die lastpakken zijn we af!”
De drakeboten voeren die dag niet met de sloepen en het zeiljacht mee,
maar wel de met bloemen versierde, kleine bootjes vol jonge vrouwen.
Sommige miljonairs zaten in deze kleine bootjes aan de riemen en in de
sloepen zaten jonge vrouwen naast de roeiers. Op de oever liep een bont
gekleurde, lange stoet muzikanten en feestvierders mee. Jacob zag
Bianca en Robert in een sloep vlakbij, maar nergens zag hij Tristan en
Isolde. Arnold Richener zag hem zoeken en wees naar de oever, naar een
groot, wit paard. Op de rug van het dier zat Isolde. Ze droeg een
kostbaar gewaad van blauwe zijde, dat tot op haar enkels viel. Tristan
liep naast haar, het hoofd gebogen. Daarachter liepen matrozen van de
Professor Nanssen met jachtgeweren over hun schouders.
“Daar rijdt de bruid van de Demiurg,” zei de witte kapitein lachend.
“Bruid van de Demiurg!” riep Jacob ontsteld.
“Ja,” antwoordde Arnold Richener. “Dit zijn de festiviteiten
voorafgaand aan zijn bruiloft. Wij zijn eregasten, omdat wij de bruid
Isolde gebracht hebben.”
“Hoe weet jij dat allemaal?” vroeg Jacob tussen zijn knarsende tanden
door.
“Dat heeft haar minnaar, Tristan heet hij geloof ik, zelf gisteravond
aan mijn eerste stuurman verteld. Die Tristan kan op één of ander
manier de inboorlingen hier verstaan en had gehoord over de op handen
zijnde bruiloft en dat zijn vriendinnetje de beoogde bruid is. Hij
smeekte mijn stuurman om hen allebei te laten gaan, zodat ze voor de
Demiurg konden vluchten. Mijn stuurman vroeg mij om instructies. Het
leek mij geen goed idee om de toorn van de Demiurg op te wekken door er
aan mee te helpen, dat zijn bruid de benen kan nemen met haar geliefde.
Liever ben ik zijn eregast op de bruiloft.”
“Je kan haar toch niet tegen houden als ze wilt vluchten,” zei Jacob.
“De Demiurg zal net zo goed woedend worden, als je Isolde ook maar een
haar krenkt.”
“O zeker,” zei de witte kapitein. “Mijn mannen zullen de bruid van de
Demiurg geen haar krenken. Ze zullen de jachtgeweren op haar minnaar
richten! Zo zal ze gewillig meegaan naar haar bruiloft.”
“Als Isolde met de Demiurg trouwt, dan valt voorgoed de duisternis over
Atlantis!” riep Jacob onthutst. “Dat staat voorspeld in de perkamenten
vellen!”
“Ja, dat staat voorspeld in de perkamenten vellen,” zei Arnold
Richener. Hij haalde onverschillig zijn schouders op. “Er zijn zoveel
voorspellingen. De meeste komen nooit uit.”
In de verte glinsterden de gouden koepels van een imposante stad.
Steeds dichterbij kwamen de spitsen, de transen, de tinnen en kantelen.
De stoet op de oever verdween als een lang lint door een poort in de
stadsmuur. Frida tuurde vanaf het zeiljacht door de verrekijker. Boven
de menigte uit zag ze Isolde op het witte paard opgeslokt worden door
stad. De boten voeren door een smal kanaal naar een havenkom, die in
het centrum van de stad lag. Hoewel de schepen in de haven klein waren,
niet veel groter dan de sloepen, waren het kanaal en de havenkom diep
genoeg voor het zeiljacht. Jacob meerde aan langs de kademuur. Overal
klonk muziek en gezang. Op de kade stond een juichende menigte, die de
bemanning van de sloepen en het zeiljacht meevoerde door de straten van
de stad. Arnold Richener liep in zijn witte kapiteinsuniform met witte
pet voorop als aanvoerder van de miljonairs. Achteraan kwamen Frida en
Jacob met zijn versleten, blauwe pet. De huizen van de stad waren
voornaam en hoog. Overal zag Frida in felle kleuren geschilderd
houtsnijwerk boven de deuren en langs de raamkozijnen. Veelkleurige
vlaggen en banieren hingen vanaf de gevels omlaag. Boven hen bogen
mooie, jonge vrouwen het welgevormde bovenlichaam uit openstaande ramen
en wierpen bloemen over de hoofden van de dichte stoet. De optocht kwam
op een groot plein. Om het plein stonden de hoogste en voornaamste
huizen van de stad. Een groot podium stond midden op het plein,
versierd met ontelbare witte, rode, gele en blauwe bloemen. Voor het
podium stonden drie rijen skeletsoldaten, die hun best deden om er
feestelijk uit te zien en bontgekleurde uniformen om hun beenderen
hadden gedrapeerd. Aan weerszijden van het podium waren eretribunes. De
toegang tot de eretribunes werd bewaakt door kleurrijke skeletsoldaten.
Arnold Richener en al zijn miljonairs mochten naar binnen. Jacob en
Frida bleven op het plein staan. In de menigte ontdekten ze Bianca en
Robert, die door de miljonairs vrijgelaten waren. Samen bekeken ze het
schouwspel op het podium. Eerst kwamen van achter het podium de koning
en de koningin op met tussen hen in Isolde in de lange blauwe, zijden
jurk. Toen schalden er honderd klaroenen. Daarna was het muisstil.
Niemand in de menigte gaf een kik of durfde zelfs maar te kuchen of te
niezen. De Demiurg kwam op. Hij was helemaal niet zo groot, niet veel
groter dan Isolde, maar wel van zijn tenen tot zijn hals met gouden
schubben bedekt. Verstijf van angst staarde Isolde naar haar bruidegom.
Wanhopig keken Jacob, Frida, Bianca en Robert vanuit de menigte toe hoe
het noodlot zich ging voltrekken. De Demiurg liep naar Isolde toe, nam
haar hand en hief die omhoog. Nu juichte iedereen op het plein en op de
tribunes. Met dit eenvoudige handgebaar was het huwelijk bezegeld,
zonder paperassen maar ook zonder kus. De eregasten kwamen van de
tribune en liepen over het podium langs het bruidspaar. De miljonairs
boden de Demiurg hun geschenken aan, voor het merendeel waren het
gouden horloges. Onverschillig nam de Demiurg de geschenken in
ontvangst. Alleen een golftas met golfsticks bekeek hij iets
aandachtiger. De korte ceremonie was hierna voorbij. De Demiurg ging
met zijn bruid onder escorte van duizend skeletsoldaten naar het
kasteel van de koning. Het feest barstte los in de stad. Moedeloos
gingen Jacob, Frida, Bianca en Robert terug naar de haven, naar het
zeiljacht. Ze waren niet in de stemming voor het feest. Isolde was
gedwongen om met de Demiurg te trouwen. Over het lot van Tristan wisten
ze niets, maar zij vreesden het ergste. Nu de Demiurg getrouwd was kon
de voorspelling uitkomen. Dan heerste er voorgoed duisternis in
Atlantis. Aan boord zei Jacob, “Zodra de wind gunstig is, varen we weg
van Atlantis, weg van de duisternis.”
“En Tristan en Isolde, laten we hen achter?” vroeg Bianca.
“We moeten
hen bevrijden!” riep Frida.
“Tegen die enge skeletsoldaten maken we geen schijn van kans,” zei
Robert. “En al de miljonairs zijn overgelopen naar de Demiurg.”
“We verzinnen een list!” zei Frida.
“Zolang er een zeewind staat, zitten we hier vast in de haven en hebben
we alle tijd om een list te bedenken,” zei Jacob.
Terwijl het feest in de stad voortduurde, dachten Jacob, Frida, Bianca
en Robert hard na over een list, behalve als ze honger en dorst hadden.
Dan gingen ze aan wal en aten en dronken met de feestgangers mee. Dit
kon niet anders, want het eten aan boord van de Bianca was op. Toen ze
de eerste avond, de avond na de bruiloft, aan wal gingen om wijn en
gebraad te nemen van de lange tafels die overal in de straten en op de
pleinen stonden, hadden ze een schuldgevoel jegens Isolde en Tristan,
die de gevangenen waren van de Demiurg, of nog erger. De volgende dag
hadden Jacob, Frida, Bianca en Robert geen schuldgevoel meer, daarvoor
was de wijn te koppig en het gebraad te sappig en mals. De avond van de
derde dag dansten ze mee met de menigte. De muziek was te vrolijk om
stil te blijven zitten. De wind draaide verscheidene keren naar een
gunstige richting, maar ze wilden niet weg gaan voordat ze een manier
hadden gevonden om Tristan en Isolde te bevrijden uit de klauwen van de
Demiurg en ook niet voordat ze alle gerechten hadden geproefd die
steeds weer in nieuwe verscheidenheid op de tafels in de straten en op
de pleinen werden neergezet. Na een maand was het feest voorbij en
hadden ze nog niet eens het begin van een plan. Ze bleven in de haven,
om uit te rusten van het feest en natuurlijk ook om een list te
verzinnen. Honger en dorst hadden ze niet. De bewoners van de stad
gaven hen verfijnde spijzen en geestrijk vocht in overvloed. Drie
maanden na de bruiloft en twee maanden na het einde van het feest,
zaten Jacob, Frida, Bianca en Robert in de middagzon op het dek en
keken naar de mannen en vrouwen op de kade, die daar een eenvoudig
knikkerspel speelden. De speler die als eerste al zijn knikkers in een
kuiltje had, was de winnaar. Soms lukte het een speler om de knikkers
van de andere spelers uit het kuiltje te ketsen, onder luid geroep en
gelach van de spelers en de toeschouwers. De knikkers waren
zilverkleurige, metalen bolletjes met groeven, precies als het
bolletje, dat Jacob in een leren zakje om zijn hals droeg. De groeven
hadden op iedere knikker een ander patroon en dienden er voor om de
knikkers van de spelers uit elkaar te houden.
“Waarom doe je niet mee?” vroeg Frida. “Je hebt al een knikker.”
Jacob lachte, sloeg met zijn vlakke hand op de plek waar hij het
bolletje onder zijn kleren droeg, en zei “Voor de inwoners van Atlantis
is het een waardeloze knikker, maar voor mij is het nog steeds een
kostbaar amulet, de aanwijzing die ons naar Atlantis heeft geleid.”
“Niet alleen naar Atlantis, maar ook naar de eeuwige jeugd,” zei
Bianca.
“En de eeuwige duisternis, als strak de voorspelling uitkomt,” zei
Robert.
“Voorlopig schijnt de zon nog iedere dag,” zei Frida.
“Daar ben ik erg blij om,” zei Jacob. “Maar ik ben benieuwd, waarom de
voorspelde doem uitblijft.”
Hij werd overstemd door opgewonden geroep,
dat vanaf de kade klonk. De knikkeraars staakten hun spel. Mannen en
vrouwen gingen opzij, maakten de weg vrij terwijl ze eerbiedig het
hoofd bogen. Door deze erehaag kwam Tristan rustig aangelopen in de
zonneschijn, gekleed in een strakke, tweekleurige maillot en een open
hangend, wit overhemd, met aan zijn linkerarm de echtgenote van de
Demiurg en aan zijn rechterarm de koningin Guinevere. Isolde droeg een
kort groen gewaad, een geel centuur had zij om haar slanke middel
geknoopt. De
koningin droeg een rode jurk van doorschijnende stof. Galant hielp
Tristan eerst Guinevere aan boord van het zeiljacht en daarna Isolde.
“Welkom aan boord!” riep Jacob. “Wat een eer valt ons ten deel! De
koningin en de gemalin van de Demiurg!”
“Zeg maar Demiurgin,” lachte Isolde. “Of noem mij liever Isolde.”
Tristan vertaalde de zinnen voor de koningin, die daarna lachte en in
het Oud-griekse dialect van Atlantis zei “Noem mij Guinevere.”
“Tristan, jij bent nu ook tolk?” vroeg Frida.
“Ja, ik ben tolk,” zei Tristan. “En bovendien de officiële minnaar van
zowel de koningin als de Demiurgin.”
“Hij is er niet bescheidener op geworden,” lachte Isolde.
“Het is een belangrijke functie die ik aan het hof bekleed,” zei
Tristan, “Een grote, dubbele verantwoordelijkheid rust er op mijn
schouders. Deze twee dames zijn veeleisend. Hun wensen moeten terstond
vervuld worden. Nooit mogen zij onbevredigd blijven.”
Isolde was de
taal van Atlantis al voldoende machtig en vertaalde zijn woorden voor
Guinevere, die goedkeurend knikte.
“Ik wil niet onbeleefd zijn, maar hoe zit het met de Demiurg?” vroeg
Bianca.
Isolde lachte en zei “Mijn echtgenoot is van onderen zoals de
vissen, er zitten daar schubben en één klein gaatje.” Ze herhaalde het
voor Guinevere, die zei “De koning is niet meer dan een skelet, enkel
bot en geen vlees.”
“Guinevere en ik hebben onze mannen net zolang op hun tekortkoming
gewezen, dat ze Tristan als onze gezamenlijke, officiële minnaar hebben
aangewezen. Ze waren allang blij dat we samen met één officiële minnaar
genoegen namen.”
“In Atlantis ben ik de belangrijkste hoogwaardigheidsbekleder met een
overeenkomstige bezoldiging,” zei Tristan.
“Binnenkort is hij de rijkste man van Atlantis!” lachte Isolde.
“Hebben de Demiurg en de koning geen last van jaloezie?” vroeg Robert.
“Niet nu het officieel is,” antwoordde Isolde. “Aan het hof van
Atlantis geldt het als een teken van macht en status om openlijk een
minnaar voor je echtgenote te benoemen.”
Tristan vertaalde de vraag van Robert en het antwoord van Isolde voor
Guinevere, die daarop iets zei, waarvan de anderen slechts het woord
‘golfen’ verstonden.
“Guinevere zegt, dat de koning en Demiurg al hun tijd aan golfen
besteden,” vertaalde Tristan.
“Golfen!” riep Jacob lachend. “Nu herinner ik mij weer, dat op de
bruiloft de Demiurg een golftas met golfsticks van de miljonairs heeft
gekregen.”
“Dat geschenk was een schot in de roos,” zei Tristan. “Hij wilde de
volgende dag al weten waarvoor het dient. Sindsdien speelt hij iedere
dag met de miljonairs, die allemaal hun golfspullen mee hadden genomen
aan boord van de Professor Nanssen en ook tijdens de expeditie in de
sloepen.”
“Het landschap rond het kasteel is één groot golfterrein geworden,” zei
Isolde. “Overal wapperen rode vlaggetjes. De skeletsoldaten zijn dag en
nacht in de weer om het terrein te onderhouden en verder uit te
breiden.”
“De hele hofhouding golft,” zei Tristan. “Wij drieën hebben het kasteel
overdag voor onszelf.”
“Het koninklijke bad is onze lievelingsplek,” zei Isolde. “Daar is het
heerlijk rustig als iedereen op het golfterrein is. We konden er nu
even niet in, omdat het mozaïek gerepareerd moest worden. Het zal
ondertussen wel klaar zijn.”
Tristan vertaalde voor Guinevere, die instemmend knikte en Tristan bij
de arm greep.
“De dames willen weer terug naar het kasteel,” zei Tristan. “Als jullie
iets nodig hebben voor jullie zeilboot, dan vragen jullie het maar aan
de stedelingen. Zij hebben de opdracht van de koning om jullie met
alles te helpen.”
“Nog één vraag, voor jullie weer gaan,” zei Jacob.
“Hoe zit het met de voorspelde duisternis?”
“Die voorspelling komt niet uit,” zei Tristan lachend. “Dat hebben we
aan Arnold Richener te danken. De Demiurg is na het huwelijk
oppermachtig. Hij kan in een handomdraai de zon verduisteren, maar met
behulp van mijn diensten als vertaler wist Arnold Richener hem er van
te overtuigen, dat hij veel te machtig is om zich door de eerste beste
onheilsprofeet de wet te laten voorschrijven. En dat je veel beter kunt
golfen in de zon dan in het donker.”
Het hoofse drietal ging van boord. Op de kade vormde zich weer snel een
erehaag. Minzaam links en rechts knikkend liepen Isolde, Tristan en
Guinevere gedrieën gearmd de kade af en verdwenen langs de
rijkversierde gevels uit zicht.
“Poeh,” zei Bianca. “Tristan en Isolde hebben het wel hoog in de bol.”
“Ach,” zei Jacob. “We moeten niet vergeten dat Isolde en Guinevere de
belangrijkste vrouwen in Atlantis zijn en Tristan de op twee na
belangrijkste man. Het is aardig dat ze langs zijn gekomen.”
“Pas na drie maanden!” zei Bianca. “Al die tijd hebben wij ons zorgen
gemaakt en plannen bedacht om ze te bevrijden. En nu blijkt dat ze het
allang zelf opgelost hebben! Dat hadden ze ons eerder mogen vertellen.”
“Ze zijn gelukkig, dat is het belangrijkste,” zei Robert. “Ook zonder
ons hebben ze hun zaakjes prima geregeld. Misschien was het wel beter
zo, dat we elkaar een tijdje niet hebben gezien. We hadden ze anders
maar voor de voeten gelopen.”
“Een uitnodiging voor het koninklijk bad was wel aardig geweest,” zei
Frida.
“Dat zal niet weggelegd zijn voor gewone zielen zoals ons,” zei Jacob.
“Het bad is niet voor niets koninklijk.”
“Zo gewoon zijn we nu ook weer niet,” zei Bianca. “We zijn de bemanning
van het snelste zeiljacht van heel Atlantis!”
Jacob keek naar de windvaan boven in de mast en riep “Eindelijk, de
wind is gedraaid, we varen uit!” Met zijn vieren dansten ze een wilde
kuitenflikker, dat het stalen dek ervan dreunde.
Binnen het uur hadden de stedelingen het jacht bevoorraad en wensten
vele wuivende handen het schip een goede vaart. Al zeilend voer de
Bianca het kanaal uit, de smalle zeearm op. Hier bolden de zeilen.
Breder en breder werd het water onder de azuurblauwe lucht. Robert keek
om. De stad werd kleiner en verdween als een stip aan de horizon. Hij
snoof de zilte lucht. Het verlangen naar verre zeereizen laaide op in
zijn hart. De levenslust stroomde tintelend door zijn aderen. Hij
omhelsde Bianca. Zonder woorden wisten zij van elkaar dat zij hetzelfde
voelden. Ze voeren langs de drie drakeboten, die nog steeds aan de
geïmproviseerde steigers lagen. De Vikingen hadden er hun tenten
opgeslagen. Door de verrekijker zagen ze Egill, Sveinn en Gísli naast
de glinsterende berg goud en edelstenen staan. Egill had een gouden
beker in zijn hand, Sveinn een vuistgrote fonkelende, groene edelsteen
en Gísli een manshoge zilveren kandelaar. Ze ruzieden over de
onderlinge waarde ervan. Ze ruilden de kostbaarheden en waren weer niet
tevreden. Het verdelen van de schat kon nog jaren duren.
Eiland voor eiland verkenden Jacob, Frida, Bianca en Robert de zeearm.
Ze voeren de zeearm uit, de oceaan op, en ontdekten kusten van Atlantis
waar nog nooit iemand een voet had gezet. Op zee en op de eilanden
zagen ze vogels, die nog nooit iemand eerder had gezien. Ze gaven de
vogels namen, roodsnavelglorie, paarskuifduiker, geelgatje, krijsvogel
en nog vele anderen. Na iedere lange reis keerden ze steeds weer terug
naar hun thuishaven, de stad waar de bruiloft van de Demiurg had
plaatsgevonden. De eerste aanblik door de verrekijker van de torens en
koepels van de stad gaf hen dan altijd een blij en vertrouwd gevoel,
omdat ze wisten dat dan spoedig de voorraden aan boord weer aangevuld
werden en ze snel weer uit konden varen. Want lang bleven ze nooit in
de haven van de stad. Soms vroegen ze audiëntie op het kasteel van de
koning, om Isolde, Tristan en Guinevere te begroeten en om verslag uit
te brengen aan de Demiurg over de nieuwe kusten en de nieuwe
vogelsoorten die zij hadden ontdekt. De Demiurg kon het geen zier
schelen. Hij was veel te druk met zijn golftechniek. De enige vogels
waar hij zich voor interesseerde, waren de birdies, eagles, albatrosses
en condors op het golfparcours.
Als ze op de route van of naar de stad langs het Vikingkamp voeren,
verbaasden zij zich erover, dat de stapel kostbaarheden steeds hoger
werd. Eerst dachten ze dat de Vikingen weer aan het roven en plunderen
waren geslagen, maar in de thuishaven hoorden ze dat de inwoners van
Atlantis zelf hun goud, zilver en edelstenen in bewaring gaven aan de
Vikingen. Want ook al wist iedereen dat het piraten en rovers waren, ze
waren altijd nog betrouwbaarder dan de bankiers van Atlantis. Die
gingen er eerder vroeg dan laat altijd met het goud vandoor. Zolang
Egill, Sveinn en Gísli ruzie maakten over de verdeling van de schat,
werd er door niemand ook maar een korreltje van afgenomen. En altijd
als de drie hoofdmannen bijna dachten, dat ze er uit waren en wisten
hoe ze de schat konden verdelen, terwijl tegelijkertijd ieder van hen
meende de andere twee te bedriegen en dat zijn aandeel het grootste
was, dan kregen ze weer nieuwe kostbaarheden toevertrouwd en begon het
geruzie weer van voren af aan. Zo werd het Vikingkamp de veiligste
bewaarplaats voor alle kostbaarheden in Atlantis.
Uit nieuwsgierigheid stuurde Jacob een keer de baai binnen waar de
Professor Nanssen op een zandbank lag. Het schip en de lucht erboven
krioelde van luidruchtig leven. Op de dekken broedde een kolonie
paarskuifduikers. Boven de masten en schoorstenen cirkelden
krijsvogels.
Met het verstrijken van de dagen voelden iedereen aan
boord van het zeiljacht zich jonger en fitter. Bianca en Frida zagen er
uit alsof ze vijfentwintig waren. Het haar van Bianca was van zichzelf
weer kastanjebruin en dat van Frida goudblond. Met deze twee
lieftallige vrouwen op het zeiljacht en met de aanmoediging van Jacob,
had Robert er geen eeuwigheid voor nodig om zijn eenkennigheid te
overwinnen. Op een avond na een lange zeiltocht keken ze op het dek
naar de dieprode zon, die langzaam in het water tussen ontelbare kleine
koraaleilanden zakte. Jacob had zijn arm om Bianca geslagen. Frida hing
om de hals van Robert.
“Weten jullie,” zei Robert. “Er is iets in de atmosfeer van Atlantis,
waardoor iedere dag fris is, steeds een nieuw avontuur. Waardoor iedere
ochtend de zon opkomt alsof zij nieuw geboren is. Waardoor Tristan,
Isolde en Guinevere er geen genoeg van kunnen krijgen om in hun
koninklijke zwembad te dobberen. Waardoor de drie Vikingaanvoerders
eeuwig kunnen blijven ruziën over de schat. Waardoor het mij nooit gaat
vervelen om samen met jullie te zeilen.”
“Dus je denkt dat het door de atmosfeer in Atlantis komt, dat het je
nooit gaat vervelen?” vroeg Frida lachend.
“Ja, maar de atmosfeer is natuurlijk niet de enige reden,” zei Robert.
Hij wisselde een liefdevolle blik met Bianca en hij kuste Frida lang en
hartstochtelijk.
www.jogledor.nl
© 2014 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten
voorbehouden, all rights reserved